RECONSTRUCTIE

De weg van Lucas

Geestelijke gezondheidszorg zet ouders buitenspel

Als een kind van 18 in de geestelijke gezondheidszorg terechtkomt, sta je als ouders buitenspel. Het overkwam de ouders van Lucas Woudstra. 'Ik kan u geen informatie verstrekken. Uw zoon is volwassen.'

Foto Privé

Het is 17 december 2013, half negen in de ochtend, als Frits Marnix Woudstra wakker wordt.

'Frits', roept zijn vrouw. 'Lucas is weg.'

Ze zegt het niet eens zo hard. Maar er is iets in haar stem dat hem alarmeert. Hij is er niet. Lucas, hun zoon. Een 24-jarige, veelbelovende psychologiestudent aan de Universiteit van Amsterdam. In een opwelling trekt zijn vrouw de buitendeur open. Misschien is hij daar. Het regent.

Aarzelend loopt Frits Woudstra naar de kamer van zijn zoon. Het bed ligt er keurig bij. Het is opgemaakt - iets wat Lucas zelden doet.

'We moeten rustig blijven', zegt Frits. 'Nadenken.'

In zijn hoofd lijkt het of alles vertraagt. Dan ziet hij dat de laptop van zijn zoon aanstaat. 'Hij was de laatste dagen aan het schrijven', realiseert hij zich ineens. Zijn oog valt op het stuk dat open staat. Vier pagina's, geschreven door Lucas. 'Lieve vrienden en familie', zo begint het. 'Ten eerste, dit was een weloverwogen keuze.'

Even is het stil. 'Dit is een afscheidsbrief', zegt Frits, terwijl hij zich op het bed laat zakken.

'Maar we weten nog niks', werpt zijn vrouw Anouk tegen. 'We weten alleen dat hij hier weg is. Misschien kunnen we hem nog tegenhouden.'

Ze kijkt hem aan. 'Wat er ook gebeurt', zegt ze, 'we mogen elkaar nooit iets verwijten.'

Even later gaat Frits op weg naar de politie, terwijl zijn vrouw gaat zoeken. Meteen als hij bij de politie is, komt er een telefoontje binnen dat er iets is gebeurd. 'Er zijn drie meldingen van zelfmoord met de trein', zegt de agent. 'Twee bij Haarlem en een in Diemen.'

'Weet je al wie het zijn?', vraagt Frits ongerust. 'Moet ik wachten?'

'Nee', zegt de agent. 'We bellen u als het nodig is.'

Frits Woudstra en Anouk Overbeek zitten aan hun keukentafel in Amsterdam-Oost. Hij is beeldend kunstenaar en werkt voor bladen en kranten. Zij werkt in het onderwijs. Intelligente, zachtaardige mensen. Geen types die een zondebok zoeken als er iets mis gaat.

Ze vertellen het angstaanjagende verhaal van de weg die hun zoon Lucas heeft afgelegd. Ze willen laten zien welke fouten de geestelijke gezondheidszorg maakt met jongens zoals hij. Jongens die nog maar net volwassen zijn - want daar zit het probleem: ouders staan dan vaak buitenspel.

Amsterdam, een jaar eerder.

Lucas, hun zoon van 23, is al vier jaar in behandeling bij een psycholoog. Zijn ouders hebben een liefdevolle band met hem. Maar al vier jaar hebben ze geen idee wat er precies aan de hand is: Lucas is een zachtaardige, gesloten jongen. Iemand die liever te weinig zegt dan te veel.

'Ik vroeg hem wel eens op basis van welke diagnose hij die therapie nou precies had', zegt Anouk. 'Dan zei hij dat hij een neiging had tot depressiviteit. Meer wilde hij daar niet over zeggen.'

Frits: 'Hij was zo gesloten als een oester.'

Eén keer bellen ze zijn psycholoog. 'Het gaat niet goed met Lucas', zegt Anouk bijna huilend tegen de man. 'Wat gebeurt er nou eigenlijk bij jou?' Maar de psycholoog houdt de boot resoluut af. 'Dit moet via Lucas gaan', zegt hij. 'Hij is volwassen. We hebben een vertrouwensband en die beschadig ik als ik dingen achter zijn rug met u ga bespreken.'

Als klein kind valt Lucas op vanwege zijn intelligentie. Op meerdere vlakken is hij hoogbegaafd: taal, rekenen. Als jongetje van 5 leert hij zichzelf lezen met een oud schoolboekje. Als hij op een avond niet kan slapen, stelt zijn moeder hem voor om tot honderd te tellen. 'Maar mama', zegt hij dan. 'Ik heb al tot duizend geteld - zo: 10, 20, 30 - dat is toch hetzelfde?'

Zelf doet hij er alles aan om niet op te vallen. 'Lucas', zegt zijn moeder, 'probeerde altijd net zoals de anderen te zijn.'

Op het gymnasium lijkt hij op zijn plek. Hij haalt hoge cijfers en is enthousiast bezig met sport. Samen met een groep goede vrienden doet hij aan tricks, een spectaculaire vechtsport met salto's, sprongen en schroeven.

Foto Privé

Pas achteraf horen ze dat hij in die tijd op school wordt gepest. Maar Lucas zegt niets. 'Thuis ging hij urenlang gamen', zegt Frits. 'Hij sloot zich af.'

'Het enige dat we merkten, is dat hij nooit wat over school vertelde', zegt Anouk. 'Ik vroeg vaak hoe het was geweest. En dan zei hij: ja, kom op, ik heb net vijf uur op school gezeten, ik heb nu geen zin om daarover te praten. Dat respecteerde ik dan maar.'

Na het gymnasium gaat hij psychologie studeren aan de VU. Moeiteloos loopt hij door de stof: naast zijn bachelor mag hij zelfs het honours programme volgen. Maar eenmaal op kamers gaat het niet goed.

'Hij voelde zich geïsoleerd', zegt Anouk. 'Ineens had hij het idee dat hij al die tijd te veel op ons had geleund. Daarom besloot hij afstand van ons te nemen. Hij wilde bewijzen dat hij het alleen kon, zonder ons. Hij móést het leren. Er kwam een enorme kracht in hem naar boven. Hij ging boksen, kocht een piano, maakte vrienden, werd lid van een studentenvereniging, ging in groepstherapie, nam een tussenjaar.'

Toch loopt hij uiteindelijk weer vast. Hij twijfelt veel, is kritisch over zichzelf, trekt zich terug.

Na lang aandringen lukt het zijn ouders om één gesprek te krijgen met de psycholoog. 'Maar het liep stroef', zegt Frits. 'De psycholoog keek voortdurend naar Lucas om te checken wat er wel of niet kon worden gezegd. Hij beschermde hem. Ik voelde me buitengesloten. Het was totaal niet duidelijk wat er met hem was.'

Anouk: 'We zaten daar vanuit bezorgdheid over onze zoon. Maar voor onze bezorgheid was geen plek. Wij moesten ons heil maar elders zoeken. Ik dacht: hoe lang moet ik op de kant blijven staan bij iemand die in het water spartelt en moeite heeft om boven te blijven? Maar het lastige was: je kind is eigenlijk op een leeftijd dat je hem los moet laten. Dat werd me links en rechts verteld. Mensen zeiden: je bent te veel met hem bezig, je zit er veel te veel bovenop. Daardoor kreeg ik het idee dat ik me koest moest houden.'

Woedeaanvallen

In de zomer van 2013 stopt Lucas met de psycholoog. Hij gaat op zoek naar andere hulp.

Maar dan maakt hij kennis met de traagheid van de geestelijke gezondheidszorg. De stroperigheid.

'Hij ging van behandelaar naar behandelaar', zegt Frits. 'Steeds moest hij opnieuw zijn verhaal doen. Mensen waren voortdurend op vakantie, of onbereikbaar. Mails werden vaak niet beantwoord. Behandelaars informeerden elkaar nauwelijks, iedereen werkte langs elkaar heen. En overal kreeg hij ellenlange vragenlijsten die hij moest invullen. Elke keer moest hij weer van voren af aan beginnen.'

Anouk: 'Alle hulpverleners hielden zich angstvallig aan de regels en de protocollen, maar daardoor werd het systeem log. Onmenselijk. Maanden later was Lucas nog altijd op weg naar een behandeling. Door die vertraging raakte hij uitgeput.'

Hij krijgt last van woedeaanvallen. 'Ondanks al die inspanningen lukte het hem maar niet om zijn draai te vinden in het leven', zegt Frits. 'Dat frustreerde hem enorm. Lucas was een zachte, verlegen jongen. Een jongen die moeite had om ruimte in te nemen. Maar nu was ik soms bang voor hem. Er sneuvelde ook wel eens wat in huis. Achteraf schaamde hij zich dan. Anouk zei vaak: wees blij, hij úít zich tenminste.'

Hoewel ze weten dat ze weinig invloed hebben, besluiten ze naar zijn huisarts te gaan. Tijdens een lang gesprek smeken ze de huisarts om Lucas naar de psychiater te sturen.

Maar als Anouk later informeert of het is gelukt, vangt ze bot. 'Ik kan u geen informatie verstrekken', zegt de huisarts koel. 'Uw zoon is volwassen, ik heb een vertrouwensband met hem.'

'Hoe vaak we die zinnen niet hebben gehoord', zegt Anouk.

Foto Privé

Artsen, psychiaters en psychologen mogen de familie van een volwassen patiënt alleen inlichten over wat er gebeurt als die patiënt daar zelf toestemming voor geeft. Maar dat gebeurt vaak niet: juist door de problemen is de relatie tussen ouders en kinderen nogal eens verstoord geraakt. Daar komt nog bij dat jongvolwassenen bezig zijn zich los te maken van hun ouders.

Als de psychiater op zo'n moment dan weinig moeite doet, geven jongvolwassen patiënten vaak geen toestemming. Het gevolg: ouders weten nauwelijks wat er gebeurt. Bij families van ggz-patiënten leidt dat tot grote frustratie.

'Kijk', zegt Anouk, 'als een kind 16 is en hij gaat de hulpverlening in, dan ben je er als ouder vanzelfsprekend bij. Maar op het moment dat een kind 18 wordt, dan ben je er vanzelfsprekend níét meer bij. Op dat moment wordt de familie systematisch buitengesloten. Maar een kind van 18, dat is gewoon nog een kind. 18 is een absurde grens.'

Op een middag in november gebeurt er iets vreemds. Als Frits en Anouk thuiskomen na een korte vakantie, merken ze dat Lucas zich heeft verschanst in de badkamer. De deur is op slot. 'We dachten dat hij ging douchen', zegt Frits. 'Maar hij bleef daar maar.' Anouk loopt naar de badkamerdeur. 'Ik moet even weten hoe het met je gaat, Lucas', zegt ze naar de andere kant van de deur. 'Ik wil je even zien, al is het maar één minuut.'

'Je probeert weer invloed op me te hebben', roept Lucas.

'Maar heb je nu eindelijk goede hulp?', vraagt Anouk. 'Heb je medicijnen?'

Stilte.

Dan hoort ze allerlei geluiden. 'Waar bemoei je je mee?', zegt Lucas. 'Ik heb alle hulp die nodig is. Dit kan niet, jullie moeten weg.' In paniek begint hij om zich heen te slaan.

Zijn ouders trekken zich terug: ze denken dat het beter is om hem met rust te laten. Pas als zijn vader na een uur terugkomt, is hij tot bedaren gekomen. Lucas staat in zijn kamer en kijkt verdwaasd. Zijn vader brengt hem thee en ruimt wat op. Lucas zegt niet veel maar volgt hem overal waar hij gaat - in de keuken, de kamer, de gang. 'Mijn aanwezigheid leek hem rustig te maken', zegt Frits.

'Door deze gebeurtenis gingen al onze alarmbellen af. De volgende dag zijn we opnieuw naar de huisarts gegaan. Haar vervanger, die wat spraakzamer was, vertelde ons toen dat de crisisdienst al een paar keer bij Lucas langs was geweest. Verbaasd hoorden we het aan. Het was de eerste keer dat we over de crisisdienst hoorden.'

Het contact met Lucas verloopt moeilijk op dat moment. Telefoongesprekken leveren niet veel op. 'Als ik belde, volgden er vaak lange stiltes. Hij huilde soms zacht en produceerde korte flarden onsamenhangende tekst', zegt Frits.

Nog altijd weten ze weinig van de toestand van hun zoon.

Crisisopvang

Dan komt er in november 2013 ineens een telefoontje van het Nederlands Psychoanalytisch Instituut.

'Wie bent u?', zegt Frits verbaasd. 'Ik begrijp er niets van.'

'Uw zoon is bij mij onder behandeling', zegt een vrouwelijke psychiater. 'Maar hij komt al een tijd niet op zijn afspraken. Ik wil de crisisdienst er nu op afsturen, kunt u daar zo bij zijn?'

'Ik was stupéfait', zegt Frits, die voor het eerst van haar hoort. Als een bezetene fietst hij naar de kamer van zijn zoon, die verward opendoet. 'Hij was boos en wilde me niet binnen laten. Diezelfde avond bied hij zijn excuses per e-mail aan; hij voelde zich overvallen door de crisisdienst. Maar wat er aan de hand was, snapten we nog altijd niet.'

Het telefoontje van de crisisopvang komt niet veel later. Het is Lucas.

Hulpverleners hebben hem de dag ervoor na een telefoontje van een vriend gevonden, uit zijn huis gehaald, met een ambulance afgevoerd en in een isoleercel gezet.

'Papa, haal je me alsjeblieft op?', vraagt hij. Als zijn vader de kliniek binnenkomt vliegt Lucas hem om de hals. 'Ik wil weg', zegt hij zacht. Hij praat over een beul, een dikke psychiater die hem plat wil spuiten. Hij bibbert vreselijk.

'Hij was de weg kwijt', zegt Frits. 'Maar ergens dacht ik toen nog steeds dat hij over een paar weken wel weer kon gaan studeren. Ik dacht dat hij gewoon overspannen was. Die avond heb ik hem voor het eerst lorazepam gegeven, een angstremmer.'

Vanaf dat moment woont Lucas weer thuis, bij zijn ouders.

Foto Privé

'Ik was de enige die contact met hem kon maken', zegt Frits. 'Ik was veel in zijn buurt. Niemand kon me aflossen. Soms kwam er een vriend van hem langs. Ik zat vaak gewoon bij hem in zijn kamertje en zei niet zo veel. Dat vond hij fijn. 's Avonds ging ik wel naar boven om te slapen, maar ik verkeerde altijd in sluimertoestand.'

Nog altijd heeft niemand hen ingelicht over wat er aan de hand is. Ze vragen er ook niet expliciet meer naar: ze worden opgeslokt door de verzorging van hun zoon. Uit alle macht proberen ze zijn stemming weer goed te krijgen.

Eens in de week komt de crisisdienst. 'Maar ze hadden elke keer iemand anders bij zich', zegt Frits. 'Een psycholoog, een psychiater. Het was een woud aan hulpverleners. Lucas was panisch voor de crisisdienst. Hij was als de dood dat hij weer in de isoleercel zou komen. Die ervaring had een onuitwisbare indruk in zijn hersenen gekerfd.'

'Het stomme was: ik zorgde altijd dat hij er goed uitzag als ze kwamen. Dan was hij geschoren, gedoucht, in de kleren. En dan zeiden ze: goh, het gaat best goed hè? We kregen een complimentje, ze lieten wat pillen achter en dan vertrokken ze weer.'

Anouk: 'De crisisdienst vond het prachtig dat wij die plek boden. Maar we waren natuurlijk liefdevolle leken die er geen bal verstand van hadden hoe het is om psychotisch te zijn, of wat dan ook. Niemand van hen zei tegen Frits op welke signalen hij alert moest zijn, of hoe hij het beste kon reageren. Niemand van hen lette erop hoe het met Frits ging. De crisisdienst kijkt alleen naar de cliënt, niet naar de mensen daar omheen.'

'Als ik ook maar één handreiking had gehad', zegt Frits, 'dan had ik adequater kunnen reageren. Ik verpleegde Lucas met doodsangst. Ik had het gevoel dat ik klem zat. Ik wist niet wat het betekende om psychotisch te zijn. Eigenlijk kon ik alleen maar naast hem zitten en hem pilletjes geven. Ik wist totaal niet hoe ik moest handelen als hij 's avonds laat ineens enorme angsten kreeg.'

Op de avond van 14 december zegt Lucas: 'Pap, ik moet iets met je bespreken, maar je moet zweren dat je het geheim houdt.' Dat doet zijn vader.

'Ik wil ermee kappen', zegt Lucas.

'Waarmee?', vraagt zijn vader. 'Met het leven?'

'Ja', zegt zijn zoon. 'Ja.'

Zijn vader schrikt. Toch blijft hij rustig als Lucas hem vraagt of hij hem wil helpen met medicijnen. 'Pap, ja of nee?', vraagt hij.

De verdwijning, door Frits M. Woudstra

Dit verhaal begint met een bijzondere zin, die in een politierapport niet zou misstaan: 'Op 17 december 2013, 6 uur 55 pint Lucas Casimir Woudstra 50 euro uit een automaat, gelegen nabij station Diemen.' Het is nog donker en het regent zachtjes. 95 minuten later ziet de bestuurder van een intercitytrein een jongeman op het spoor staan. De trein rijdt waarschijnlijk meer dan 100 km per uur en Lucas wordt verslonden door de stompe neus van de intercity en honderden meters verderop in stukjes teruggevonden.
Ik ben zijn vader en zit op het bed van mijn overleden zoon deze regels te schrijven. Als ik mij voorover buig om mijn laptop te beroeren zou ik hem kunnen zijn: zo zat hij hier ook, de laatste weken van zijn 24- jarige leven, bezig zijn lange afscheidsbrief te schrijven, zo blijkt nu.
Eergisteren viel er een groenige envelop van de ING-bank bij ons in de bus met daarin zijn laatste afschriften, ik opende haar ongeveer een maand na de fatale zelfmoord en zag toen de afboeking van 6.55 uur, de laatste pinactie van mijn zoon.
Het lijkt welhaast een bericht uit het hiernamaals, een volslagen bizarre groet van hem. Deze afboeking nestelde zich de rest van die dag in mijn verdrietige brein.
Waarom 50 euro opnemen als je even later onder de trein vermorzeld gaat worden?
Ik zie hem voor me: een warrige, in zich zelf gekeerde jongen, lang en mager, gekleed in een bruin jack en blauwe spijkerbroek. Onzekere tred ook. Aan de ene kant vastbesloten om een einde aan zijn leven te maken, maar ook aan grote twijfels onderhevig. Lucas is en was een enorme twijfelaar aan alles, dus ook aan zichzelf. Kleine dingen brengen hem in verwarring, worden denkstof.
Hij was 's ochtends heel vroeg uit zijn ouderlijk huis geslopen, de deur behoedzaam met een zachte klik in het slot laten glijden - voor de laatste keer had zijn fraaie lange hand de deurklink beroerd - zodat zijn ouders niets zouden horen en voetje voor voetje de trap afgelopen. Eenmaal op de galerij zag hij hoe donker het buiten nog was.
De straten van Amsterdam blijken op dit vroege tijdstip verlaten en een eenzame bus brengt hem naar station Muiderpoort, het station dat in de buurt van het atelier van zijn vader en moeder ligt, daar waar hij ter wereld kwam.
Van hieruit neemt mijn zoon waarschijnlijk een ochtendstoptrein naar Diemen-centraal. Hij arriveert daar rond half 7, stapt uit, loopt rond, pint geld en zoekt naar geschikte plekken langs het spoor. Hij dwarrelt het station af, de plek moet uit het zicht van mensen zijn. Hij wil absoluut geruisloos verdwijnen, geen enkele overlast veroorzaken. Weinig ruimte innnemend, het zou zijn grafopschrift kunnen worden.
Hoe kun je iemand, die denkt dat hij er niet mag zijn, zich overtollig voelt op deze wereld, het idee geven dat hij welkom is, dat er van hem wordt gehouden?

Een existentialistisch vraagstuk.
Zo swingend en zelfverzekerd als zijn zus Flora zich ontwikkelde, zo solitair en immer twijfelend was Lucas op het einde van zijn leven. Alsof hij constant zichzelf beschouwde, analyseerde en daardoor iedere levensbeweging die zou komen in de beginfase daarvan afkapte. (Door die twijfel.)
Het is natuurlijk vaderlijk gokwerk, maar gesteund door zijn afscheidsbrief en mijn inlevingsvermogen zou het maar zo waar kunnen zijn.

Dit is een fragment uit het boek 'Blijvend ontgoocheld' door Frits M. Woudstra, de vader van Lucas, te lezen en bestellen via levennalucas.blogspot.nl

'Nee', zegt Frits. 'Ik ben je vader, dat kan ik toch niet.' Vanaf dat moment praat zijn zoon er niet meer over. Hun contact blijft goed, maar Lucas trekt zich steeds meer terug. Hij praat nauwelijks meer.

'Pap, jij ziet het goed hoor', zegt hij soms.

'We waren natuurlijk een stel nitwits. We waren volledig op Lucas gericht, niet op onszelf. Eigenlijk hadden we een spoedcursus psychiatrie nodig. Ik wist van niks, behalve dat ik mijn zoon weer op de rit wilde hebben.'

Misschien, zegt Frits, heb ik zo belangrijke signalen gemist.

Wel neemt hij contact op met het AMC, waar Lucas in behandeling zou kunnen komen. In een mail vertelt hij wat zijn zoon heeft gezegd, al doet hij dat niet expliciet omdat hij zijn belofte aan Lucas niet wil schenden. Hij is bang dat hun broze contact dan verschrompelt. Maar het is weekend en hij krijgt geen reactie van het AMC. 'Wel was het AMC de eerste die zei dat de ouders er gewoon bij hoorden, dat wij erbij betrokken zouden worden. Maar Lucas is er nauwelijks geweest.'

Dan, op 16 december, staat Lucas ineens in de huiskamer. Hij kijkt zijn ouders aan alsof hij iets wil zeggen. Maar hij zwijgt. BAM. Hard slaat hij met zijn hand tegen de deur. 'Rustig aan', zegt zijn vader. 'Je gaat geen scène maken hè?'

'Laat hem maar even', zegt zijn moeder.

'Maar het ís geen scène', stamelt Lucas, terwijl hij naar de gang loopt. 'Het is geen scène.'

Hij komt adem tekort en is benauwd en misselijk. Zijn vader neemt hem mee naar het balkon. Even raakt hij hem aan. 'Probeer maar diep te ademen', zegt hij zo rustig mogelijk.

Even later moet de hond worden uitgelaten. 'Pap, alsjeblieft, blijf hier', zegt Lucas. Zijn vader belooft zo snel mogelijk weer thuis te zijn.

Maar als hij terugkomt, ligt Lucas al in bed. Het is elf uur 's avonds, een tijd waarop hij normaal nog op is. Zijn vader doet het licht uit, dekt zijn zoon toe en gaat zelf naar bed - doodmoe. Gesloopt. Even vraagt hij zich af of Lucas zijn kleren nog aan had onder de dekens, maar die gedachte schudt hij van zich af.

Pas later zal hij zich realiseren dat Lucas die avond afscheid van hen heeft genomen.

De volgende morgen, vroeg in de ochtend, sluipt Lucas Woudstra zijn ouderlijk huis uit, op zijn witte Nikes. Het is nog donker. Zijn vader, die voor het eerst in weken diep slaapt, hoort de klik van de deur niet. Om vijf voor zeven in de ochtend pint Lucas 50 euro uit een automaat vlakbij station Diemen. Wat hij daarmee doet, weet niemand. Hij dwaalt rond, loopt het station uit, langs de rails. In zijn zak zitten zijn paspoort, zijn pasje en zijn sleutels.

Misschien heeft hij zich verstopt. Gewacht. Gekeken hoe de treinen langsreden. 95 minuten later wordt Lucas meegesleurd door een razende intercitytrein. Honderden meters verderop wordt hij teruggevonden.

Op bijna hetzelfde moment slaat zijn vader de deken open van zijn opgemaakte bed. Daar ligt een briefje. 'Het is al klaar', staat er.

'Ik ben de afgelopen periode alles aan mezelf kwijtgeraakt, elke draad van m'n leven, wie ik ben zeg maar', schrijft Lucas in zijn laatste brief. 'Iets kan zo hard wegspiralen dat dat echt niet meer terug te draaien, of op te lossen valt. Ik snap hoe mijn staat is opgebouwd, en hij komt dus op veel manieren overeen met een psychose. Ik zie daardoor ook hoe het zal zijn. Het is een gevecht dat niet gewonnen zal worden. Op deze manier stellen we het alleen uit, met veel pijn voor iedere betrokkene. Ik zie geen echte toekomst zo. Ik kan niet verder bouwen op hoe ik was.'

'Ik vind het wel bizar hoe traag dingen geregeld worden', schrijft hij over de hulpverlening. 'De afgelopen dagen zijn jullie ontzettend goed voor me geweest, papa en mama. Ik wil uiteraard het beste voor jullie. Ik wil dat jullie goed van deze zorgperiode herstellen en goed gezond zijn. Ik hoop dat iedereen het goed zal maken.'

Het AMC, het NPI, de crisisdienst en de psycholoog zeggen vanwege privacyredenen niet te kunnen reageren. Arkin, de organisatie verantwoordelijk voor het NPI en de crisisdienst, wil in gesprek met de ouders. De organisatie zegt de samenwerking met familie bij een behandeling belangrijk te vinden, en kan zich voorstellen dat ouders soms het gevoel hebben dat ze er onvoldoende bij worden betrokken. 'Dat spijt ons zeer', aldus Arkin.

Foto Privé
Meer over