InterviewJe kunt het maar één keer doen

De vraag of ze bang was om er niet meer te zijn heb ik niet durven stellen

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheidnemen kan op veel manieren en dat maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Deedee van Waegeningh (psycholoog), overleed in 2015 op 44-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Ze was getrouwd met Leo en had een zoon, Job, van 13. Haar zus Saar (48, advocaat) worstelt nog steeds met het afscheid.

Saar: ‘Mijn zus was mijn beste vriendin. We hadden een oudere broer en een jonger broertje, Deedee en ik scheelden maar een jaar. We hadden gemeenschappelijke vriendinnen, gingen altijd samen uit en samen op vakantie. We hadden precies dezelfde stem, maar innerlijk leken we niet op elkaar. Ik ben iemand van structuur en controle, zij was flamboyant, spontaan en eigenzinnig. Ze zei eens: ‘Als ik dans dan kijken de jongens altijd.’ Waarop ik antwoordde: ‘Ja, natuurlijk kijken ze, want je danst nogal over de top.’ Omdat we samen zijn opgegroeid, was ik er ook van overtuigd dat ze mijn hele leven met mij mee zou gaan. En dat we uiteindelijk een keer samen dood zouden gaan. Zij heeft het nu al gedaan. Daardoor voelt het alsof ik nu aan het wachten ben wanneer ik aan de beurt ben. Er is een stukje van mij af. Ik heb nog genoeg geluksmomenten, ik heb een gelukkig leven met mijn man, vier zoons, familie en vriendinnen, maar het is niet meer compleet.

Op een zondagavond in september belde Deedee: ‘Saar, ik ga morgen even naar de dokter omdat ik de laatste tijd wat vage klachten heb. Als ik op mijn werk zit, voelt het soms alsof ik wegval. Mijn arm doet ook een beetje gek.’ Ik schrok, want ik ben een enorme hypochonder, maar Deedee helemaal niet. Ze vervolgde op luchtige toon: ‘Maar daar bel ik eigenlijk helemaal niet voor. Heb jij naar Sophie in de kreukels gekeken? Zullen wij ook iets aan onszelf laten doen?’

Vier dagen daarna hoorde ze dat er een grote tumor in haar long zat. Het verbaasde ons want ze had helemaal geen longklachten. Ze had weliswaar fiks gerookt maar elf jaar daarvoor, toen haar zoon 1 werd, was ze gestopt. Onze vader was in 1997 aan longkanker overleden en dat wilde ze haar zoon niet aandoen.

Toen ze wist dat ze longkanker had, zei ze meteen: ‘Als het ook in mijn hoofd zit, is het klaar.’ Maar de longarts zei toen hij enige tijd later de scan van de hersenen bestudeerde: ‘Het is geen uitslaande veenbrand.’ Daardoor dachten we – en hoopten we vooral – dat het nog enigszins meeviel. Omdat er bestraling en chemokuren werden voorgesteld, ben je geneigd te denken dat het niet hopeloos is. Opvallend was dat de artsen ook helemaal niet over doodgaan spraken. Deedee vroeg wel aan mij: ‘Saar, zie je mij volgend jaar weer op het terras zitten?’ ‘Natuurlijk zie ik je zitten’, antwoordde ik. Het past bij mij om sterk en positief te zijn.

Als eerste werd haar hoofd bestraald, daarna heeft ze één chemokuur gehad. Ze werd heel snel heel ziek. Toen ze naar het ziekenhuis ging voor de tweede kuur, bleek ze die al niet meer te kunnen verdragen omdat ze daarvoor veel te zwak was. We kwamen in een rollercoaster terecht. In totaal zaten er, dit is mijn controletic, tussen de dag dat ze het hoorde en de dag dat ze overleed precies honderd dagen.

Toen ze net had gehoord dat ze ziek was, ging het alleen maar over haar zoon. Hoe ga ik het hem vertellen? Hoe lang zal ik hem nog meemaken? Maar toen ze zo ontzettend ziek was, kwam ze in een overlevingsstand terecht. Ze werd zo door het gevecht ertegen in beslag genomen, dat ze nergens anders aan kon denken. Het leek wel alsof ze ook te ziek was om bang te zijn. Ik herinner me dat ze op mijn vraag hoe ze sliep, antwoordde: ‘Ik lig ’s nachts bij Leo in een kuiltje met zijn arm om me heen, en dan voel ik me veilig.’

Op een gegeven moment onderging ze een punctie in het ziekenhuis waardoor ze een klaplong kreeg. Mijn zwager belde ons om te vertellen dat het foute boel was. Met mijn moeder, mijn broers en haar zoon reed ik naar het ziekenhuis. Ze lag alleen op een kamer en vroeg ons één voor één binnen te komen. Ze zei tegen ieder van ons wat ze wilde zeggen. Tegen haar zoon: ‘Job, beloof me dat het goed met je gaat.’ Tegen Leo zei ze: ‘Jij kunt niet alleen zijn, dus zoek maar snel een leuke vrouw.’ Tegen mij: ‘We hebben toch alles altijd tegen elkaar gezegd, er is toch niks meer wat besproken moet worden?’

Deedee (links) en Saar Beeld Privealbum Saar

Ik raakte in paniek en snikte: ‘Ik weet niet of ik zonder je kan.’ Ik brak even maar herpakte mezelf snel omdat ik schrok dat ik het zo op mezelf betrok. Mijn zus zei niks.

Ik vermoed dat zij tegen ons allemaal heeft gezegd wat ze wilde zeggen en dat ze daarmee het gevoel had dat we zonder haar verder konden. Het voelde althans als een afscheid. We gingen verslagen weg.

Toen ik maandag op mijn werk was, belde mijn zwager dat ze was opgegeven en dat de longarts zou komen om de procedure van overlijden te bespreken. Ik ging samen met mijn broertje naar het ziekenhuis. Toen we aankwamen lag mijn zus op de longarts te wachten. Ze was heel onrustig en ongeduldig, bleef maar op de klok kijken. Toen mijn broertje zei: ‘Rustig maar, hij komt zo’, antwoordde ze: ‘Ja, want dan is het maar gebeurd.’ Maar de arts zei tot ieders verbazing dat hij het toch nog niet wilde opgeven. Hij wilde nog één ding proberen en gaf haar een stoot van weet ik veel welk spul. Ze knapte er inderdaad weer een paar dagen van op.

De dag erna liet ze mij tijdens het bezoekuur een kaart zien van een nichtje waarop stond: ‘Lieve Deedee, we zullen je straks missen als je er niet meer bent.’ Ze liet die kaart, vermoed ik, bewust zien maar ik ging er niet op in. Daar denk ik nu vaak aan. We spraken voluit over ditjes en datjes, maar ik heb haar niet expliciet gevraagd naar haar kwetsbaarste kant. De vraag of ze bang was om er niet meer te zijn, heb ik niet durven stellen. Ik durfde het niet aan te raken. Het idee dat ze er niet meer zou zijn vond ik zo heftig, die gedachte kon ik gewoon niet toelaten.

Donderdag 24 december werd mijn zus uit het ziekenhuis ontslagen. Ze zeiden bij het afscheid: ‘Als je er weer fit genoeg voor bent, kun je altijd weer terugkomen voor een kuur.’ Omdat mijn zus nogal onpraktisch op drie hoog in Amsterdam woonde, werd ze door de ambulance naar mijn moeders huis in Zeist gebracht. Dat ze op het laatst terugging naar de moederschoot vond ik mooi. Mijn moeder had een ziekenhuisbed met een gezellige sprei in de kamer klaargemaakt. Een paar uur nadat ze in dat bed lag, wenkte ze mijn zwager en gaf aan dat ze wilde gaan slapen. Ik denk dat ze het van tevoren heeft bedacht. Dat ze niet in het ziekenhuis wilde sterven, maar dat ze wilde sterven zodra ze eruit was. De huisarts van mijn moeder werd gebeld om haar palliatieve sedatie toe te dienen. Op donderdagavond sliep ze in, en op zaterdagochtend, Tweede Kerstdag, is ze overleden.

Als mijn zus vroeger met Kerst thuiskwam, zei ze altijd: ‘Zo, daar ben ik dan. Ik vind er niks aan maar ik ben er toch maar.’ Niet heel aardig, maar Deedee ten voeten uit. En ze wás er tenminste.’

Van Barbara van Beukering verscheen onlangs het boek Je kunt het maar één keer doen: een persoonlijke zoektocht naar sterven, het grootste taboe in ons leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden