De wereld is geen dorp

Een reis om de wereld in dertig dagen. Kijken of waar is wat steeds wordt beweerd, namelijk dat de wereld eigenlijk een dorp zou zijn geworden....

'Ik weet het niet', antwoordde Andrew Stuart, 'maar ik weet wel, dat de wereld groot genoeg is.'

'Dat was zij vroeger...', zei Phileas Fogg halfluid. (...)

'Hoe, vroeger? Is de wereld misschien kleiner geworden?'

'Zonder twijfel', ging Gauthier Ralph voort, 'Ik heb dezelfde opvatting als de heer Fogg: de wereld is kleiner geworden, omdat men haar nu tien maal sneller rondreist dan honderd jaar geleden.' (Jules Verne, De reis om de wereld in tachtig dagen)

We hebben Palestijnen ontmoet en hoeren in Sint-Petersburg. Homo's in Amerika, sherpa's in Nepal. We hebben kinderen dood zien bloeden in Haïti en kardinalen horen bidden op het Sint-Pietersplein.

Dit was het idee: de aarde is de afgelopen honderd jaar zo gekrompen dat ze aan onze voeten ligt. We kunnen overal heen. We weten alles van elkaar, door de televisie, door internet. We drinken allemaal Coca-Cola en roken Marlboro. Maar hoe klein is de wereld nu echt geworden? En hoe groot is ze gebleven?

We proberen het en maken een bliksemtocht rond de aarde. Dertig dagen, eenentwintig vluchten, tien landen. Dwars door seizoenen en culturen, geen rust, geen oponthoud. En dan weer terug, met koffers vol verhalen en geen antwoord op de vraag of iedereen op elkaar is gaan lijken, de afgelopen honderd jaar.

Het begint in Israël, waar meer verhalen zijn begonnen. Niet ver van Jeruzalem, in de stoffige woestijn, ligt het dorp Kalandia. Het is omheind door prikkeldraad en muren van steen. De toegangspoort is dichtgemetseld met blokken beton, logisch, vinden de joden, want anders gaat de Palestijnse jeugd maar met stenen gooien. Idioot, vinden de Palestijnen, dat doen de joden alleen om ons te vernederen.

Nu moeten de bewoners zich met wrakke auto's door de straten wurmen om thuis te komen. Nou ja, thuis. Eigenlijk is Kalandia geen dorp, maar een vluchtelingenkamp. In de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948 raakten veel Palestijnen ontheemd en bleef er weinig anders over dan dit soort kampen met erboven een vlag van de Verenigde Naties. Als ze ondertussen niet dood zijn, leven ze daar nog steeds. Net als hun kinderen en daar weer de kinderen van.

Ibrahim Mahmud Ibzei (42), vader van veertien kinderen en blind aan één oog: 'De Israëli's zeggen: Palestijnen zijn geen mensen, dat zijn dieren. En het klopt nog ook, kijk maar in wat voor hokken we hier leven. Kunt u alstublieft twee boodschappen doorgeven aan de wereld? Dat we het zwaar hebben hier. En dat we ons land terug willen.'

Hij gaat zitten, zucht, zakt bijna weg in zijn sofa. Aan de wanden van de woonkamer hangen foto's van Palestijnse martelaren. Er hingen ook posters van Yasser Arafat, maar die zijn van de muren gescheurd.

Bijna overal in Kalandia is Yasser Arafat van de muren gescheurd. Lang hebben ze el chtiaar, de oude, als verlosser gezien. Maar wat ervan terechtkwam is dat zijn ministers nu rondrijden in dure Landrovers, buitenlandse banktegoeden bezitten en in luxe villa's wonen, terwijl de vluchtelingen van kamp Kalandia nog steeds in kamp Kalandia wonen dat almaar voller raakt en straks nog uit zijn muren barst.

'Een grote corrupte onbetrouwbare bende is het', zegt Ibzei , en opnieuw een diepe zucht. 'Ze hebben al onze dromen stukgemaakt. God is nu de enige die ik nog kan vertrouwen. Insallah, insallah.'

Kampofficier Khalil Asous zegt, later: 'Als die mensen hier nu maar eens niet zo vreselijk neerslachtig zouden zijn! Insallah, insallah, alles in de handen van God leggen en zelf zitten ze daar maar.'

In Nepal, dat nogal een zachtaardig land is, hebben ze het ook al niet zo op Israël. Er komen steeds meer bordjes met 'geen plaats voor Israëli's', of 'deze boekhandel heeft geen Hebreeuwse boeken'. Vanwege het kabaal dat ze maken, zeggen de Nepalezen. En de hooghartigheid. Er zijn zelfs sherpa's die weigeren nog joden te gidsen.

Maar ze komen toch, bij duizenden, met tienduizenden andere buitenlanders erbij. Nepal is ook zo gemakkelijk te bereiken tegenwoordig. Vijftig jaar geleden nog mocht er nauwelijks iemand in, en ls het mocht kon het alleen met een uitgebreide expeditie, lopend vanuit India. Nu is het met enige moeite mogelijk om in een dag te reizen van Jeruzalem naar Dhampus, een klein dorp diep weggeduwd tussen de rijstvelden, slechts verbonden met de rest van de wereld door een smal pad van zand en stenen.

De bevolking van Dhampus (acht huizen) is al goed gewend aan de stroom Israëli's, Japanners, Duitsers, Amerikanen, Nederlanders, Italianen, Belgen en andere uitheemsen. Van sommigen spreken ze zelfs de taal. Op hun gevels hebben ze 'Holiday Inn Guesthouse' geschilderd, of 'Japaneese home cooking'. De trekking (tocht) die hier begint, heeft als bijnaam de Coca-Cola trail.

Het is er schaamteloos mooi.

's Nachts, als het dorp onder de sterren ligt, kun je er horen zingen. 'De Europeanen hebben een goeie trekking gehad!', gaat het dan, in vrolijk Nepalees. 'De Europeanen hebben een goeie trekking gehad!'

De Europeanen in kwestie, Belgen op leeftijd, kijken benauwd als hun dragers en gidsen een taart serveren in de eettent die voor ze is opgezet. Twee weken hebben ze met de Nepalezen opgetrokken, avonturen beleefd, gevochten tegen diarree en hoogteziekte, genoten van de Himalaya en de breekbaar blauwe hemel. Maar uiteindelijk blijft een Belg een Belg en een Nepalees een Nepalees. Dus deinen de toeristen ongemakkelijk mee op het ritme van de traditionele trommels, en eten ze schielijk een stukje taart.

Menge Lama moet erom lachen. Menge Lama is de drager die vanochtend onderaan de berg zat te wachten op werk; een tanige, kleine man met felle ogen en een zwarte hoed. Voor driehonderd roepies liep hij naar boven, zwijgend, zodat je alleen het geklepper van zijn slippers hoor de. In zijn mand de buitenlandse rugzak.

Ooit was Menge Lama boer, maar wat moet je als goedkoop Amerikaans graan het land binnenstroomt, en rijst uit China en aardappelen uit Rusland? Dan word je drager. 'Ik denk', zegt Menge Lama, 'dat er over een tijdje helemaal geen boeren meer zijn hier. Dan leven we allemaal van de Europeanen.'

Zonder toerisme was Nepal nog steeds het armste land van de wereld. Nu heeft zelfs een stoffig stadje als Pokhara een eigen Benetton-winkel. Pokhara! Straten van zand, een wankel elektriciteitsnet, een groot Derde Wereld-dorp is het eigenlijk nog, maar dan wel een met een Benetton-winkel, een bar 'Amsterdam', en meer dan tien cybercafés.

Er lopen veel meer blanken rond dan bruinen. 'Waar zijn hier de skipistes?', vraagt een Britse mevrouw aan haar Nepalese gids, onder het diner in Hotel Restaurant United. 'Je weet wel, met een lift ernaast zodat je weer naar boven kunt, dat hebben wij in Europa.' De gids zwijgt. 'Ah', zegt de vrouw, 'geen liften. Dan zullen ze hier wel vooral langlaufen. Zoals in Zweden.'

'Over tien jaar', zegt zakenman-hotelier Sudersan Ghimire, 'ziet Nepal er heel, heel anders uit. Dan zijn er wegen recht de bergen in. Kabelbanen de bergen op. Tunnels de bergen door. Dat alles zal Nepal uit zijn evenwicht brengen. We zullen harder worden en corrupter, iets dat ingaat tegen de Nepalese traditie, maar het kan niet anders. De oude manier van leven is voorbij.'

Kom mee, zegt Ghimire, en hij laat de kamer zien waar hij de hindoestaanse God van het Geld vereert met wierook en roodgekleurde rijst. Volgende week gaat hij naar Rusland. Voor zaken.

Wij gaan eerder, zeggen we. Morgen.

Vliegen van Kathmandu naar Sint-Petersburg in een dag, dat kan, maar het is een gevecht.

Probeer eerst de strijd te winnen bij het loket voor luchthavenbelasting, roepies te wisselen voor roebels, de douane voorbij te komen, de immigratiedienst, de speciale immigratiedienst en de veiligheidsdienst, op welk moment u Nepal nog niet eens hebt verlaten. Probeer dan in New Delhi aan te tonen dat er daadwerkelijk een vlucht naar Moskou gaat. Klamp uniform na uniform aan, probeer de paspoorten terug te krijgen die een ander uniform heeft meegenomen, en de tickets, ren dan over de startbaan naar het vliegtuig. Klim in de oude Iljoesin. Klim over de dertig Russen die sigaretten roken in het gangpad. Klim opnieuw over de Russen om het toilet te bereiken, dat terdege is vervuild door andere reizigers die eveneens diarree hebben. Ren in Moskou door de douane, zwaaiend met geeft niet welk pasje, als er maar stempels op staan. Betaal 45 dollar voor een taxi naar het andere vliegveld zes kilometer verderop, kom daar tot de ontdekking dat de vlucht naar Sint-Petersburg is afgelast, maak u breed, dring voor in een rij bontjassen, zwaai met dollars en vraag eerst aardig, éis vervolgens tickets voor een volgende vlucht, bereik dan eindelijk Sint-Petersburg en dank god: de koffer is meegekomen.

Sint-Petersburg is koud. Op straat een vuile sneeuwlaag, en waar de sneeuw gesmolten is, ligt zand. De Lada hangt van ijzerdraad aan elkaar, slipt behoedzaam door de bochten, bereikt dan Hotel Moskwa. Ooit een communistische partijbunker van massief beton, nu opgesjiekt tot verblijfplaats voor toeristen, zakenmannen en hotelhoeren.

Buiten bedelt een bejaarde, uit de wind gehouden door een reclamebord voor Marlboro-sigaretten. Een andere bejaarde hurkt achter het Marlboro-bord. Ze poept.

'Dit is een stad van halve gekken', schreef Dostojevski, die de wereld ooit ten stelligste afraadde Sint-Petersburg ook maar te bezoeken, laat staan er te gaan wonen. Wie zich waagt in Sint-Petersburg, zou onmiddellijk besmet worden met haar vernielende karakter.

Sint-Petersburg is de misdaadmetropool van Rusland en Yevgeni Zubarev is er misdaadjournalist. Met lange benen loopt hij door de stad, weggedoken in de kraag van zijn inspecteursjas. Het is een mooie stad, 'maar als je goed kijkt', zegt Yevgeni, zie je scheuren in de muren. Alles is kapot. Zo had Marx het niet bedoeld hè. Kom, we gaan naar mijn redactie. Cognac?'

Hij is met name deskundig op het terrein van de hoererij. Goed voor meerdere achtergrondartikelen per maand. Hoeren zijn zo gewoon als aardappels in Sint-Petersburg, zeker sinds de economie nog niet zo lang geleden onbarmhartig in elkaar donderde en er voor veel vrouwen nauwelijks ander werk overbleef.

Volgens het stadsbestuur zijn er twee-, drieduizend hoeren in Sint-Petersburg, zegt Yevgeni, 'maar wat mij betreft kun je dat vermenigvuldigen met twintig of dertig.' Het bureau van de zedenpolitie, onder leiding van Vladimir Belankov, probeert de groeiende aantallen in te dammen maar heeft slechts de beschikking over acht agenten.

Pooiers zijn sinds vijf jaar niet meer strafbaar, 'welke gek dat heeft bedacht, weet ik niet', zegt Yevgeni, 'maar het parlement vond het in elk geval een zeer democratische maatregel. Democratisch! Ja, in Rusland heerst de macht der idioten.' En zo kan het dus dat elke agent in hotel Moskwa tegelijk pooier is. De regels zijn simpel. De agenten bieden de hoeren bescherming en krijgen een deel van de opbrengst. De hoeren houden zich rustig, beroven noch beschadigen hun klanten en stoppen geen verdovende pillen in hun drankjes. Doen ze dat wel, dan worden ze gearresteerd. Door hun eigen pooier, pardon, politieagent.

Het is al uren donker als de hoeren door de draaideur van Hotel Moskwa stappen, op iets te hoge hakken en met iets te diepe decolletés, opvallend in hun poging onopvallend te blijven. Eerst scholen ze samen bij de politieagenten, die maatpakken dragen en fluisteren welke mannen alleenstaand zijn. Dan mengen ze zich tussen de gasten, die rustig whisky drinken in de zwartleren banken.

Mooie meiden zijn het. Ze willen niet op de foto. 'Dit is een geheim beroep', zeggen ze, 'onze kinderen weten van niets.' Ze willen wel praten. Waarom ze het doen? 'Vraag het de Russische ministers die dit land hebben stukgemaakt.' Hoe vaak ze het doen? 'Zo vaak als we geld nodig heb ben.' Wat ze daarvan kopen? 'Mooie kleren en eten voor de kinderen.' Waarom ze het in Hotel Moskwa doen? 'Daar is bescherming tegen geweld en drugs.'

Veel later, heel diep in de nacht, op een hotelkamer, gaat de telefoon. Helen en Ira bieden zich aan. Ze willen wel op de foto. Voor geld. Vijftig dollar. Ze hebben niets te verliezen: geen man, geen kind, geen trots. Kijken leeg in de lens, alsof ze zichzelf hebben thuisgelaten en hier alleen hun lichaam is. 'We zijn allebei negentien jaar', liegt Helen. Ge luidloos vertrekken ze naar de volgende hotelkamer.

'Is verdriet, vraagt men zich af, niet het enige op de wereld dat mensen werkelijk bezitten?' Dat schreef Nabokov, die ook in Sint-Petersburg geboren werd.

Als je zo Ivoorkust binnenkomt, recht uit Rusland, is er een verrassing. Er zijn wolkenkrabbers. Niet van die kleine, maar hoge, spiegelende, echte wolkenkrabbers. Met neon erop! Lichtreclame voor Peugeot, Citroën, Nestlé, Air Afrique, Samsung, Maggi, Blue Band, Fly klm. Dat ziet er nog eens ouderwets indrukwekkend uit.

Oorlogen en dictators, was verteld, zouden Afrika voor dood hebben achtergelaten. Als een gewonde soldaat zou het werelddeel zich de nieuwe eeuw inslepen, sporen van vernieling en mislukking achter zich latend.

Maar waarom dragen zoveel Ivorianen dan pakken van Hugo Boss en Armani? Waarom hebben ze mobiele telefoons bij zich? En waarom is er in de stad een schaatsbaan?

Abidjan wentelt zich vrolijk in de tropische zon. Het ruikt er naar zee en palmen. Er was gewaarschuwd voor rovers en bandieten maar die houden zich vandaag schuil. Er zijn wel mooie zwarte meisjes die spelen in de branding. Zelfs aan de overkant van de rivier, waar de armen van de stad taxi's wassen, is het gezellig.

Nu is Ivoorkust wel een verhaal apart. Nadat de Ivo rianen zich hadden losgeweekt van de Franse koloniale overheerser, in 1960, bleven ze de band met Frankrijk koesteren. Met als gevolg dat Ivoorkust nu de grootste cacaoproducent ter wereld, de grootste koffieproducent van Afrika en belangrijk katoenland is. 'Zolang de wereldeconomie het houdt, blijft Abidjan wel overeind', zegt Sidibus Sekoo, en hij ragt zijn taxi terug de stad in.

Taxi's in Abidjan zijn een instituut. Met honderden tegelijk stuiven ze over de Boulevard Giscard d'Estaing. Vraag de chauffeur rustig aan te doen en hij zal honderd per uur halen. Vraag hem het niet en hij drukt het gaspedaal zo'n beetje door de bodem heen.

In volkswijk Yopougon staan veertig hemelsblauwe Renaults vrolijk naast elkaar. Ze hebben nog stickers achterop van de landen waaruit ze zijn geïmporteerd: d, f, nl. Er zitten grote roestgaten in, maar dat maakt de bestuurders niets uit. Die bestuurders zijn de armen van de stad, maar dat maakt ze ook niets uit (kun je makkelijk zeggen, als je twee dagen hier bent en nogal verdoofd van de reis).

En dan komt de klap.

Het leek nog zo eenvoudig, in een noodvaart door de wereld. Vliegtuigen genoeg om van continent naar continent te springen, en overal zijn dezelfde hotels met dezelfde minibars en faxmachines en geldwisselkantoren en cnn. Overal zijn taxi's en bussen en vriendelijke mensen die de weg wijzen. Iedereen spreekt Engels en anders wel Frans of Duits, en ze vinden het helemaal niet gek, twee Neder lan ders zo ver uit de route. Er is ook veel gemeenschappelijks om over te praten: de opstelling van Ajax, de president van Amerika, de ellende van een lange nachtvlucht, de kinderen thuis.

Tot je wakker wordt in een hotel en een halfuur nodig hebt om te begrijpen waar je bent. Dan is de wereld een grote klomp geworden in je hoofd. Het lichaam reist, maar de geest blijft hangen, verdwaald tussen sherpa's, stewardessen, orthodoxen voor de Klaagmuur en hoeren in een hotel. Drie seizoenen in veertien dagen. Van min zeven naar plus achtendertig. Geen respect voor tijdzones. Ner gens rust om te wennen. Dat brengt een mens aan het wankelen. Dan koop je op het Afrikaanse strand een ananas, en betaal je per ongeluk met roebels.

In Vaticaanstad vallen de Afrikanen niet eens meer op. Zwarte priesters voor het uitzoeken, zeker nu het woensdag is en de paus er audiëntie houdt. Dan staat de hele wereld op het Sint-Pietersplein. Ze schuifelen over de heilige keien: gelovigen uit Moskou, monniken van Java, zusters uit New Delhi, broeders uit Japan, Filippijnse nonnen, kardinalen uit Duitsland en bisschop Muskens van Breda.

Als de paus voorbijrijdt juichen en joelen de gelovigen, ze strekken hun armen uit, zingen en huilen. 'Daar kan geen popster tegenop', zegt bisschop Muskens.

De bisschop zit aan een eenvoudige tafel in de Kerk van de Friezen bij het Vaticaan. Om hem heen een delegatie Nederlandse katholieken. Er is Douwe Egberts-koffie.

'Wij zijn ons voortdurend bewust van de universaliteit van de wereld', zegt Muskens.

'Ik weet nog goed', zegt Leideke Galema, vrouwe van Bethaniën, 'in 1975 kwamen voor het eerst de stammen uit Afrika naar hier. Dat waren toch wel nieuwe situaties. Toen is er een nieuwe wereld opengegaan. Een hele grote wereld.'

'De faxmachine, het vliegtuig, ze maken de kerk veel intenser', zegt zuster Mary Rignalda, overste-generaal. 'Zo dadelijk vlieg ik naar Australië, 32 uur later ben ik er. Dat is toch een wonder! Ik reis enorm veel en dat relativeert. Dan zie je pas hoeveel verschillende godsbeelden er zijn. Waar voor wij als Europese kerk steeds meer moeten openstaan.'

'De kerk is deze eeuw één grote internationale familie geworden', zegt Rud Smit, rector van het Nederlands Pauselijk College in Rome. 'Wij leiden nu ook veel Indiase en Pakistaanse mensen op tot priester.'

Rignalda: 'Hier in Rome willen ze graag dat de nieuwe paus een Italiaan wordt.'

Muskens: 'Wat mij betreft komt de volgende paus uit Azië. Een lieve Aziaat. Zo onmogelijk is dat niet.'

Aan een andere houten tafel, in het echte Nederland, in Dronten, eet de familie Dekker boterhammen met kaas. Langs de kozijnen giert een storm, over het akkerland gutst regen. De boerderij staat midden in de platte polder.

Coby Dekker vertelt hoe twee vrouwen uit Benin vijf dagen naar Dronten kwamen. Ze droegen de tassen op hun hoofd. Ze keken naar buiten door het raam van de boerderij 'en vonden ons zo vreselijk eenzaam, zo opgesloten in ons huisje. Ze waren ook helemaal niet onder de indruk van onze luxe 90-pk trekker of de uitgestrektheid van het land. Dat is heel goed om mee te maken. Het relativeert.'

Coby is boer en draagt een overal. Ze teelt uien, aardappels, suikerbieten en wintertarwe. Echtgenoot Jack is account services manager bij Compaq in Amsterdam, en draagt een driedelig pak.

'Een van de Afrikaanse vrouwen', zegt hij, 'was volstrekt analfabeet en sprak alleen het dialect van haar eigen dorp. Maar we begrepen elkaar heel goed. Dan zie je: uiteindelijk draait alles om intermenselijk contact.'

Vijftien vluchten gehad, dan moet dit nummer zestien zijn. In dit toestel wordt Nederlands gesproken, en Engels en Spaans. Het had ook Russisch kunnen zijn of Hebreeuws; de teksten van piloot en purser zijn toch altijd identiek. In een vliegtuig maakt het niet meer uit welk paspoort je hebt. Daar is iedereen hetzelfde, namelijk een postpakket.

Vliegtuigen persen de hele wereld samen. Vliegtuig maatschappijen hebben daar heel goed over nagedacht en weten nu tot in de kleinste details wat de mens wil. Mineraalwater uit een plastic bakje. Hygiënisch verpakt bestek. Moederlijke woorden. Kussentjes en dekens. Een warm doekje voor de handen!

Stewardessen dragen soms een kroontje op hun hoofd, een Arabische sluier om de schouders, of hebben een rok aan met Afrikaans motief. Maar wezenlijk zijn ze allemaal inwisselbaar. Nooit chagrijnig, streng als het moet, vaak bezorgd, altijd attent. En bij een biertje horen nootjes. Als de wereld ooit nog één wordt, zal ze er uitzien als in een vliegtuig.

Waar zijn we?

De stad is vol parken en paleizen. Bankgebouwen met marmeren zalen zo groot als de Sint-Pieter. Mensen in kostuums van Prada en Gucci, geelzwarte taxi's, restaurants, een winkelstraat met Bata-schoenen, SunHut-zonnebrillen, McDonalds, een computerspellenspecialist. We zijn in Zuid-Amerika. Waren we hier zomaar uit een vliegtuig gegooid met een blinddoek om, hadden we het niet geweten.

Buenos Aires is een klein Europa onder de evenaar. Een smeltstad van Barcelona (de palmen), New York (de straten), Parijs (de parken), Lissabon (de sfeer) en Hamburg (de bewoners). En de mensen die er wonen hebben Europese achternamen.

Argentinië is een samengesteld land vol samengestelde mensen. Niet alleen de Argentijnen zelf zijn geïmporteerd, ook de koeien en zelfs de bomen komen van buiten. Eerlijk gezegd is er nog maar één inheemse boomsoort over, de Ombu, de rest komt uit Spanje en Italië.

Buiten de stad beginnen de eindeloze vlakten die pampa's heten. Daar zijn landerijen groter dan België en boerderijen die estancia worden genoemd of hacienda en waarvan u niet eens wilt weten hoeveel koeien ze hebben. Veel daarvan doen tegenwoordig niet echt dienst meer als boerenbedrijf. Estancias zijn bij de nieuwe rijken erg in de mode als buitenhuis. Sylvester Stallone heeft er een, Ted Turner, Luciano Benetton ook. En de familie Nudemberg.

Eenzaam aan het eind van een zeventien kilometer lan -ge zandweg, anderhalf uur van Buenos Aires, ligt estancia Santa Rita. Daar zult u in de weekenden Franklin Nudemberg aantreffen, met zijn vrouw Isabel Duggan en als het meezit ook hun zes dochters.

Franklin Nudemberg is een stevig gebouwde, lange, imposante Argentijn met Duitse voorvaderen - president-directeur van een Belgische fabriek die medicijnen maakt. Zijn vrouw Isabel heeft Baskische wortels maar het voorkomen van een Britse. Drie dochters werden geboren in Wiesbaden, twee in Buenos Aires en één in Rio de Janeiro. Ze heten Maria, Victoria, Margarita, Dolores, Carolina en Constanza. De wereld aldus samengevat in één gezin.

'We hebben op zoveel plekken in de wereld gewoond', zegt Isabel, 'dat we toe waren aan iets eigens. Onze plaats op de aarde, waar je je veilig terug kunt trekken. Iets dat helemaal past bij jezelf. Iets Argentijns.' Ze lunchen. Hoge platanen houden het terras uit de zon. Twee palmen staan als poortwachters voor het hoofdgebouw; een langgerekte, roze toren met witmarmeren beelden van herauten er bovenop.

De kapel is nog niet helemaal af. Het woonhuis wel: ook roze, maar laag en weggedoken in het bos. Binnen liggen de laatste nummers van Home & Interior en Living. Zo is het huis ook ingericht.

Dertien honden (elf Collies), honderddertig koeien ('die kregen we erbij'), zes paarden, drie lama's, een klein zwembad, een vijver, een meer met een eiland erin, een gladgemaaid gazon, drie man personeel. Maar verder een buitengewoon bescheiden gezin.

Phil en Jim hebben een soortgelijk verhaal. Ze wonen een stukje vliegen verderop, in Monte Rio, bij San Francisco, Californië, usa. Nogal een verschil met Argen tinië zult u zeggen, maar dat, zal blijken, is een vergissing.

Philip Slatin (51) en Jim Hill jr. (37) zijn succesvolle designers. Jim ontwerpt interieurs, Philip exterieurs. In die hoedanigheid hadden ze werk over de hele wereld - dan weer in Parijs, waar Jim hielp met EuroDisney, dan weer in Engeland waar Phil werkte voor het koninklijk huis, dan weer in New York of Zweden, of Japan. Ze woonden in San Francisco, 'Homohoofdstad Van De Wereld', waar het leven nooit stilstaat en het bruist in de cafés.

Maar dat is genoeg nu. Passé.

'Op den duur wordt het te gemakkelijk allemaal', zegt Phil, leunend op het aanrecht van de open Europese keuken. 'Het is zo simpel om de wereld rond te reizen. Er zijn vliegvelden, taxi's, hotels, iedereen spreekt Engels. Er is nauwelijks nog avontuur.' 'Zeker als je homo bent', zegt Jim. 'Overal, in elke stad, in elk land is het homoseksuele leven identiek. Je weet altijd precies waar je moet zijn. Op een gegeven moment gaat alles dan op elkaar lijken.'

Phil: 'Je hebt toch ergens een basis nodig. Een menselijk fundament. Een plaats die je "thuis" kunt noemen.'

Ziet u wel? Dat dachten de Argentijnen ook.

Phil en Jim kochten een ruïne met een tuin vol rotte koelkasten en televisies, hebben alles afgebroken en er tien jaar geleden een zelfontworpen huis voor in de plaats gezet. Buiten bij het zwembad klinkt zacht popmuziek uit onder wijnranken verborgen speakers. Binnen is veel hout en staal. Veel naaktfoto's van vrienden en van henzelf. Er branden kaarsen. Er branden open haarden. Dit is het koninkrijk van Phil en Jim, de rest van de wereld mag buiten blijven. Ze hebben zelfs geen televisie.

Phil: 'De wereld dringt zich voortdurend op. Je hebt haast geen tijd meer voor dingen die in wezen veel belangrijker zijn. Een goed gesprek, de liefde, een dichtbundel, een boek. Wanneer kijk je elkaar nu nog echt in de ogen? E-mail is handig, maar schept afstand. Beeldschermen doen dat sowieso. Het kost moeite om rustig op de bank te zitten en te praten met je vriend over poëzië - maar het is zo veel meer verrijkend dan elektronische post.'

Jim proeft uit een glas witte Napa-wijn. Op het aanrecht een schaal met noten en granaatappels. Hij biedt Franse kaas aan en sterke koffie

'Eigenlijk kun je zeggen dat we in 1995 met pensioen zijn gegaan. We hadden hard gewerkt, we waren rijk geworden, so slow down and enjoy. We waren allebei ook positief getest op hiv. Maar uiteindelijk heeft dat ons leven alleen maar mooier gemaakt. Een leven alsof elke dag de laatste is.'

Phil kijkt vertederd. 'De plek die ik het meeste liefheb in de wereld is onze slaapkamer. Dat is een safe space. Ik hou van het bed dat Jim heeft ontworpen. Van het haardvuur en de kaarsen.'

Aan de andere kant van Amerika wonen ook Amerikanen, maar die zijn anders. Pete DeVisser bijvoorbeeld woont aan de andere kant van Amerika, in Zeeland, een stadje niet ver van Holland, Michigan, usa. Pete is vrachtwagenchauffeur en heeft zijn vlamrode Western Star '96 goed in het zicht geparkeerd bij de 'Grootste Truckstop Ter Wereld', langs de Interstate 80 in Iowa. Wat nog best een kolere-eind rijden is van Chicago, zeker nu het einde van deze krankzinnige reis in zicht komt en thuis begint te lonken. Maar goed, de truck van Pete. Dat ze maar zien hoe zijn wagen blinkt. Prijswinnaar op elke truckshow!

Twaalf jaar nu doorkruist Pete de usa, van links naar rechts, van boven naar beneden, diagonaal en dat zal hij blijven doen 'tot mijn lichaam het begeeft'. Truckrijden in Amerika is namelijk 'Geweldig', 'Groots', 'Enerverend' en 'Fascinerend', zegt Pete - om een uur later te verzuchten dat het eigenlijk een kloteleven is zonder ander uitzicht dan op het asfalt. 'Maar we houden de moed erin.'

Daarom dus dat de Amerikaanse vrachtwagens er uitzien als kerstbomen. Een glimmende truck is het enige waar de chauffeurs echt trots op kunnen zijn. Personal pride, nodig om de barre dagen achter het stuur door te komen.

'Vrachtwagenchauffeurs hebben niet zo'n goeie reputatie in de usa', zegt Pete, 'ik bedoel, ze zijn niet succesvol genoeg en hebben geen kans ooit nog een succes te worden. Zonder succes ben je niets in Amerika. Dus doen veel truckers mee aan de schoonheidswedstrijden die ze voor de wagens organiseren. Als je dan wint heb je tenminste iets gewonnen in het leven.'

Op Haïti willen ze niet eens meer winnen.

Het eerste slachtoffer dat de Amerikanen maakten toen ze Haïti binnenvielen heette Ti-Boutèy. Hij was twaalf jaar en leefde op straat. Een kogel doorboorde eerst zijn rechter onderbeen en vervolgens werd de rest van zijn lichaam vermorzeld onder een pantserwagen. Pater Atillio heeft Ti-Boutèy begraven - de Amerikanen vroegen hem nog het voorval stil te houden maar dat was eigenlijk niet nodig. Elke dag sterven er straatkinderen in Haïti, en vaak op een nog gruwelijker manier.

'De mensen hier zijn zo ongelooflijk gewelddadig', zegt Pater Atillio, 'ik vraag me al jaren af waarom. Natuurlijk is er een diep gevoel van wanhoop in dit land. Er is geen toekomst en het lijkt wel of de Haïtianen helemaal geen toekomst willen. Maar het is ook psychologie. Het geweld borrelt hier in de aderen.'

Pater Atillio is Italiaan, priester en oprichter van Lakay, een opvanghuis voor straatkinderen in Port-au-Prince. Het is een zwaarbewaakte oase, midden in de misère van de stad. Er is een schooltje, er zijn lessen in kleermaken, elektrotechniek, meubelmaken, er is een kapsalon. Vandaag ziet het er heel gezellig uit. Kinderen kijken televisie en lezen een boek. Ze lachen. Ze geven, allemaal, het bezoek heel netjes een hand.

Buiten is het anders. Bij het kerkhof snuiven Fritznel, Francin, Mackinson, Jackson, Joseph en Lionel lijm. Hun ogen staan er scheel van. De meiden van hun groep zijn ouder: veertien, zestien, en hun baby's liggen achteloos op de grond. Alsof het poppen zijn, naakt op vuile doeken. De jongens staren met grote gedrogeerde ogen. De meiden kammen hun vette haar, voor de foto, en kijken in een spiegeltje. Je kunt niet zien of hun buiken zo zijn opgezet door zwangerschap, of ondervoeding.

Achtduizend kinderen leven op straat in Port-au-Prince, berekenden onderzoekers van Unicef. Allemaal gebruiken ze drugs. Lijm, thinner, een marihuana-derivaat dat paille wordt genoemd en voor de ouderen coke en crack. Alle meisjes werken als hoer. Het merendeel is geïnfecteerd met hiv, heeft aids of geslachtsziekten. Straatkinderen bestaan hier niet. Ze hebben geen paspoort of geboorteakte. Volgens de wet zijn ze vogelvrij en mogen ze worden opgejaagd als alle landlopers. De autoriteiten zijn hun grootste vijand. Politieagenten slaan de kinderen als lastige muggen van de markt, schieten ze neer en gaan met de meisjes naar bed.

Pater Atillio pakt een schrift met namen van kinderen die zijn opvanghuis bezoeken. Er staan veel zwarte strepen in. 'Dat zijn de doden. Moet je kijken, hele pagina's. Ik schrik er zelf van.'

Een centrum ontbreekt in Port-au-Prince. Twee miljoen mensen in een grote sloppenwijk, met hier en daar een zwaarbewaakte villa. De buurt waar de meeste doden vallen heet tegenwoordig Kosovo. Het is mierenhoop van mensen tussen het vuil van de stad. Soms staat het rioolwater er een meter hoog. 'Kosovo!', lacht Pater Atillio. 'Dat hebben ze gezien op cnn. Weten zij veel dat het hier veel erger is.'

De Landcruiser strompelt door de steegjes. Op weg naar Herold en Elwin, die vannacht opeens bloedend op de stoep stonden bij Pater Atillio.

Herold had een gat in zijn buik, Elwin was in zijn gezicht gestoken bij een ruzie om een meisje. Nu liggen ze dus uitgevloerd in het opvanghuis. Het bloed is in de matrassen getrokken en begint al zwart uit te slaan.

'Ze weten hoe het werkt', zegt Pater Atillio, 'Dit is niet de eerste keer. Jongens als deze hebben een mystiek soort overlevingsdrang in hun lijf. Maar bij deze vraag ik me af of hij het haalt.'

Elwin heeft zijn ogen open. 'Nederland', fluistert hij. 'Daar zijn goede voetbalclubs!'

Dat is waar ook. Vanochtend bracht de Haïtiaanse staatstelevisie een live verslag van de voetbalwedstrijd Feyenoord-psv. In de rust was er aandacht voor tussenstanden: De Graafschap-Vitesse, 0-1, doelpunt John van den Brom.

Twee kanalen verderop vertelde de weerman van bbc World over een sneeuwstorm in Chicago en overstromingen in Vietnam. In Moskou begint het nu echt goed te vriezen!

Er kwam een fax uit Nederland, en een e-mail uit Kathmandu.

'Lijkt Haïti een beetje op de foto van de Novib-kalender?'

Elwin zegt: 'Ik heb pijn.'

Pater Atillio zegt: 'Ik kan geen kinderen helpen die klaar zijn om dood te gaan.'

Waar ter wereld, is iedereen in dit verhaal gevraagd, zou je willen wonen? Als er een keuze was? Hier, zeiden ze. Thuis. Zelfs al lagen ze bloedend op een matras in Port-au-Prince.

Wij gaan ook naar

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden