Mijn bevrijding

De slag om Walcheren: leven in het zoute water

In oktober 1944 bombarderen de geallieerden in de strijd om Antwerpen de dijken van Walcheren.  Het eiland komt onder water te staan. Corrie de Rijke vlucht met haar ouders naar een hoger gelegen woning. Nog jaren na de bevrijding zou het gezin met het zoute water moeten leven.

Corrie (5e van links) op haar vlot. Beeld Corrie de Rijke

“Ik vond het briefje in de polder vlak bij ons huis, waar ik altijd mocht spelen omdat daar geen mijnen lagen. Het was een half A4’tje, wit, met tekst erop in dikke zwarte letters. Ik raapte het op, maar kon als meisje van 5 niet lezen wat erop stond – het was ook nog eens in het Engels. Dus snelde ik naar huis om het aan mijn ouders te laten zien. Toen zij lazen dat iedereen naar het midden van het eiland moest – het briefje was gedropt uit een geallieerd vliegtuig – wisten ze wat er zou gaan gebeuren.”

“Ons eiland Walcheren was een vesting. De Duitsers zaten verscholen in bunkers over het hele eiland, omgeven door mijnenvelden. Laat daar water inlopen en ze hebben geen andere keuze dan weg te gaan. Dus braken de geallieerden eind 1944 de dijken door. Het doel was om door te stoten naar de haven van Antwerpen.”

“Wij woonden dicht bij de kust, vlak bij de haven van Vlissingen, en moesten evacueren naar het midden van het eiland, naar het huis van een collega van mijn vader. Ik weet nog dat ik de volwassenen hoorde praten: ‘Hier komt het water nooit, want we zitten hoog.’ Als kind hoopte ik stiekem dat het water wel zo hoog zou komen, want dat leek me best leuk.”

De Canadezen

“Het water steeg op het hele eiland. Je zag het aan de sloten, waar de kikkers dood boven dreven met hun witte buikjes naar boven. De tactiek werkte. Mijn latere man, die als kind dicht bij de duinen woonde, zag hoe de Duitsers zich overgaven aan de Canadezen, hoe ze werden ontwapend en afgevoerd in amfibievoertuigen. Ik herinner me de feestelijkheid van die bevrijding. Iedereen op het eiland moest zijn boot versieren, de mooiste boot van de gondelvaart won een prijs. Maar na de feesten ging het water niet weg.”

“Op ons evacuatieadres bleef het een paar maanden droog. Tot de bewoners op een ochtend uit bed stapten, zo het water in. Ze lagen in de bedstee – in de woonkamer kwam het water tot de tafel. Het was helemaal niet zo leuk als ik had gehoopt, het was verschrikkelijk. Je kon geen kant op. De ruiten waren kapot. Alles was nat en vies. De meubels moesten naar boven en we sliepen daarna met zijn negenen op zolder.”

“Bijna alle eilandbewoners moesten naar het vaste land, maar wij niet. Mijn vader wist veel van machines, dus zou hij gaan helpen bij het herstellen van de dijken. Ik weet nog dat we terugvoeren naar ons oude huis. Overal waar je keek was water en kapotte huizen. Er was geen mens. Mijnen waren losgeweekt en dreven rond boven de landerijen. Om die te ontwijken, moesten we met ons vlot boven de straten varen – die kon je nog net herkennen aan de uitstekende bomen. We wisten niet hoe we ons huis zouden aantreffen.”

Elke dag kwam het water 

“Het stond er nog, maar de ruiten waren kapot en binnen lag het vol met modder. Elke dag kwam het water bij vloed tot aan de vensterbanken, als het eb werd, moest mijn moeder al het slib naar buiten vegen. De huizen om ons heen waren verlaten. Ik had een eigen vlot om met mijn broertjes en zusjes op te spelen.

“Bij eb speelde ik buiten met de kinderen die er nog wel waren. We gingen naar met water ondergelopen machines of naar een verlaten bestelauto. Daar maakten we dan ons huisje van. Jongens hadden er een kacheltje ingezet. Ik moest thuis lucifers stelen zodat we aardappels konden poffen.”

“Terugkijkend was het een gevaarlijke tijd. Mijn broertje en ik visten een keer een mijn uit het water. Dat vonden we wel leuk: zo’n blikje met een knopje erop. Daar gingen we zelfs aan sleutelen. Als-ie niet onklaar was gemaakt door het zoute water, waren we allebei opgeblazen. Zelfs jaren later zijn er nog veel ongelukken met mijnen gebeurd: boeren die in de duinen met hun tractor en al werden opgeblazen, dat soort dingen.”

Zout brood

“Eén keer waren mijn ouders bang dat we zouden verdrinken. Het had gestormd en was springtij, net zoals met de Watersnoodramp in 1953. De halve bovenverdieping van ons huis lag nu beneden de zeespiegel, en wij moesten met het hele gezin op onze kleine zolder schuilen, hopend dat het water niet zo hoog kwam. Het was januari en hartstikke koud. Elke paar minuten ging mijn moeder kijken tot welke trede het water kwam, angstig dat we opgeslokt zouden worden. Dat hebben we maar net overleefd.”

“Als ik nu zeg dat ik de watertijd in Zeeland heb meegemaakt, denkt iedereen dat ik het over 1953 heb. Als ik dan zeg dat ik na de bevrijding nog twee jaar in het water heb gezeten, krijg ik een vage blik. Dat begrijp ik wel. Het was niet leuk, maar in de oorlog had elke provincie eigen problemen. In het noorden was de Hongerwinter, wij hebben nooit echt honger gehad. Veel eten hadden we niet, nee, en één keer viel een hele zak brood in het water nadat we met ons vlot naar de bakker in het dorp waren geweest. Dat lieten we drogen en daarna moesten we zout brood eten. Dat was best prima.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden