De vrolijke jaren vijftig BOMANS TOONT ZICH IN VOLKSKRANT-STUKKEN REPRESENTANT VAN ZIJN TIJD

HET ZOU voor de zekerheid nog eens nageturfd moeten worden in uitgeversrepertoria, maar eigenlijk weet ik het ook nu al wel: er is in deze eeuw geen decennium geweest waarin zo ontzaglijk veel getekende en geschreven humor is gepubliceerd als in de periode tussen 1950 en 1960....

Het waren de hoogtijjaren van The New Yorker, van Punch en van Le Rire, die als gespecialiseerde periodieken hun lezers onderhielden met alle denkbare varianten van het komische genre, van klucht tot parodie, van geestige fictie tot ironische reportage, van hekeldicht tot nonsensrijm.

Onvoorstelbaar groot was daarbij de productie van cartoonisten, wier tekeningen vaak bij drie of vier tegelijk in die tijdschriften verschenen: Amerikanen als Cobean, Chass Adams, James Thurber of Saul Steinberg, Engelsen als Ronald Searle en David Langdon, Fransen als Chaval, Mose en Bosc. Hun roem bleef niet beperkt tot de 'vak'-kring. Al snel doken ze ook op in gewone weekbladen als Esquire, de Saturday Evening Post of Paris Match, en vandaar vonden ze even snel hun weg naar de dagbladjournalistiek, waar men zich bovendien steeds meer begon te verzekeren van eigen schrijvende hofnarren. Iemand als de nog altijd krasse Art Buchwald was al vroeg in de jaren vijftig van Boston tot San Francisco populair om z'n kolderieke columns, die we hier toen nog 'cursiefjes' noemden.

Nederland bleef geenszins achter. Geen voor- of najaarsaanbieding of er was ampel keus uit tientallen veelal olijk geïllustreerde grapboekjes, droedels, larieverzen, moppenbundels, jolige bloemlezingen of verzamelingen van uit het leven gegrepen taal- en stijlfouten.

In Het Parool - dankzij figuren als Annie Schmidt, Simon Carmiggelt, Evert Werkman en Willem Wittkamp toch al een krant met een hoog wisecrack-gehalte - werd jarenlang op een vaste plek op pagina 3 een cartoon afgedrukt. Aanvankelijk vooral van de gerenommeerde buitenlanders, maar hun voorbeeld moet aanstekelijk hebben gewerkt, want allengs vestigde zich een vast gezelschap tekenaars van eigen bodem: Lex Metz, Catrinus, Bob van den Born, Wim van Wieringen.

Elders had je de legendarische diergedichten van Kees Stip, de onzin-limericks van John O'Mill of de komieke geschiedenislessen van 'Roekoe', die onder zijn ware naam (A. Duif) een humoristisch tijdschriftje redigeerde dat MalleNmolen heette, en waarin de humor werd aangeprezen als 'een zijtak der letteren'.

Dwars door de scheiding der politieke geesten heen bestond op het vlak van de humor nauwe verwantschap tussen de actieve 'Parool-groep' en een aantal redacteuren van Elseviers Weekblad (Elias, Michel van der Plas, Frits van der Molen), die er evenveel schik in hadden als de samenstellers van de vermaarde 'Kleine Krant' van De Groene Amsterdammer. Hun gezamenlijk ideaal was de totstandkoming van een Nederlandse New Yorker, die er ten slotte onder de naam Mandril ook is gekomen, maar die het niet langer dan een paar jaargangen heeft uitgehouden - alsof de fut er net af was toen het blad van de grond was geholpen, alsof de tijden toen net gingen kenteren.

Hoe moet de explosie van lachlust uit die jaren verklaard worden?

Ze lijkt niet te sporen met het gangbare, overwegend deprimerende beeld van een periode die internationaal werd beschaduwd door Koude Oorlog en wapenwedloop, en nationaal door betrekkelijke armoede, structurele woningnood en een rooms-rood herenregime over een gedweeë samenleving.

Of was het juist daarom? Heeft men toen in een vrolijker wereld willen vluchten, zoals mensen in de hongerwinter mekaar lekker hadden gemaakt met verzonnen recepten en oude kookboekplaatjes? Of was er misschien sprake van een algemeen onbehagen, en kan de lach een vorm van protest zijn geweest?

Die laatste veronderstelling wordt op geen enkele manier bevestigd door de aard van de zo rijkelijk aangeleverde grappenmakerij. Die vertoont geen spoor van onvrede, eigenlijk integendeel. Van wat we later 'engagement' zouden gaan noemen, was in al die humoristische teksten en tekeningen zelden of nooit sprake; niet op het eerste, maar ook niet op het tweede gezicht. Geen van de hierboven genoemde cartoonisten heeft zich bij mijn weten ooit bezondigd aan politieke prenten, zomin als de grappende schrijvers zich in die tijd ooit hebben beziggehouden met iets dat in de buurt kwam van 'maatschappijkritiek'.

Hun inspiratiebron was, deftig gezegd, het menselijk tekort. In sociaal of politiek opzicht waren hun scheppingen volstrekt tijdloos, en de satire als strijd-middel kwam in hun woordenboek niet voor. Fundamenteel ongenoegen over de wijze waarop de samenleving was ingericht en werd bestuurd, was nergens aan de orde - tenzij in De Waarheid van de CPN; maar daar werd ook nooit gelachen.

Iedereen, zo lijkt het achteraf, maakte zich vrolijk, niemand maakte zich boos. Daarom kon je onbekommerd lachen om de humor van die dagen; er stak geen kwaad in.

0 N DIE ZIN mag Godfried Bomans nog altijd gezien en gelezen worden als de zuiverste en veelzijdigste representant van zijn tijd. Door de trefzekerheid van zijn woordkeuze, door z'n ongeëvenaard stijlgevoel en door het talent waarmee hij in kort bestek een redenering niet alleen kon opbouwen, maar met een verrassende tournure ook weer wist af te breken, was hij de meeste van zijn vakbroeders met gemak de baas.

De techniek van de uitvergroting beheerste hij met dezelfde vanzelfsprekendheid als het kunstje van de kleinmaking. Er zat altijd retorica in zijn betoogtrant - een eigenschap die hem zeer te pas kwam als spreker en later als televisiefiguur. En hij had daarbij een Angelsaksisch soort hang naar het absurde, die verder in Nederland niet erg ontwikkeld was. Als columnist van de Volkskrant - hij schreef overigens met regelmaat ook voor Elsevier - stond hij onbetwist op eenzame hoogte.

Hij was ook een van de weinige schrijvers om wie ik als lezer ooit hardop heb moeten lachen. Dat moet in 1952 of 1953 zijn geweest, bij een verhaal over een ontmoeting met Sinterklaas, die hij typeerde als een gemoedelijke oude man.

'Kom, ga zitten, zeg, sprak de grijsaard. Wil je 'n stuk zeep?

Hij gaf me 'n flink stuk. Ik begreep direct dat het marsepein was en beet erin. Het was zeep.'

Tegenwoordig zullen alleen columnisten van de mindere rang zich nog weleens aan Sinterklaas durven vergrijpen. Bomans heeft er nooit genoeg van gekregen. In het vierde deel van zijn Werken - behelzende de stukken die hij tussen 1945 en 1969 aan de Volkskrant heeft bijgedragen - heb ik twaalf columns over de goedheilig man geteld, en we mogen aannemen dat er nog eens even zoveel in de selectie zijn gesneuveld. Waarschijnlijk heeft hij jaar in jaar uit en vrijwel tot z'n laatste levensjaar op 5 december een nieuwe variatie op het oude thema uit zijn duim gezogen.

Dan dreigt een mens het lachen te vergaan.

Hij had meer stokpaardjes: Dickens, Goethe, het rijke roomse leven, de sport (het portret van Arie Rekelbast uit 1949 is nog altijd een klassieke pastiche van het voetbalproza door de eeuwen heen), de verenigingsfolklore, de stad Rome. Ook bij die onderwerpen werkte de veelvuldige herhaling zelden als een verrijking - afgezien van het stilistisch vernuft waarmee hij kans zag dezelfde boodschap in telkens weer andere, nieuwe bewoordingen op papier te krijgen.

Er was nog een andere ambitie. Weliswaar lag z'n grote kracht op het terrein dat hij zelf omschreef als dat van de 'buitelingen', de 'capriolen', de 'satyren' of eenvoudig de 'onzin', maar al in het voorwoordje tot z'n eerste bundel noemde hij z'n stukjes zonder ironie 'verzamelde essays', en zei hij ernaar te streven 'de beide elementen des levens: ernst en humor, met elkaar in evenwicht te brengen'. Tot op zekere hoogte slaagde hij daar ook in. Hij kon met zijn voorliefde voor 'petite histoire' buitengewoon smakelijk anekdotes navertellen over Piet Paaltjens, Hildebrand of Hans Christian Andersen, en over hun werk denkbeelden ontvouwen die eerdere lezers daarvoor al eens (maar lang niet zo smakelijk) hadden opgeschreven - maar daar bleef het bij. Meer zat er niet in, en 'essays' zijn het nooit geworden.

Misschien heeft hem dat gefrustreerd - hij kan zich zowel een gesjeesde literator als een gesjeesde (rechten)student hebben gevoeld. Maar in z'n bloeitijd heeft hij zich daar met achteloze bravoure doorheen gegrapt, tot vreugde van een groeiende lezersschare die aan zijn humor verslingerd raakte, en zijn ernst (die altijd nog humoristisch genoeg was) graag op de koop toe nam; ook als hij in de klas de moeilijke Goethe behandelde, bleef hij de leukste leraar van de school.

0ascineert aan die bloeiperiode - de jaren vijftig dus - is de schijnbare aanwezigheid van twee maatschappelijke werkelijkheden. In het verzuilde Nederland trokken de politieke commentatoren van het progressieve Parool, de rooms-katholieke Volkskrant of het rechtse Elsevier regelmatig hun strenge sociaal-culturele scheidslijnen, maar twee bladzijden verderop (en soms op dezelfde bladzij) maakten Carmiggelt, Elias en Bomans de indruk deel uit te maken van een en dezelfde vrolijke familie die boven of buiten de verschillende denominaties stond: alsof ze lid waren van een algemeen aanvaarde humoristische oecumene waarbinnen geen verschil werd erkend tussen Drees, Romme en Oud.

In die veilige beslotenheid kon de katholiek Bomans de draak steken met al te bigotte roomsigheid, kon hij Wim Sonnevelds succesnummer Frater Venantius verdedigen tegen kwezels die er schande van spraken, en kon hij zich (voorzichtige) grappen permitteren over het bisschoppelijk Mandement of zelfs over de paus. En uit die veilige beslotenheid raakte Bomans in de loop van de jaren zestig langzaam maar zeker verdreven.

Ik herinner me dat ik, die nota bene een keer hardop om zijn grappen had moeten lachen, voor Zo is het toevallig ook nog 's een keer teksten heb geschreven tegen zijn columns, en meer speciaal tegen de altijd afzijdige, vrijblijvende en 'veilige' toon van wat hij schreef. Dat satirische televisieprogramma was tussen 1963 en 1966 niet de veroorzaker van de ommekeer, maar het was wel een graadmeter: de dagen van de vredige oecumene waren geteld, die van de polarisatie waren begonnen - en de onderlinge verkettering nam een volume aan waarvan men ten tijde van de stille verzuildheid niet had durven dromen.

Bomans schreef in zowel de Volkskrant als Elsevier, en dat waren verklaarde bolwerken tegen de vernieuwing, dus verklaarde vijanden van Zo is het. Ik geloof niet dat hij ooit iets over of tegen het programma heeft geschreven, noch ook dat hij zich ooit expliciet als een 'conservatief' heeft laten kennen - het begrip zal hem vermoedelijk geheel vreemd zijn geweest. Maar hij bevond zich in het verkeerde kamp.

In 1962 spotte hij, zonder precies partij te kiezen, over een toen nogal luidruchtig gevoerde schrijversactie, en het onmiddellijke antwoord kwam van Gerard Kornelis van het Reve, die (in Op weg naar het einde) over 'het geinponem G.B.' schreef: 'Ik heb in zijn geslachtsloze schrijfsels nog nooit één zin ontdekt die niet, van de hoofdletter aan het begin tot en met de punt aan het eind, gelogen en vals was. Zo, dat ben ik kwijt, het moest er een keer uit. Professor W. heeft me verzekerd dat het heel goed is, en dat ik ermee voorkom dat ik voortijdig te hoge bloeddruk krijg. ('De dokter staat achter me', zoals negen jaar geleden een getrouwde homosexueel mij verzekerde.)'

Dat was humor van een andere orde dan die waarmee Bomans beroemd was geworden, en Bomans moet er allengs van in de war zijn geraakt, moet z'n oriëntatie in deze nieuwe, ongoedmoedige wereld zijn gaan wantrouwen.

Je ziet het zich voltrekken in de tweede helft van de gebundelde Volkskrant-stukken. De bravoure en de vanzelfsprekendheid verdwijnen. Hij geeft steeds vaker toe aan de behoefte de steeds lastiger werkelijkheid toch nog zo'n beetje te 'verklaren', en vervalt in (nog altijd prachtig onder woorden gebrachte) gemeenplaatsen en gepsychologiseer van de koude grond. De ironie over kerkelijke zaken maakt plaats voor een onmiskenbaar heimwee naar de dagen dat traditie en hiërarchie nog in ere werden gehouden. Veel stukken beginnen al meteen in nostalgie: we kunnen geen brieven meer schrijven, we verliezen de kunst van het spreken, we weten niet meer wat stilte is.

In 1966 waagt hij zich - hoe ongebruikelijk - in het maatschappelijk debat. Hij gispt een 'slordig gedrukt, slecht geschreven' pamflet van de Rode Jeugd en publiceert in zijn column het adres van de 'marxistisch-leninistische jongeren'. Het komt hem te staan op een telegram van Mies Bouhuys, Hein Donner, Ed Hoornik, Han Lammers, Harry Mulisch, Aad Nuis (!), Jan Rogier en Lucas van der Land, die hem doen weten: 'Raddraaiers vandaag gearresteerd. Je column blijkt denunciatie.'

Hij reageert er een week later nog op - veel onhandiger dan hij dat tien jaar tevoren zou hebben gedaan; maar tien jaar tevoren zou hij nooit zo'n telegram hebben uitgelokt, en er nooit op hebben gereageerd.

Jonge Volkskrant-redacteuren - cet âge est sans pitié - bestempelen hem in 1968 in een memo aan de hoofdredactie als 'een valse vlag op de zaterdagse lading van de krant' en zetten daarmee het einde in van een bijna 25-jarig medewerkerschap. De krant heeft zichzelf inmiddels ontzuild, en wil geen eer meer inleggen met het boegbeeld van een vorige generatie. En bovendien: hij heeft op zijn steeds frequentere reizen door omroepland ook de TROS aangedaan, en de TROS is een vijand van de vooruitstrevendheid.

Op 16 augustus 1969 verschijnt Bomans voor de laatste keer op de voorpagina van de zaterdageditie. Het onderwerp is - toeval? - Napoleon. Er wordt in het stuk geen gedachte ontwikkeld die hij niet al eens eerder heeft opgeschreven, maar het staat er nog allemaal in dezelfde grote zorgvuldigheid, met dezelfde gratie geformuleerd.

Het afscheid heeft zich voltrokken met stille trom. Zonder aankondiging ontbreekt de ooit zo gevierde columnist wekenlang op zijn vaste plek. Pas in oktober staat daar een klein kadertje. 'Na vele jaren vrijwel wekelijks op deze pagina een column te hebben geschreven', meldt de hoofdredactie, 'heeft Godfried Bomans de wens te kennen gegeven zijn zo gewaardeerde reeks kronieken voorlopig te onderbreken.'

Zou het? Was het zijn wens geweest? En geloofde iemand dat de afwezigheid van 'voorlopige' aard zou zijn?

Van een lezersbeweging om hem terug te krijgen is niets bekend. In de twee jaar die hij nog te leven had, koesterde hij zich in een nieuwe oecumene: die van televisiekijkers.

Maar hij moet nog dikwijls hebben terugverlangd naar het verloren paradijs van de vrolijke jaren vijftig.

Jan Blokker

Godfried Bomans: Werken IV - Bijdragen aan de Volkskrant.

Bezorgd door Annemarie Feilzer en Peter van Zonneveld.

De Boekerij; 868 pagina's; ¿ 99,-.

ISBN 90 225 2128 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden