De jaren 10Heimwee

De smartphone heeft ons veel gebracht, maar we zijn iets waardevols kwijtgeraakt

Julien Althuisius woonde meerdere keren in het buitenland. In de pre-smartphoneperiode beleefde hij alles ten volle.

Beeld BENNING & GLADKOVA

In de vroege lente van dit jaar verhuisde ik met mijn vrouw en twee kinderen naar de Portugese kust. Zowel mijn vrouw als ik zijn zelfstandig en kunnen ons werk op afstand doen, onze dochters waren nog niet leerplichtig: niets stond ons in de weg. Behalve een mooi avontuur was het ook een test. Als het ons goed beviel, wilden we misschien wel een paar jaar in Portugal blijven wonen.

De zon die mij de eerste dag aan de Portugese kust begroette liet zich in de weken erna sporadisch zien. Het stormde en regende. Het dorp waar we gingen wonen heeft de naam een surfparadijs te zijn, maar de Atlantische Oceaan toonde zich onstuimig en bewaarde haar golven voor later. In de eerste week was er een oude mevrouw die me buitenproportioneel verrot schold omdat ik met mijn auto tegen de richting in reed op een parkeerplaats. Er was een lokale surfer die me buitenproportioneel verrot schold omdat ik aanstalten maakte om dezelfde golf te pakken als hij. En de Nederlandse nummerplaat op onze auto was blijkbaar een uitnodiging tot bumperkleven en agressief toeteren. De Portugezen hebben de reputatie bescheiden, gastvrij en lief te zijn. En misschien kwam ik in die eerste weken net de verkeerden tegen, maar aan mij openbaarde zich opvallend veel chagrijn en wantrouwen. (Had ik natuurlijk kunnen weten, want José Mourinho).

Gelukkig had ik mijn iPhone. De satansoma was nog niet uitgeraasd of ik opende WhatsApp om mijn ongerief te delen met mijn vrouw en iedereen die het verder wel of niet wilde weten. Bij prachtige dagen op het strand (die kwamen er uiteindelijk ook) kwam ook weer de telefoon tevoorschijn. Fotootje maken en delen in de groepsapp. Het uitzicht op zee vanuit ons appartement deelde ik op Instagram, net als een willekeurige wandeling langs de zee met mijn dochters en een belachelijk groot krat aardbeien dat ik voor 3 euro kocht op de markt. Ik hoefde niet eens mijn best te doen om de taal te leren - niet alleen omdat Portugezen vaak nogal goed Engels spreken, maar omdat ik de app van Google Translate op mijn telefoon had. Als ik ergens koffie ging drinken, las ik de Nederlandse kranten en voetbaltijdschriften die ik op mijn telefoon altijd bij me had, inclusief het allerlaatste nieuws. Als ik op zoek was naar een loodgieter of automonteur, hoefde ik niet naar het dorp te gaan om in gebrekkig Portugees duidelijk te maken wat ik wilde, maar kon ik de Facebook-app op mijn telefoon openen en een berichtje in het Engels schrijven in de expatgroep waarvan ik lid was. Stond ik toch een keer in de rij bij het postkantoor, dan hoefde ik me niet te vervelen en om mee heen te kijken, maar zorgde de iPhone voor vertier. En dankzij Twitter stond ik 24 uur per dag in contact met de laatste ophef in Nederland. Een lokale voetbalclub adopteren was niet nodig: alle wedstrijden en andere verrichtingen van mijn club kon ik via Fox Sports of een van de andere televisie-apps op mijn iPhone volgen. Hoewel ik de wedstrijden thuis alleen keek, stond ik via WhatsApp continu in contact met mijn vrienden – en als dat niet genoeg was, met mijn medesupporters op Twitter.

Hoewel ik in Portugal woonde, stond ik dankzij mijn iPhone altijd met één been in Nederland.

Dat was fijn, want het maakte de landing zachter, haalde de randjes van onze emigratie en lengde heimwee aan met de vertrouwdheid van het alledaagse.

Hoe anders was dat toen ik twaalf jaar geleden in Sevilla ging wonen. Het was 2007 en het laatste pre-smartphonedecennium. Mijn eerste kennismaking met de stad was geen vrolijke. Het regende en het centrum lag er verlaten bij. Winkels waren dicht, rolluiken omlaag. Mensen zagen er anders uit dan thuis en ze spraken onverstaanbaar. Dit was niet het Sevilla uit de reisfolders, met sinaasappelbomen in het zonlicht tegen een blauwe lucht. Het liefst bleef ik op mijn hotelkamer, de tijd aftellend totdat ik weer terug naar het vliegveld kon. Maar ik kon niet terug naar het vliegveld. Ik was hier niet op vakantie of voor een weekendje weg. Ik ging hier een semester wonen, studeren via het uitwisselingsprogramma van Erasmus. Ik kende niemand, had nog geen plek om te wonen en het Spaans dat ik had geleerd als tweede vreemde taal had vrij weinig te maken met het lokale Bargoens dat in Andalusië werd gesproken. Nadat de zoveelste chagrijnige ober deed alsof hij niets verstond van mijn onberispelijk uitgesproken ‘un café, por favor’, begon ik op internet te zoeken naar goedkope vliegtickets terug naar Nederland. Een De oesters van Nam Kee-scenario - waarbij de hoofdpersoon doet alsof hij in het buitenland studeert, maar stiekem gewoon nog steeds in Amsterdam woont - begon opeens heel aantrekkelijk te klinken.

Beeld BENNING & GLADKOVA

Maar ik bleef. Ik vond een eenvoudige kamer in een oud herenhuis in het centrum, met een uitzicht op een smalle straat die overdag zinderde in de zon en ’s nachts oranje kleurde in het licht van de straatlantaarns. Ik had een stuk of elf huisgenoten, met wie ik de badkamers, de keuken en een wifiverbinding deelde. Dat was een luxe: draadloos internet was nog niet zo vanzelfsprekend als vandaag. Ik had een simpele Nokia, met een Spaanse simkaart en zonder internetverbinding. Als ik naar buiten ging, vulde ik mijn rugtas met een beduimeld Spaans pocketwoordenboek (een cadeau van een goede vriend, die hem zelf al had gebruikt tijdens een stage in Madrid en had voorzien van een onleesbaar voorwoord), een kaart van de stad, mijn Canon Powershot A620 (zeven megapixel!), een MP3-speler, een aantekenboekje en een pen en heel misschien nog een boek om de tijd te doden.

Meestal begon ik de dag (als ik tenminste geen college had - of nou ja, vaak ook als ik wel college had) ergens op een terras met een café con leche en, omdat ik nog jaren verwijderd was van mijn iPhone met Europese databundel en Nederlandse kranten, een Marca. De Marca is een voetbalkrant die dagelijks verschijnt. En omdat hij dagelijks verschijnt wordt elk gerucht, elke roddel, elke boer die een voetballer laat, opgeblazen tot een kwestie van landsbelang en tot in detail geanalyseerd. Het is niet bepaald de alfa en omega van de kwaliteitsjournalistiek, maar het hielp me wel de taal beter te leren - en kwam van pas als ik ’s avonds een gesprek over voetbal probeerde te voeren met de uitsmijter van de bar die ik frequenteerde.

Ik had alleen toegang tot het internet (toen mocht je nog gewoon ‘het wereldwijde web’ zeggen) als ik thuis was en dat was ik maar weinig. Als ik de deur uit was, kon ik niet mailen, surfen, facebooken, skypen en kon ik niet zien welke tapasbar in de buurt de beste beoordeling op Tripadvisor had. Met andere woorden: nadat ik de de deur van mijn huis achter me dicht had getrokken, had ik geen afleiding. Tijdens een van mijn eerste dagen in Sevilla werd het me allemaal iets te veel. Ik had net mijn vriendin (die de eerste week met me mee was) weggebracht naar de luchthaven. Ik was alleen en vol van het ontheemde verdriet van een jongen die voor het eerst in zijn leven alleen op reis is. Dus ik wilde mijn moeder bellen. Ik liep naar de Guadalquivir, de rivier die Sevilla in tweeën deelt, ging zitten aan de oever en belde haar. Maar ze nam niet op. Ook niet na de tweede keer. Had ik mijn iPhone gehad, dan had ik een appje of voicemessage kunnen sturen of kunnen kijken of er vrienden online waren en vervolgens even wat doelloos scrollen door Twitter, Facebook en Instagram: inhoudsloze afleiding om de pijn van het verdriet te verzachten. Maar ik had geen iPhone. Dus zat ik daar, terwijl de Guadalquivir aan mijn voeten onverschillig voorbij stroomde, alleen met mijn verdriet. Ik kon er niet omheen, ik kon er niet van weg, ik moest er doorheen.

Omdat ik, in tegenstelling tot mijn verblijf in Portugal twaalf jaar later, geen smartphone had, was ik grote delen van de tijd afgesloten van Nederland en daardoor volledig in Spanje.

En omdat er geen telefoon was om me af te leiden, was ik vaak gewoon ‘aanwezig in het moment’, zoals dat tegenwoordig heet. Daardoor beleefde ik alles in Sevilla ten volle. De vervelende momenten, zoals die aan de rivier; de verveling van het eindeloze wachten dat onlosmakelijk verbonden is aan het leven in Andalusië; maar ook de feestjes, de gesprekken, de vriendschappen, de wandelingen door de stad, de smaak van de solomillo al vino dulce, de vreugde nadat het door mij geadopteerde Sevilla FC de UEFA Cup won, het rozige gevoel na twee tinto de verano bij de lunch en het effect van de nicotine als ik even naar buiten stapte om een sigaret te roken (wat overigens bijna nergens verplicht was. Sterker nog: in de kantine van de universiteit werd gewoon gerookt. En er stond een biertap). Ik haalde dat semester nul studiepunten (ergens in april, toen het echt mooi weer begon te worden, wierp ik de handdoek in de ring en ging ik helemaal niet meer naar college) maar beleefde de mooiste maanden uit mijn leven.

Beeld BENNING & GLADKOVA

Was dat zonder iPhone ook gebeurd? Waarschijnlijk wel: ik was 24, alleen, in een van de mooiste steden van Europa, en - na een kleine maand in Sevilla - voor het eerst in mijn adolescente leven vrijgezel. Wel was het minder intens geweest.

Net als dat ik mijn tijd in Portugal intensiever had beleefd als ik niet altijd maar een smartphone bij me had gehad. Omdat ik altijd voor de helft in Nederland was, weet ik na acht maanden in Portugal nog steeds niet echt hoe het is om daar te wonen. Mijn iPhone was mijn reddingsboei. Maar, zoals dat met reddingsboeien gaat, betekende het ook dat ik nooit helemaal kopje-onder ging.

Nooit meer hoeven we aan te rommelen met landkaarten, dikke woordenboeken, reisgidsen, acceptgiro’s, kookwekkers, fotocamera’s, aantekenboekjes, kranten, MP3-spelers, zaklampen of thermostaten. De iPhone, de Samsung Galaxy, de Google Pixel, de OnePlus: ze maken ons leven makkelijker, besparen ons zeeën van tijd en brengen ons op elk gewenst moment in contact met de hele wereld, waar we ook zijn. De smartphone heeft ons het afgelopen decennium eindeloos veel gebracht. Maar we hebben iets heel waardevols verloren. De ervaring, de spontaniteit die verscholen ligt in het dagelijks leven en zich niet laat regelen of on demand laat oproepen. Rusteloosheid heeft onze beleving voorgoed veranderd. Er is altijd iets interessanters, leukers, grappigers of mooiers voorhanden. Fear of missing out leidt ertoe dat we om de haverklap onze telefoons van het slot halen om voor de zoveelste keer door Facebook, Instagram, Twitter en nieuwsapps te swipen. Doodsbang zijn we, om iets te missen. Maar het enige wat we echt missen gebeurt om ons heen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden