De vreugde van het geloven

In de jaren vijftig puilden de katholieke kerken nog uit. Het kerkelijk leven bloeide volop. Daarna was het snel afgelopen, beatmis of geen beatmis....

Bert Keizer, auteur van Het refrein is Hein en Tijdelijk feest, bespreekt een boek over die katholieke geloofswereld, dat werd geschreven 'met het aanstekelijk plezier van de fijnproever'.

ER ZIJN nogal wat manieren waarop je over het katholicisme in Nederland in de jaren vijftig kunt schrijven, maar bijna iedereen zal op een vergoelijkende of verontschuldigende of gefrustreerde toon uitkomen. Het viel wel mee, er zaten ook goeie kanten aan, het was afschuwelijk, enzovoort, enzovoort.

Bovendien verandert het perspectief elke tien jaar. De nu vijftigers zijn ergens rond 1965 achter de muziek van The Beatles aan de kerk uit geslenterd. Ik kan mij tenminste geen geloofscrisis herinneren en sociaal stond er toen al helemaal geen straf op om af te monsteren. Er zijn wel generatiegenoten die menen pas na een grondige Auseinandersetzung met God, waarin God het moest afleggen natuurlijk, de kerk van zich te hebben afgeschud, maar ik denk dan: als je de kranten iets beter gelezen had, had je door de voordeur naar buiten kunnen wandelen.

Voor de nu zestigers ligt het anders. Want pas na hun volwassenheid vond die oversteek plaats van Perry Como en Pat Boone naar Mick Jagger en Jimi Hendrix. Zij hebben niet geleefd met een dogma in zijn nadagen, dat nauwelijks nog verstikkend of voedend kon overkomen. De generatie van net na de oorlog kan het terugkijkend nog zien als een zegen, omdat je er voeling door hield met voorbije eeuwen, zonder die prijs van achterlijkheid te hoeven betalen, die van onze ouders in hun weerloosheid geëist werd.

Maar wie katholiek was, of is, en nog vóór de oorlog geboren, kan terugblikken op een beklemmende orthodoxie waaraan men zich niet zonder persoonlijke schade kon onttrekken.

In zijn boek Geloven - Portret van een tempeldienaar laat M.F. Elling alle verontschuldiging of veroordeling ver onder zich om in stijlvol proza de katholieke geloofsleer te bezingen. Elling werd in 1933 in Utrecht geboren, flirtte halverwege zijn studie Nederlands even met het toneel, maar eindigde toch als leraar voor de klas. In 1972 promoveerde hij op het toneelwerk van Michel de Ghelderode. Van 1977 tot 1989 was hij docent theaterwetenschappen aan de universiteit van Amsterdam. In 1996 publiceerde hij bij Meulenhoff een verzameling apocalyptische teksten onder de titel Het einde der tijden.

Het proefschrift over De Ghelderode en het apocalyptisch lexicon waren boeken met voetnoten, verwijzingen, commentaren, problemen, enzovoort. Als je het daarmee vergelijkt, treft zijn Geloven door een bijna achteloze finesse, die zich niet laat opbouwen door feitenverzameling, maar die slechts gegroeid kan zijn uit een jarenlange omgang met het beschrevene: het katholicisme in Midden-Nederland tussen 1948 en 1960. Geschiedenis is natuurlijk nooit voor de hand liggend, maar het verhaal van het christendom lijkt bijna te sterk: uit de veronderstelde woorden van één man, die zelf nooit iets schreef, groeide zo'n zestig jaar na zijn dood een joodse splinterbeweging die, nadat men ook mét voorhuid binnen mocht, onder de laagste klassen in de Romeinse maatschappij de grootste aanhang had.

Pas drie eeuwen verder verwierf de heilsleer een indrukwekkende intellectuele basis door onder anderen Augustinus, die het christendom vóór zijn bekering filosofisch geproken eigenlijk te min vond. Hijzelf heeft daar voorgoed verandering in gebracht, want in zijn werk krijgt de godsdienst van het Nieuwe Testament die platonische allure die het christendom bijna twee millennia verder geholpen heeft.

Want dat is het ongelofelijke van het traditionele christendom: dat het zo lang duurde. Het wereldbeeld dat Elling beschrijft, kreeg een min of meer definitieve gedaante in de Middeleeuwen.

De geboorte van Jezus, zijn kindertijd, zijn jaren als verkondiger, zijn veroordeling, marteling, terechtstelling, opstanding uit de dood en opstijging naar de hemel vormen het grondthema waaromheen de katholieke kerk niet slechts enkele ideeën formuleerde, maar een heel wereldbeeld schiep. Niet uit het niets, maar door uitvoerig te lenen bij alle, maar dan ook alle, tradities die de kerk gedurende haar eerste eeuwen, op vele plaatsen op haar weg vond: in het christendom werd geen enkele oude jas weggegooid.

Het katholicisme dat Elling beschrijft, is de negentiende-eeuwse versie van dit middeleeuwse wereldbeeld, die het onwaarschijnlijk lang volhield in de twintigste eeuw. In de jaren vijftig bevond het Nederlands katholicisme zich in een zijsteeg van de Europese ideeëngeschiedenis, wonderbaarlijk geconserveerd, want op luttele afstand van deze wereld-volgens-Dante raasde de twintigste eeuw voorbij over de ruime banen van intellectueel Europa. Wittgenstein was alweer dood, Beckett had bijna zijn Nobelprijs, maar in onze parochie bleef de Drievuldigheid een ondoorgrondelijk mysterie.

Elling neemt zijn lezers mee naar deze unieke plek, en beschrijft hoe het leven was, daar binnen in die laatste enclave van het rooms-katholicisme, want hierna dringt het heden onherroepelijk binnen en volgt nog slechts verbrokkeling in volkstaal, vrouwen op het altaar, beatmis en die allerredelijkste afwijzing van het celibaat. Ja, wie eenmaal gaat nadenken, verlaat natuurlijk onmiddellijk deze voorstelling en vraagt zich af hoe hij er ooit in verzeild raakte.

Elling wil deze geloofsleer niet analyseren, maar op een begeesterde en humorvolle manier beschrijven. Het verlossende van het boek is dat er in het zicht van al die eeuwigheid steeds ruimte blijft voor een jongen die ook onder de navel bestaat: 'Vergeve de Heer van het Al dat de eerste blik van de kerkganger niet Zijn altaar geldt waar Hij rust in het tabernakel, maar dat diens ogen eerst de banken langs snellen om te constateren dat zij er niet is.' Zonder frikkerigheid, maar met het aanstekelijk plezier van de fijnproever vertelt hij over details van de liturgie, de priestergewaden, de gesproken woorden en natuurlijk ook de muziek. Over Er is een roos ontsprongen weet hij: '(. . .) de verkeerde vertaling van Es ist ein Reis entsprungen, die ten eerste onlogisch is, want hoe moet een ontsprongen roos een bloem brengen, en ten tweede de oorsprong van de tekst wegmoffelt. Nee, mijne heren, 'Er is een twijg ontsproten', zoals er staat bij Isaïas: 'Een twijg zal ontspruiten uit de wortel van Jesse.' Dan klopt het verder: Jesse is de vader van David, Maria is een telg, een twijg dus uit Davids geslacht en de bloem aan die twijg is Jezus.'

Er zijn nog nauwelijks auto's in het boek, wel goten, dakkapellen, zolderkamers, kachels die moeten worden opgepookt en men woont in een stad waar je 's avonds zomaar uit kunt fietsen. De tempeldienaar is soms 15, soms 25 jaar oud en worstelt als jongen en man met vrouw, God en de wereld. Het idyllische is dat zijn worsteling wordt voorgesteld als een sportieve krachtmeting, wat het leven natuurlijk niet is.

In de tekst zijn tientallen citaten uit gebeden, missalen, psalmen, bijbelboeken en gregoriaanse gezangen vervlochten, en de kerkelijke feesten worden op die kenmerkende middeleeuwse wijze verbonden met het jaargetijde waarin ze plaatsvinden.

Over de goddelijke aanwezigheid in brood en wijn roept hij Thomas te hulp: 'Wat Paulus bevroedde als in een raadsel, heeft Thomas van Aquino, zijn toch al bovenmatig verstand nog voorgelicht door de Heilige Geest, tot klaarheid gebracht in het onderscheid tussen wezen en schijn, tussen substantie en accidentie, waaruit logischerwijze volgt dat elk van de gedaanten de totale Christus bevat en tevens dat Hij geheel aanwezig is in elk fragment hoe klein ook, want wordt de schijn gebroken, het wezen is ondeelbaar, zoals het een wezen betaamt.'

De liefdevolle nauwgezetheid waarmee hier van het dogma geproefd wordt, heeft iets ontwapenends. 'Plato für's Volk', smaalde Nietzsche over het christendom. Maar deze glimlachende tempeldienaar heeft geen weet van zulke scherpte.

Aan het eind van het boek rommelt het toch een beetje aan de horizon, als zijn vriend op een pelgrimstocht 'de godloochenaar Gide' leest. Hijzelf leest dan Dante. Maar hoe lang nog? Je vraagt je onwillekeurig af: hoe zou het nú met deze man gaan, nu de tempel is verwoest? Want hij beschrijft, zonder daar nou zo uitdrukkelijk bij stil te staan, het einde van een meer dan duizendjarige traditie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.