De vertaler van 'De stad Gods'

Dichters kunnen ver weg raken van hun lezers. Want in hun werk is de tijd verstijfd tot een soms heel lang voorbije periode; de lezer leest door, de dichter houdt zich stil....

Er is een Lam dat bloedt,

er is een Lam dat bloedt. . .

en ik die Het aanschouwen moet

en van mijzelve zeggen moet:

ik ben het, die u bloeden doet.

Ik heb het onthouden, maar heb ik het ooit mooi, laat staan religieus inspirerend gevonden? Ik weet het niet. In de verte hoor ik het schitterende gedicht van Revius, dat de - traditionele - gedachte oneindig sterker, indringender, bewogener ook heeft verwoord. Het gedicht is, helaas, poëzie geworden vanachter de glazen. Requiescat in pace. Met dank aan een van de geniaalste rijmen van Nijhoff.

Het allerlaatste gedicht van de laatste bundel is een kwatrijn, 'Oudejaar 1972':

De leugen roept luidkeels in alle scholen.

De herders horen niets. Hun schapen dolen

radeloos rond. De lucht wordt vuns en kil.

Alle demonen kruipen uit hun holen.

'Herders', 'schapen' moeten in een religieuze of kerkelijke context gelezen worden. Het is een met stille woede geschreven gedicht tegen de verwording van de rooms-katholieke kerk, de verbeelding van een eindtijd. De toon is vrij radicaal. Het religieus radicalisme van de jaren twintig krijgt hier zijn laatste naklank.

In 1930 schreef Wijdeveld een hekeldicht op de katholieke politicus Nolens. Het werd een schandaal. Het gelovig radicalisme ging over in een politiek radicalisme. En dat is nog altijd beangstigend. Politiek radicalisme werd fascisme: geen weekheid in de gelovige leer, geen weekheid in de politieke leer. Met andere katholieken ging ook Wijdeveld over naar het nationaal-socialisme. Het hoort tot zijn levensgeschiedenis en ook - heel gedeeltelijk - tot de geschiedenis van zijn werk en kan dus niet verzwegen worden.

Ik moet bekennen figuren als Henri Bruning en Gerard Wijdeveld in hun religieus radicalime wel begrepen te hebben. Hun politieke gevolgtrekkingen zijn voor mij, gezien de aard van hun beste werk ook, niet te volgen. Wijdeveld was classicus en een meer dan zeer goede. Hij promoveerde in 1937 op een tekstuitgave en vertaling van Augustinus' tractaat De vera religione, 'Over de ware godsdienst'. Hij koos voor een auteur die een groot deel van zijn leven zou gaan bepalen. De ware godsdienst ging hem zelf zeer ter harte. En de absolute toon van het begin van Augustinus' tekst zal hem niet vreemd zijn geweest: 'De eenige weg naar het goede en gelukzalige leven ligt in den waren godsdienst door welken één God niet enkel geëerd, doch ook met gelouterde vroomheid gekend wordt als de Oorsprong van alle gewordenheden, als de Beginner, Voltooier en Behouder van het heelal.'

Tien jaar na de oorlog mocht Wijdeveld weer leraar worden en publiceren. De dichter raakte al spoedig in de schaduw van de vertaler; in Wijdevelds herziening van de Dante-vertaling van Kops gingen beiden samen. Maar hij werd vooral de vertaler van Augustinus. In 1964 verscheen De Belijdenissen, in 1983 (de vertaler was toen bijna tachtig) zijn indrukwekkendste prestatie: De stad van God. Daartussendoor publiceerde hij een vrij groot aantal bundels met preken.

Ik citeerde het begin van zijn eerste vertaling ook vanwege de taal. Het Latijn werd eens altijd in een Nederlands van de hoogste etage vertaald. Wijdeveld is steeds 'gewoner' gaan vertalen, wat aan het literair karakter van zijn werk niets afdoet. Zijn Augustinus-vertalingen zijn zonder meer superieur, naar taal en annotaties, en zeker die van De stad Gods zal klassiek worden. Literaire erkenning heeft hij er nooit voor gekregen. Dat zou wel eens met de oorlogsjaren te maken kunnen hebben. Helaas. In elk geval heeft hij, met Christine Mohrmann en F. van der Meer, de grootste schrijver van de christelijke oudheid zijn plaats in Nederland gegeven, in een zeldzame vorm van dienstbaarheid. Eens zei ik hem van Augustinus te houden. Hij leek me een heel aardige man. 'Hij was geen aardige man', zei hij beslist, ook een beetje terechtwijzend, want hij was leraar gebleven. Ik voelde even iets van intolerantie. Die was ook Augustinus niet vreemd. Hij moet wel erg van het werk gehouden hebben om van het vertalen zijn levenswerk te maken.

Als dichter is hij een randfiguur geworden. Toch is zijn levensloop in veel opzichten representatief voor de cultuurgeschiedenis van deze eeuw. Katholieke geschiedenis, onbegrijpelijke geschiedenis ook. Voor een deel. De laatste triomfantelijke woorden van De stad Gods - Amen, amen, einde van het werk, einde van de tijd, begin van de eeuwigheid - zullen de zijne zijn geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden