De sekte aan de overkant

De Algerijnse gemeenschap in Marseille ziet dagelijks nieuwe vluchtelingen van overzee komen. Ze vertellen over de gruwelen in hun land....

De tranen komen snel, onmiddellijk nadat ze is gaan zitten. 'Het is zo moeilijk allemaal... zo moeilijk.' Ze vermant zich en begint te vertellen. 'Wat u hoort, meneer, is de waarheid.'

Een uur lang praat ze, in het kantoor van de Franse hulporganisatie Cimade. Gaandeweg ontvouwt zich een beeld van deze 38-jarige Algerijnse vroedvrouw, die sinds mei vorig jaar in Marseille woont, waar ze als illegaal schoonmaakster overleeft.

Marseille, met zijn rug naar Frankrijk en zijn schoot naar Noord-Afrika, was het meest voor de hand liggende toevluchtsoord. De verarmde havenstad telt naar schatting 85 duizend inwoners van Algerijnse afkomst, voornamelijk gastarbeiders en ex-soldaten, maar in toenemende mate ook vluchtelingen. 'Eerst waren dat vooral intellectuelen, nu zijn het steeds meer gewone mensen', zegt Françoise Rocheteau van Cimade, dat de vluchtelingen rechtskundige hulp geeft.

Samia ontvluchtte de stad Blida, gelegen in de Algerijnse 'dodendriehoek', zo'n vijftig kilometer ten zuidoosten van Algiers. Haar man en vier kinderen zitten daar nog steeds; die bemachtigden geen Frans visum. 'Het grootschalige geweld begon in 1994', vertelt ze. 'Tot die tijd, vanaf de geannuleerde verkiezingen van januari '92, vermoordden ze alleen journalisten en intellectuelen. Maar in '94 kwamen de bommen en begonnen ze hele dorpen uit te moorden.'

Ze?

'De islamisten. Kijk, wij hebben tijdens de verkiezingen van 1990 en '91 allemaal gestemd op het FIS (Islamitisch Heilsfront). Ja, ik ook. Want het FIS was tegen de corruptie. Maar toen de bevolking niet massaal in opstand kwam na de militaire staatsgreep van 1992, beschuldigden de islamisten ons ervan dat wij tegen hen waren.

'En toen begonnen de aanslagen op de burgers. 's Nachts kwamen ze naar de stad en kalkten ze leuzen op de muren als ''Jullie zijn allemaal verraders''. Iedere dag werd er gevochten. Nog steeds. Mijn kinderen vinden het al heel normaal. Voor hen is het een spel. Als ze de vuurgevechten horen, zeggen ze blij: ''Mogen we nu weer onder de tafel gaan liggen?''.'

Zoals alle Algerijnen heeft Samia zich aangewend in algemeenheden te praten - je noemt geen namen, geen plaatsen, alleen de gruwelijkheden. 'We zijn heel bang. We vertrouwen zelfs onze buren niet meer.'

Ze is gevlucht, zegt ze, omdat haar naam op een lijst van de islamisten voorkwam. 'De politie heeft die in handen gekregen toen ze een terrorist arresteerde. Iedereen die contact heeft met le pouvoir (de machthebbers) kwam erop voor. Ik heb een broer die bij het leger zit en die vaak op bezoek kwam. Ze hebben met een autobom ons huis opgeblazen.'

De moordenaars in Samia's stadje staan onder leiding van een ex-leraar natuurkunde. Hij is, zoals dat heet, 'naar de bergen gegaan', het ontoegankelijke gebied buiten Blida, van waaruit de guerrillastrijders opereren. De bevolking kent hen. Men weet ook wie in het stadje de informanten zijn. Maar niemand gaat naar de politie om ze aan te geven. 'Dan pakken ze jou terug. Bescherming? Ze zijn geduldig. Ze wachten maanden, net zo lang tot de bescherming verslapt.'

In Blida bestaat geen genade. 'Wij hadden een man die ieder jaar de bomen voor ons snoeide. Hij woont in de bergen. Ja, waar de islamisten nu ook zitten. Dit jaar kwam hij niet. Op een dag kwam mijn man hem tegen op de markt. De man vertelde dat hij niet meer naar ons durfde te komen. Twee van zijn zoons waren al door de terroristen gedood.'

Samia's vriendin Zohra komt binnen. De ongetrouwde vrouw vluchtte vorig jaar uit Algiers. Daar was ze directie-secretaresse, in Marseille is ze werkloos. Haar buren in Algiers waren 'naar de bergen gegaan' en een van hen wilde haar ontvoeren als zijn 'bruid'. 'En u weet wat ze met die bruiden doen. U hebt het programma toch wel gezien, met die vrouw die door de islamisten was ontvoerd en door 37 man verkracht?'

'Het programma' is een vier uur durende special over Algerije die de Frans-Duitse televisiezender Arte onlangs uitzond - onder Algerijnen in Marseille het gesprek van de week. 'Ik wilde feiten en geen speculatie', zei producent Daniel Leconte in interviews vooraf.

De quoi j'me mêle bestond uit drie documentaires en een debat met een tiental deskundigen. Een van hen was de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy, die Algerije begin dit jaar bezocht, daarvan verslag deed in twee grote artikelen voor Le Monde en inmiddels geldt als Europa's intellectuele geweten inzake Algerije.

Wie moordt er? Daar ging het bij de eerste documentaire om. Plaats van handeling was het dorp Raïs, waar in augustus honderden mensen werden afgeslacht. Getuigen en slachtoffers deden verslag van de gruwelijke gebeurtenissen. We zagen huilende vrouwen op de begraafplaats, kinderen die ondanks het geweld weer naar school gingen, en beelden van bombardementen op stellingen van de 'terroristen'. Ook kwam een vrouw aan het woord die door de islamisten was ontvoerd en als slaaf werd gebruikt. Ze was door 37 man verkracht. De wreedheden, luidde de conclusie, worden begaan door groepen religieuze fanaten, die de Koran zodanig interpreteren dat zij alle 'afvalligen' uit de weg mogen ruimen en verkrachten.

In Marseille zijn de gevluchte Algerijnse intellectuelen verheugd over de documentaire en de conclusie. Zij zien zich gesterkt in hun jarenlange strijd tegen de islamisten, die hen al vanaf midden jaren tachtig hun Franse taal en westerse cultuur proberen af te nemen en een 'theocratische staat' willen stichten. Dankzij Lévy en de Algerije-special hebben de éradicateurs (zij die het islamistische gevaar willen uitroeien) de Franse publieke opinie weer aan hun zijde.

'De mensen begonnen te twijfelen of het FIS inderdaad de aanslagen pleegde', zegt Yahia Bounnouar, journalist van het linkse Algerijnse dagblad Le Matin en twee jaar als vluchteling in Marseille. 'Men dacht dat het FIS een sociale beweging was. Men begreep niet dat het een fascistisch-terroristische organisatie is. Dat besef begint nu door te dringen.'

De in het Westen steeds vaker gehoorde beschuldiging dat het Algerijnse leger zelf achter een deel van de moordpartijen zit, wijst Bounnouar net als Lévy van de hand. 'Het leger is incompetent. Het kan de mensen niet beschermen. Sinds een maand of zes geven ze dat toe. Dat is een belangrijke verandering.'

De goed geïnformeerde Bounnouar schat dat er tussen twee- en vierduizend islamistische strijders zijn. 'Het zijn groepen van dertig, veertig man, die los van elkaar opereren. Door de verschrikkingen zijn ze de steun van de burgerbevolking kwijt, waardoor het steeds moeilijker wordt nieuwe strijders te recruteren. Ze doden nu iedereen die ze tegenkomen en trekken zich dan terug in de bergen. Ze zijn een soort sekte geworden, die de oorlog heeft verklaard aan de mensheid. Een sekte die handelt volgens het idee: ons gelijk tegen de rest van de wereld.'

De journalist weigert onderscheid te maken tussen het FIS en de GIA, de Gewapende Islamitische Groepen, op wier conto de massale slachtpartijen worden geschreven. 'Het gaat om dezelfde fascistische retoriek als door het FIS is geïntroduceerd. Het FIS is verboden en daardoor van het politieke toneel verdwenen, maar de retoriek is gebleven.'

Het terrorisme heeft volgens Bounnouar een tweeledig doel. In de eerste plaats hopen de islamisten dat de levensomstandigheden in Algerije zodanig verslechteren dat een sociale explosie onvermijdelijk is. De toestand leent zich voor een dergelijk scenario. Zeventig procent van de bevolking is jonger dan dertig. Er zijn 2,5 miljoen werklozen. En de trek naar de krottenwijken in overvolle steden is door de aanslagen versneld. 'De islamisten hopen op een snelle opstand', zegt Bounnouar. 'Maar ook proberen ze door de aanslagen de druk op de regering op te voeren om te onderhandelen.'

Op een paar kilometer afstand van de plek waar Bounnouar zijn analyse geeft, staat de grootste van de 23 moskeeën van Marseille, gesitueerd op de bovenste verdieping van een gebouw op de vlooienmarkt. Lange tijd was deze gebedsplaats het domein van Doudi Abdelhadi, een Algerijnse imam die in zijn vaderland bij verstek tot levenslang werd veroordeeld wegens steun aan de islamistische opstand van Mustapha Bouyali in de jaren tachtig en zijn betrokkenheid bij het FIS. Hij zou de gevangen, extremistische FIS-leider Ali Belhadj hebben onderwezen in de islam. Ook de Fransen achtten hem gevaarlijk. Hij werd gearresteerd en is nu na veel trammelant imam in de voorstad Vitrolles, waar hij minder kwaad kan aanrichten.

Doudi woont in een van de deprimerende noordelijke woonkazernes van Marseille. Hij ontvangt zijn bezoek in een met religieuze boeken volgestouwde werkkamer. Gezeten achter een bureau met vergulde randen is Doudi in alle opzichten het tegenbeeld van Bounnouar, die zo voor een Franse intellectueel kan doorgaan. Doudi heeft een baard, draagt religieuze kledij en spreekt alleen Arabisch.

'De wreedheden in mijn land zijn volgens geen enkele passage in de Koran te verdedigen. Ze zijn absoluut verboden. Het is heel slecht voor de islam dat de misdaden met de Koran in verband worden gebracht.'

Doudi's ogen draaien vreemd rond als hij spreekt, als bij een blinde. 'De islam staat voor vrede, solidariteit en samenwerking. Het woord democratie komt niet in de Koran voor, omdat de islam er eerder was dan de democratie. Maar als de meerderheid van de mensen voor een partij kiest, moet men zich daar bij neerleggen.'

Dat het FIS intellectuelen, journalisten en artiesten heeft vermoord, ontkent hij in eerste instantie. Dan: 'Misschien was het inderdaad het werk van het FIS. Maar die mensen werden twee, drie keer gewaarschuwd dat, als zij hun leven niet beterden, zij de kans liepen gestraft te worden. De GIA werken anders. Zij vermoorden links en rechts onschuldige mensen die dagelijks hun gebed opzeggen. Het kunnen niet de imams zijn die daar het bevel toe geven.'

Doudi ziet geen oplossing voor de Algerijnse crisis. 'Men weet niet wie wie doodt. Iedereen zegt iets anders. De GIA zijn criminelen die zelfs de aanhangers van het FIS vermoorden. Onderhandelen met het FIS is geen oplossing meer, want het FIS heeft niet meer de macht om het geweld te stoppen. Het geweld zal nog jaren doorgaan, net als het terrorisme in Spanje of Noord-Ierland.'

Tot zover de militaire strijd. We gaan terug naar de Algerije-special die de televisie uitzond, terug naar de politieke strijd. De tweede documentaire ging over de gemeenteraadsverkiezingen van november vorig jaar. Voor het eerst wordt op ondubbelzinnige wijze duidelijk hoe grof de autoriteiten met de uitslagen knoeiden. Voor het oog van de camera worden dozen met stembiljetten geopend en de inhoud veranderd, zodat de verliezende kandidaat van de regeringspartij plotsklaps winnaar werd.

'De vraag wie doodt wie, leidt de aandacht af van de werkelijke problematiek in Algerije', zegt Kaci Redjal in zijn kantoor in de oude stad van Marseille. Hij is een van de acht parlementariërs die door de Algerijnse gemeenschap in den vreemde zijn gekozen. 'De regering kan met hulp van het terrorisme regeren. Zij presenteren het als ''wij of zij'', de regering als enige alternatief voor de terroristen.'

Redjal, docent aan de universiteit van Aix-en-Provence, behoort tot de RCD, een kleine, maar invloedrijke modernistische oppositiepartij die door Bernard-Henri Lévy wordt geroemd als 'het democratisch alternatief'. De partij hoopt stemmen te winnen in de wijken waar het FIS altijd de grootste aanhang had. 'Wij krijgen daar steeds meer steun', zegt Redjal, 'want wij dragen de boodschap uit van democratie.'

Maar de democratische visie van de RCD is tamelijk beperkt, zeggen tegenstanders. Het was RCD-leider Said Saadi die de militairen in 1992 aanspoorde een staatsgreep te plegen om het FIS uit te schakelen. En het was Said Saadi die in 1994 de staat opriep de dorpsbevolking te bewapenen tegen het islamistisch gevaar. Dit heeft, beaamt Redjal, geleid tot onderlinge afrekeningen tussen clans en dorpen. 'Maar dat was anders toch gebeurd.' De partij staart zich volgens tegenstanders blind op uitroeiing van het islamistisch gevaar en werkt intussen samen met een frauderende regering. 'Het zijn valse democraten', klinkt het in Marseille onder opponenten.

Verkiezingsfraude is iets waarmee je voorlopig zal moeten leren leven in Algerije, werpt Redjal tegen. 'Maar voor het eerst kunnen wij nu onze ideeën op een nationaal podium ventileren. Bovendien zou een boycot marginalisering van onze partij hebben betekend. Wij verwerpen le pouvoir, maar doen dat in het parlement. Je verandert dingen niet zo snel.'

Redjal glimlacht om zijn eigen eufemisme. Achter het huidige bloedvergieten en de politieke impasse zit een lange, nauwelijks meer te ontrafelen geschiedenis van strijd en wraak. Honderddertig jaar fanatiek Frans kolonialisme, dat een totaal verfranste elite kweekte. Acht jaar bevrijdingsoorlog, waarbij een miljoen doden vielen. Vijfendertig jaar militaire dictatuur. Een eenheidspartij die geen oppositie duldde, die dissidenten de mond snoerde of liet vermoorden. Gedwongen arabisering en de import van fundamentalistische onderwijzers uit het Midden-Oosten, hetgeen enorme weerstand opriep bij de grote minderheid van Berbers met hun eigen taal en cultuur. De enige rode draad is een elite die steeds weer, en tegen iedere prijs, haar economische privileges heeft weten te behouden.

Iedere Algerijn heeft een tik gekregen van deze geschiedenis, die geen ruimte liet voor reflectie.

Tijdens het bezoek aan Marseille trekt een stoet beschadigde mensen voorbij, een Algerijnse versie van Dylans Desolation Row. Ze lijken verstrikt in hun wanhoop. 'Maar let wel, hier nemen ze nog enige afstand van de gebeurtenissen', zegt de Algerijnse gemeenschapsleider Salah Bariki. 'In Algerije niet.'

Kamar (38) was fotograaf en vluchtte twee jaar geleden voor zowel de islamisten als de autoriteiten. Zwaar getraumatiseerd kwam hij in Marseille aan. Daar werkt hij voor Radio Galère, een van de lokale zenders die programma's maken voor de Algerijnen. Kamar zit achter het glas van de studio opgewonden te schreeuwen. Hij wil dat de luisteraars reageren op de vraag of de Algerijnse regering 'moet oprotten' omdat zij haar burgers niet kan beschermen. Niemand belt. Kamar is pessimistisch. 'Het geweld is geen storm die weer overwaait. Het is een moesson, die steeds weer terugkeert.'

Mustapha (28) kwam zeven jaar geleden naar Marseille om er in de voetsporen van de wereldberoemde Khaled carrière te maken als raï-zanger. 'Ik wil alleen over muziek praten, niet over politiek', zegt hij in een kil café. Een hele avond bezoeken we Algerijnse muziektenten. Geen enkele keer zal Mustapha zelfs maar glimlachen. Niks wil hij kwijt over zijn manier van overleven in de Franse havenstad, niks over de situatie in zijn dorp bij Tiaret in West-Algerije, waar zijn familie nog altijd woont en waar ook hevig gemoord wordt.

Later maakt Bariki duidelijk dat Algerijnen ook in Marseille bang zijn. 'Ze hebben vaak nog familie in Algerije. Er lopen hier agenten rond van regering en islamisten. Een verkeerd woord hier en je familie of bedrijfje daar gaat eraan.'

Alili is natuurkundig onderzoeker. Hij volgde zijn opleiding in Frankrijk en ging in 1988 terug naar Algerije in de hoop dat de hervormingen van dat jaar ook werkelijk democratie zouden brengen. Hij hield het vier jaar uit. 'Ik zag met eigen ogen hoe de autoriteiten criminelen vrijlieten, hun wapens gaven en ze op demonstranten lieten schieten. Welke les trek je daar uit? Er zijn geen regels, er is geen orde.' Alili is voorstander van onderhandelingen met het FIS.

Je kunt niet met moordenaars onderhandelen, roept architect Sidi, die in 1994 naar Marseille vluchtte nadat twee van zijn collega's door het FIS waren vermoord. 'Het islamitisch fascisme begon al eind jaren zeventig. Het was als onder de nazi's in Duitsland, of hier met het Front National van Le Pen. Ze pakten alles aan wat niet strookte met hun ideeën. Theaterstukken werden verstoord, regisseurs vermoord. We moeten ook niet met de gematigde islamisten onderhandelen.'

Zelfs ongestoord eten lukt niet. Abdelkader, de eigenaar/kok van het restaurant komt ongenood aan onze tafel zitten. Na de complimenten voor zijn couscous in ontvangst te hebben genomen, steekt hij een lang betoog af over de verrotte, corrupte Algerijnse samenleving, over het totale gebrek aan democratie, over hoe de vermoorde president Boudiaf in 1992 vele duizenden aanhangers van het FIS in concentratiekampen in het zuiden van het land liet stoppen.

'Ja meneer', zegt hij met een treurige glimlach, 'ik was zelf in 1990 ook gekozen tot gemeenteraadslid van het FIS. In 1993 ben ik gevlucht. Drie dagen geleden zijn de militairen midden in de nacht het huis van mijn familie in Algiers binnengevallen. Het houdt nooit op.'

Onvermijdelijk komt het gesprek op de vier uur durende Algerije-special. 'Heeft u hem ook gezien? Hij gaf een totaal vertekend beeld, meneer', zegt hij en vervalt wederom in een lange tirade.

Net als alle anderen laat Abdelkader het na te praten over de derde documentaire van die uitzending, La Traversée de la nuit. Die ging over vergiffenis en verzoening.

Fred de Vries

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden