De privatisering van domineesland

'G OD IS IN': dat waren de, achteraf beschouwd, tamelijk onheilspellende woorden waarmee de directeur van de stichting CPNB verleden voorjaar het thema van de Boekenweek 1997 motiveerde....

Wat dat behelsde, of het al lang zo was of dat het hier om een nieuwigheidje ging, of we ons er zorgen over moesten maken of dat we er ons juist over mochten verheugen, was de regering verwittigd en, zo ja, kwamen er kamervragen, kon het kwaad, werden we er wijzer van: het bleef allemaal onvermeld. Ook de vraag welke God het hier betrof - want geletterde mensen weten dat de ene God de andere uithaalt - werd al meteen weggewimpeld, eenvoudig door de opsomming van de talrijke manifestaties en verschijningsvormen waarin God zich voordoet en waaruit zijn in-zijn blijkt. Zelfs over de uitspraak van dat 'Mijn God', die althans enig licht op de ernst van het thema had kunnen werpen, bleven we in het ongewisse - maar dat ongewisse hoort, geloof ik, bij de godsdienst als muziek bij een rouwplechtigheid: niemand weet precies waarom, maar zonder gaat het niet. Misschien is alle godsdienst juist de cultivering van het ongewisse.

Of het in de Boekenweek van 1997 dus zou gaan om de aan lichte verbijstering of wanhoop grenzende verbazing, zoals die opklinkt wanneer je 'Mijn God' uitkrijt als het Engelse 'My God!', of dat het louter de verzuchtende stoplap van 'Mijn God' zou zijn die je ontsnapt wanneer je je nieuwe vriendin bij je thuis op de bank aantreft, gezellig aan de thee met een eerdere minnares, of dat het hier een uitroep van volslagen machteloosheid zou betreffen - 'Mijn God', hoe geef je dat typografisch aan? - of juist om de welgemeendheid van de eerste woorden uit de dramatische volzin 'Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?', of desnoods om het timbre van de in 1584 uitgestoten famous last words 'Mon Dieu, Mon Dieu ayez pitié', of om een formule op de zacht ruisende en spetterende preveltoon van Huub Oosterhuis, of daarentegen om de aanzienlijk krachtiger bezwerende toon van Andries Knevel, met een beetje een zwieper omhoog naar het eind - niemand zal het ooit weten. Mijn God, want is God in: alleen al de manieren waarop je zijn naam kunt gebruiken getuigen ervan.

Nu moet je er natuurlijk altijd voor waken de opgaaf van redenen van de middenstand voor waar te houden: als zo'n reclameman roept dat God in is, dan is dat zeker niet meer dan een ideetje, en vermoedelijk zelfs een simpele list om de verkoop van zijn waren te bevorderen. Of God werkelijk 'in' is, of dat het er slechts om ging de teruglopende omzetcijfers van de theologische uitgeverijen en het Nederlands Bijbelgenootschap een zetje te geven, dat moeten de feiten maar uitwijzen.

Inmiddels - het Boekenbal achter de rug, het geschenk en het essay beide uit en alweer haast vergeten - zijn die feiten ampel voorhanden: zelden zal een thema van een Boekenweek al op voorhand zoveel gekrakeel hebben veroorzaakt. De zondvloed van speciale uitgaven en uitgaven die om thematische redenen werden opgeschort tot het begin van de Boekenweek is voor geen lezer, voor geen boekverkoper en zelfs voor geen krantenredactie meer in te dammen.

Dat kan op zichzelf nog een geval van self-fulfilling prophecy zijn - de uitgeverijen doen doorgaans braaf wat van hen verwacht wordt - maar wat meer zegt is de onvoorstelbare reeks thematische publieksmanifestaties-met-auteurs waarvan de aankondigingen lezers, schrijvers en journalisten dezer dagen overstelpen. Van Bathmen tot Schiedam, van Groningen tot Heerlen, overal zullen ze plaatsvinden, de lezingen en de debatten, de publieke ondervragingen en de gedachtenwisselingen met de zaal, op initiatief van boekverkopers, bibliothecarissen, leesgezelschappen en niet in de laatste plaats predikanten van Samen-op-Weg-gemeenten. Het zaad van het thema is kennelijk in vruchtbare aarde gevallen, want naast de boekverkopers zijn het vooral de lezers die erop reageren - en uiteindelijk zijn zij het die zo'n onderwerp gewicht kunnen verlenen.

God is in, of liever gezegd: het in groepsverband praten over God is in, in ieder geval tijdens de Boekenweek.

De vraag is hoe dat komt.

Want er zit ogenschijnlijk iets strijdigs in die populariteit Gods. Het land dat ooit bekend stond als een 'christelijke natie', die geregeerd werd 'bij de gratie Gods', is de afgelopen 25 jaar drastisch ontzuild en al even grondig ontkerstend. Het grote belang dat het christelijk geloof er eeuwenlang heeft ingenomen, van de huiskamer met de familiebijbel op de schoorsteenmantel tot het dorpsplein met de kerk erop, van het 'God zij met ons' op de rand van zijn munt tot de jaarlijkse bede aan het einde van de troonrede, is, zeker in het publieke domein, voorgoed verleden tijd.

Gereformeerden en hervormden, die elkaar een kwart eeuw geleden nog het alleenrecht voor Nederland en Overzeese Gebiedsdelen bestreden op de juiste interpretatie van Zijn woord en de wijze waarop dat tijdens de godsdienstles aan de jeugd moest worden opgelepeld, zijn over het gehele land inmiddels 'samen op weg' en in een enkele plaats al volledig gefuseerd. Het gemengd katholiek-protestantse huwelijk, met bi-religieuze inzegening door collegiaal opererende dominee en pastoor, is een zaak waarvan we hooguit opkijken omdat we er niet meer aan gewend zijn dat iemand zijn huwelijken überhaupt nog laat inzegenen. De triomf van het CDA-gevoel, dat staaltje van samensmelting van elkaar voordien tot op het bot bevechtende zuilen, heeft inmiddels al plaats moeten maken voor de totale ontreddering van datzelfde CDA-gevoel.

En dat alles in het tijdsbestek van een kwart eeuw, na ruim vier eeuwen gekissebis, haarkloverijen en kerkscheuringen over futiliteiten als de feitelijke welbespraaktheid van de slang in het paradijs (kwestie Geelkerken, 1926) of de precieze functie van het heilig avondmaal (kwestie Schilder, 1944), vier eeuwen die Nederland de kleurrijkste kerkelijke kaart ter wereld hadden opgeleverd - een kaart waarop de Ledeboerianen evenzeer een plaats onder de zon hadden als de Geknookte Rieters, al gunden ze elkaar die plaats dan ook nauwelijks.

Ontzuild en ontkerstend. In een van de nummers in de afgelopen jaargang van het tijdschrift voor neerlandici, Literatuur, vertelde de Leidse hoogleraar Frits van Oostrom met een mengeling van geamuseerdheid en verbijstering over de proporties die de ontkerstening heeft aangenomen en de gevolgen daarvan voor het doceren van zijn vak, de Middelnederlandse letterkunde. Als hij zijn studenten vraagt de tweetallen 'Adam en . . .', 'Mozes en . . .', 'David en . . .' of 'Amram en . . .' af te maken, leidt dat in talrijke gevallen tot ontzagwekkende verbouwereerdheid.

De ouders van die studenten, of in elk geval hun grootouders, met veelal slechts lagere school, hebben op de wekelijkse catechisatie Zondag 1 tot en met Zondag 52 nog van buiten moeten leren, mitsgaders de namen der bijbelboeken, richteren, koningen en profeten Israëls - maar die universitair studerende kleinkinderen mag je eerst diets maken wat bijbelboeken, richteren, koningen en profeten in Jezusnaam zijn.

Neerlands Israël, zoals het zelfbewuste gelovige volk van de Nadere Reformatie zich wenste aan te duiden, is in cognitief opzicht definitief verleden tijd. Wat er in religieus opzicht nog van over is, heeft zich teruggetrokken in de vaderlandse poliobelt of binnen de veilige contouren van een EO-lidmaatschap. De instituties hebben hun deuren open moeten gooien en wie daar niet aan mee wenste te doen, verblijft inmiddels in een bunker.

Een ritje naar het platteland op de vroege zondagmorgen, die op dat uur voor de meesten van ons nog de late zaterdagavond is, toont de treurige restanten van de godsvrucht van weleer: schamele aantallen gelovigen, veelal van respectabele leeftijd, samengeklonterd op de voorste banken van een veel te groot godshuis, bedremmeld luisterend naar holle klanken in holle ruimten. De tweede kerkdienst op de middag is op de meeste plekken reeds lang geleden afgeschaft.

Her en der staan de pastorieën, die architectonische bakens van burgerlijke deugdelijkheid in de overigens voornamelijk agrarische dorpen, leeg, of ze zijn omgebouwd tot jeugdhonk, dorpshuis of buitenhuis voor de kapitaalkrachtigen. In de provinciesteden is menige kerk gevallen voor de sloopkogel, of inmiddels omgetoverd tot appartementencomplex voor jonge rijken met geen benul van de oorsprong van het gebouw waarin ze wonen. In de enige traditionele kerk die het in de stedelijke omgeving nog leek te redden, de Amsterdamse Westerkerk, voorheen van dominee Nico ter Linden, maken ze tegenwoordig bonje over de kwaliteit van de performance die zijn opvolger er biedt.

Maar zo slecht het de kerken gaat, zo goed gaat het de godsdienst en vooral de godsdienstigheid. Zij het ook in geprivatiseerde toestand, en met het karakter van besloten intimiteit waarbij de beleving en bespreekbaarheid van de seksualiteit een publieke zaak is, gedijt het geloof in allerhande Jezussen, profeten uit oost en west, bomen, dolfijnen en speciale massagetechnieken. Iedereen kent de voorbeelden van gezonde jongedames die zich ineens ontpoppen als eigentijdse mystica's, sportieve vrienden met hals over kop uitgevoerde besnijdenissen en trouwe vrijdenkers die er van de ene op de andere dag rituelen en moraliteiten op na blijken te houden.

E N ANDERMAAL is het de vraag waarom.

'Religies zijn, hoe de waardering ervan ook uitvalt, een gegeven', schrijft de gereformeerde theolooog H.M. Kuitert in het boekje dat hij voor deze Boekenweek schreef, Aan God Doen. 'Hoe ze ontstaan, waarom ze zo hardnekkig voortbestaan, zelfs in de vorm van 'aan god doen' - dat wil zeggen: als religie die over de rand van de container waarin ze vervat was, heenspoelt - is een daaraan ondergeschikte vraag. De aanwezigheid van geloof en religie hangt niet van het al of niet slagen van een verklaring af.'

Kuitert is de man die het hele afkalvingsproces van de geïnstitutionaliseerde godsdienst in Nederland niet alleen heeft meegemaakt, maar dat in zekere zin ook begeleid heeft. Hij was, eind jaren zestig, begin jaren zeventig, de gesel van het gereformeerde volk van mijn jeugd, dat, ondanks alle ruzies over de exacte uitleg van om het even welke bijbeltekst, gemoedelijk voortleefde in het bewustzijn het nu al vijf eeuwen bij het rechte eind te hebben. Van de kerkhervormer Calvijn, midden zestiende eeuw, tot de theoloog en scheuringmaker G.C. Berkhouwer, auteur van een reeks Christelijke Dogmatiek, waar bijkans ieder jaar een nieuw deeltje aan werd toegevoegd over onderwerpen die inmiddels een licht esoterische indruk zullen maken, liep een rechte, ononderbroken lijn.

Het was de lijn die bepleitte dat godsdienst een zaak van instituties en leerstelligheden was en dat je uit moest kijken met al te persoonlijke godsbelevenissen. De openbaring Gods was een eenmalige aangelegenheid, die zich voltrokken had aan de vooravond van de publicatie van de Heilige Schrift; sedertdien waren er abstracte redeneringen nodig om Hem nog te betrappen.

Directe godsdienstige waarnemingen, dat was meer iets voor de katholieken, die her en der familieleden of ijverige pleitbezorgers van God zagen opduiken - al hadden ook zij hun systematiek om de authenticiteit van al die private manifestaties van godsdienstigheid te rechtvaardigen.

Bij Kuitert was het indertijd met ieder nieuw boek raak: hij benoemde wat in harten vol aanzwellende twijfel nog angstig werd weggedrukt, hij gaf naam aan gedachten die anderen nauwelijks durfden denken en hij forceerde daarmee een breuk tussen de instituties van de godsdienst, die een leer verkondigden die op machtsstructuren was gebaseerd, en de directe religiositeit van de gelovigen die zo hun particuliere ervaringen hadden. In die zin is hij altijd veel meer geweest dan een theoloog: hij beschreef wat hij in het religieuze gedrag en beleven van mensen zag gebeuren, en door dat te beschrijven oefende hij invloed uit op de ontwikkeling van dat gedrag. Hij heeft verwoord wat de gelovigen voelden maar nog niet durfden zeggen.

In die zin is Aan God Doen een apotheose van al zijn eerdere werk en een diagnose van wat er met de gelovigheid in Nederland in die kwart eeuw is gebeurd. Hij spreekt nog ten dele in van die bijna genante domineesparadoxen - 'alles wat wij over boven zeggen, komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - maar doordat ze zo meedogenloos scherp zijn in hun analyse van de schijnrechtvaardigingen van de traditionele godsdienst, zijn ze effectief.

Het intrigerende is dat Kuitert weliswaar met grote instemming het afsterven van de grote kerkelijke instituties bespreekt, van de gevolgen die zij met hun aanmatigende toon hebben moeten ondervinden, maar tegelijkertijd de totale privatisering van de godsdienstigheid tot een gekoesterde reeks ervaringen en beelden een onmogelijkheid acht.

Wie voor de gelegenheid niet alleen zijn boek ter hand neemt, maar ook het fraai uitgevoerde en eclectische Grondleggers van het geloof, ziet in de historische overzichten van de aanpak van de grote godsdienststichters dat Kuitert daarmee op de essentiële dynamiek van alle geloofssystemen stuit: de onmogelijkheid om een geloof op andere gronden dan persoonlijke voorkeur, aanleg of ervaring te baseren, die vreemd genoeg gepaard gaat met het even hardnekkige onvermogen die godsdienstigheid geheel op eigen kracht, onafhankelijk van anderen te beleven. Zelfs de heremieten van de vroege christenheid en van het hindoeïsme meldden zich af en toe in de gemeenschap waartoe ze behoorden: anders hebben al hun inspanningen geen effect.

'Het persoonlijke, de ervaring, drukt zich uit in het algemene, de kerkleer', schrijft Kuitert, 'en ervaring heeft interpreterende kaders nodig om ervaring te zijn.' Ook Wouter Hanegraaff wijst in zijn New Age Religion and Western Culture op de wonderlijke neiging in godsdienstig getinte levensbeschouwingen zichzelf te institutionaliseren. Waar in het domineesland het beeld van totale versplintering, van volledige privatisering zich opdringt, zoeken degenen die de meest particuliere sensaties van spiritualiteit tot hun godsdienst hebben benoemd, elkaar op. Geen enkele kerk zal, eenmaal gesloten, haar deuren opnieuw openen, of het moest zijn omdat er zich een tapijthal in vestigde. Maar het lijkt bij de godsdienstigheid te horen dat er wel iedere keer nieuwe kerken en nieuwe soorten kerken bijkomen.

Deze week is dat de congregatie van de CPNB.

H.M. Kuitert: Aan God Doen.

Ten Have; 74 pagina's; ¿ 4,95.

ISBN 90 259 4692 5.

H.L. Beck e.a.: Grondleggers van het geloof - De levensverhalen van Mozes, Boeddha, Jezus en Mohammed. Prometheus; 288 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 5333 281 2.

Wouter J. Hanegraaff: New Age Religion and Western Culture. Esotericism in the Mirror of Secular Thought.

Brill; 580 pagina's; ¿ 80,-.

ISBN 90 04 10696 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden