'De politiek is dood. Leve de politiek!'

Jean-Paul Sartre terroriseerde het Franse intellectuele debat na de oorlog - en pleegde een aanslag op de politiek. Net als twee generaties filosofen na hem....

'BEWONDERING voor hun retorisch talent.' Dat compliment wil de 26-jarige historicus en filosoof Luuk van Middelaar nog wel geven aan de drie generaties politieke filosofen die Frankrijk sinds de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. Maar daarmee houdt zijn lof ook wel op.

Van Middelaar zet in zijn boek Politicide (uitg. Van Gennep) de naoorlogse Franse intellectuele elite in de beklaagdenbank - van Jean-Paul Sartre via Michel Foucault tot Bernard-Henri Lévy. En veroordeelt hen. Omdat zij allen, met uiteenlopende motieven, een aanslag hebben gepleegd op de politiek - ofwel door te zwichten voor totalitaire verleidingen (Sartre) ofwel door zich te verliezen in defaitisme (Lévy).

Wie de politiek wel een warm hart toedraagt, zoals Alain Finkielkraut, krijgt het verwijt met zijn rug naar de toekomst te staan. Slechts de relatief onbekende denker Claude Lefort ontloopt de guillotine waaronder de Franse filosofische wereld bij Van Middelaar terechtkomt. Lefort levert in Van Middelaars meeslepende betoog een optimistische wending die hem in de beste Franse revolutionaire traditie doet uitroepen: 'De politiek is dood, leve de politiek!'

Niettemin is de overheersende indruk die 'Politicide' achterlaat er een van een afrekening in Frans intellectueel milieu. Uitgevoerd door een pas afgestudeerde filosoof-historicus uit Groningen, die in het gesprek schuchterder blijkt dan zijn scherpe argumentatie doet vermoeden. Aan de vooravond van een tweejarig verblijf in Parijs vertelt Van Middelaar, aan wie onlangs de Prix de Paris werd toegekend, over zijn boek: hoe de regicide van de Franse Revolutie die de koning zijn kop kostte, gevolgd werd door een politicide, een aanslag door Franse filosofen op de politiek.

- Wat bracht u ertoe de Franse intelligentsia tot mikpunt te nemen - was u aanvankelijk niet vooral onder de indruk van die grote Franse geesten?

'Ik heb een jaar in Parijs gestudeerd en liet me toen ook wel meeslepen door iemand als Bernard-Henri Lévy, de beroemdste en in ieder geval meest mediagenieke filosoof van dit moment, die met zijn retoriek over de oorlog in Bosnië bomvolle zalen plat kreeg. Voor die sterke verbale cultuur van de Fransen was ik wel gevoelig, maar vervolgens ga je hun teksten op papier lezen en hun ideeën met een zekere nuchterheid bekijken.

'Ik vind dat de Fransen wel wat meer ironie en zelfspot kunnen gebruiken. Wat ik aanvankelijk zocht, was het antwoord op de vraag: wat is politiek eigenlijk? De naoorlogse periode in Frankrijk is daarvoor spannend, omdat er veel meer dan in andere landen over de fundamentele, politiek-filosofische vragen is nagedacht. De Franse denkers hadden in die jaren een wilde frisheid, iets wat je bijvoorbeeld niet in Duitsland aantreft, waar filosofen sinds de Tweede Wereldoorlog worstelen met schaamte en schuld, en wat je ook niet aantreft bij de overwinnaars Engeland en de Verenigde Staten omdat hun politieke systeem uitstekend had gefunctioneerd.

'Maar de Fransen hadden vanwege het Vichy-bewind wel alle reden de vraag te stellen: hoe heeft het zover kunnen komen? Bovendien zijn zij sinds de Franse Revolutie al gefascineerd door radicale methoden om via de staat een nieuwe maatschappij te creëren. Dat is een heel andere benadering dan die van de Britten en de Amerikanen, die de staat juist als een gevaar beschouwen en daardoor veel minder van de politiek verwachten.'

- U verwijt drie generaties, de marxistisch existentialisten (1945-1960), de neo-nietzschianen (1960-1975) en de neo-kantianen (1975-1989) dat zij een aanslag op het bedrijven van democratische politiek hebben gepleegd zonder zich er rekenschap van te hebben gegeven dat zij hun vrijheid zich te uiten te danken hebben aan de democratie. Dat voert u terug op hun a-historische opstelling. Maar hoe kan het dat intellectuelen na de belangrijkste historische gebeurtenis van deze eeuw, de Tweede Wereldoorlog, zich a-historisch zouden opstellen?

'De belangrijkste Franse intellectuelen na 1945 waren marxisten, met Sartre voorop. Die terroriseerde het intellectuele milieu met uitspraken als: ''Een anticommunist is een hond.'' Het was niet voor niets dat hij beroemd werd in 1945, want het grote thema van zijn filosofie is bevrijding; de krant Libération heeft hij opgericht.

'Voor Sartre is de mens niets, leeg, le néant, en moet hij voortdurend kiezen wie hij wil zijn. Als je denkt dat je dat niet zelf kan, omdat je je te houden hebt aan een moraal of een God, dan krijg je van Sartre de wind van voren, want dan beschuldigt hij je van kwade trouw, mauvaise foi. Ook verwijzingen naar omstandigheden buiten jezelf, een moeilijke jeugd of geldgebrek, zijn in de ogen van Sartre onvoldoende excuus, want voor hem ben je altijd vrij.

'Dat was na 1945 een enorm aansprekende filosofie, want er waren genoeg mensen die naar zo'n radicale breuk met het verleden verlangden. Met Auschwitz, met het Vichy-bewind, maar ook met de vorige generatie - dat sprak enorm aan. Maar het was wel erg radicaal, want wie niet meedeed, kreeg dat verwijt van kwade trouw. En wat Sartre over individuen zei, trok hij door naar staten - revolutie en bevrijding zijn de sleutelbegrippen in zowel zijn psychologische als zijn politieke ideeën. Ook staten moeten voortdurend die radicale breuk forceren, zonder rekening te houden met hun aard of geschiedenis. Dat is een a-historische opstelling.'

- En ook een opstelling zonder enige bescheidenheid over wat de politiek, of de staat, vermag.

'Bescheidenheid is wel het laatste wat je bij Sartre aantreft. Hij steunde iedere revolutionaire beweging of wat daar voor doorging - in de Sovjet-Unie, China en Cuba. Tot 1975 is de basismisser van Franse intellectuelen geweest de gelijkstelling van revolutie aan bevrijding. Die erfenis van de Franse Revolutie zit diep in de Franse politieke ziel verankerd. Iemand als Raymond Aron heeft geprobeerd dat misverstand recht te zetten, maar vond Sartre tegenover zich. Pas in de jaren zeventig gingen de ogen open door toedoen van de Goelag Archipel van Solzjenitsyn. Dat boek kwam als een schok, omdat voor de Franse intellectuelen toen pas onontkoombaar duidelijk werd waar een revolutie op kan uitdraaien.

'Een tweede basismisser was de gedachte dat er geen principieel verschil zou bestaan tussen de democratieën hier en de totalitaire regimes in Oost-Europa. De Russische arbeider mag niet naar het buitenland, maar de Franse arbeider kán daar niet naar toe, want hij heeft geen geld, schreef Sartre. En ook de neo-nietzscheaan Foucault heeft er in zijn beroemde boek over het gevangeniswezen, Surveiller et punir, een handje van te suggereren dat de Goelag Archipel in feite ook in het Westen zou bestaan. Hij spreekt over de Gevangenis Archipel, een behoorlijk linke vergelijking in de jaren zeventig. Hij zegt dat hij die parallel tussen Oost en West niet wil trekken, maar doet het in feite toch.'

- Werd met dat geloof in, of het vergoelijken van, totalitaire oplossingen niet zozeer een aanslag op de politiek gepleegd als wel op de democratie?

'Ja, dat klopt. Wat in mijn boek misschien niet helemaal duidelijk naar voren is gekomen, is dat het mij om een aanslag op democratische politiek gaat, de moderne politiek die met de Franse Revolutie werd geboren. Ik had mijn boek ook Democraticide kunnen noemen. Maar dat bekte niet zo lekker.'

- De 'nieuwe filosofen' beginnen onder aanvoering van Bernard-Henri Lévy, na verschijning van de Goelag Archipel, midden jaren zeventig met de ideologische schoonmaak van intellectueel Frankrijk. Maar ook zij deden het in uw ogen niet goed, want u schrijft: 'Uit smetvrees spoelden zij badwater en kind door hetzelfde putje weg.' Hoe dat zo?

'Zij waren zo geschrokken van de Goelag dat zij iedere vorm van politiek bedrijven, associeerden met totalitarisme. Tegenover iedere vorm van actie toonden zij zich argwanend. In de jaren zestig waren zij nog veelal revolutionaire activisten geweest, maar onder invloed van de Goelag wilden zij af van het idee van de politiek als strijd, zoals Sartre en Foucault dat aanhingen. Die breuk was op zichzelf wel te prijzen, maar het gevolg was wel dat zij alleen nog maar, zoals Bernard-Henri Lévy het eens heeft uitgedrukt, 'als ratten in een ruïne' wilden wegkruipen.

'Kluizenaar worden, de woestijn intrekken, je terugtrekken uit de politiek en uit elke vorm van collectief leven - dat soort ideeën werd bij hen populair. Na het mislukken van hun revolutionaire projecten zie je een vlucht in het spirituele, in het nadenken over je eigen zielenroerselen en in een gemakzuchtige 'ik ben oké, jij bent oké'-filosofie. In politiek opzicht komen ze niet veel verder dan een neo-kantianisme; er zijn bepaalde morele idealen, de mensenrechten, die de moeite waard zijn zonder enige aandacht voor de praktijk. Nadenken over de politiek wekt bij hen vooral machteloosheid op.'

- Iemand als Alain Finkielkraut verzet zich daartegen en blaast in de jaren negentig het begrip politiek burgerschap, de burger als 'citoyen', weer nieuw leven in - opdat mensen als vrije en gelijke burgers dankzij de politiek hun leven vorm geven. Dat lijkt een nobel streven, maar u doet het af als 'een nostalgische beweging'. Wat is er aan het fraaie ideaal van politiek burgerschap nu weer niet goed?

'Het is een prachtig ideaal, maar ook een oud ideaal. Het past bij de Republiek zoals die na de Franse Revolutie ontstond, maar het is in onze samenleving niet meer haalbaar. Neem de dienstplicht: vroeger was men bereid voor de staat, pour la patrie, te sterven. Dat was een centrale gedachte in het republikanisme, de stroming waartoe Finkielkraut wordt gerekend en die steeds nationalistischer trekken begint aan te nemen.

'Maar nu is niemand meer daartoe bereid en hebben we de dienstplicht afgeschaft en een beroepsleger gekregen. Finkielkraut is nostalgisch in zijn een van zijn bekende cultuurpessimistische tirades tegen moderne zaken als Internet en popmuziek. Ik vind het terecht dat hij zich verzet tegen neo-kantianen als Lévy; zijn kritiek is dat we geen politieke gemeenschap kunnen vormen wanneer we alleen maar morele idealen, de mensenrechten, en materiële belangen, de economie, nastreven. Want daarmee alleen houd je de wereld niet bij elkaar.

'Dat is allemaal steekhoudende kritiek van Finkielkraut, maar hij houdt er onvoldoende rekening mee dat de wereld veranderd is, hij staat met zijn rug naar de toekomst. In de bekende kwestie van de islamitische hoofddoekjes was hij het bijvoorbeeld eens met de rechter die vond dat die drie moslimmeisjes niet met een hoofddoekje naar school mochten. Finkielkraut kon zich daar erg over opwinden: symbolen van de islam, in naam waarvan in Algerije werd vermoord en verkracht, hoorden niet thuis op Franse scholen. In zijn ogen moet de burger zijn niet-politieke identiteit afleggen op het moment dat hij naar school gaat om daar de identiteit van een volwaardig politiek Frans burger, van een citoyen, te verwerven.

'Dat gaat erg ver, want mensen voelen zich natuurlijk wel degelijk ook op school vrouw of moslim of homoseksueel. Ook houdt hij op geen enkele manier rekening met de werkelijkheid van de Franse buitenwijken - er zijn hele scholen met alleen maar moslimleerlingen. Zijn rigide houding lijkt me eerder contraproductief voor integratie, want je roept er vooral verzet mee op. In mijn ogen komt het voort uit angst voor al het nieuwe.'

- Als ridder op het witte paard voert u de relatief onbekende denker Claude Lefort op. Anders dan de voorgaande generaties legt hij vooral de nadruk op hoe de politiek feitelijk werkt. Hij doet een beroep op Machiavelli, die een onderscheid maakte tussen 'aanzienlijken', zij die macht willen uitoefenen, en 'het volk', dat niet onderdrukt wil worden. Een tegenstelling die volgens hem almaar zal voortduren. Maar is die tweedeling tussen aanzienlijken en volk niet achterhaald - wel leuk voor vijftiende-eeuwse stadstaatjes, zoals in de tijd van Machiavelli, maar niet meer van toepassing op onze maatschappij?

'Natuurlijk, maar het doet er niet wezenlijk toe of het een tweedeling is of een tweehonderddeling. Het gaat om maatschappelijke tegenstellingen in het algemeen. Lefort gelooft niet in het oude, marxistische ideaal van de opheffing van die tegenstellingen door klassenstrijd, of in een Kantiaanse eeuwige vrede. Conflicten moeten volgens hem blijven bestaan en geven de democratie juist haar kracht.

'Politiek is er om in die conflicten te bemiddelen - in de tijd van Machiavelli deed de vorst dat en nu zijn dat politici die we eens in de vier jaar kiezen. Bovendien wijst hij erop dat politiek meer is dan strijd; er is bij mensen ook behoefte aan representatie, aan beelden waaraan je je kunt spiegelen. Mensen willen toch ergens in geloven. Lefort neemt een aantrekkelijke middenpositie in tussen de overmoed van Sartre en de totale machteloosheid van de intellectuelen van na 1975. Vandaar mijn kreet: de politiek met een grote P is dood, leve de politiek met een kleine p. Dat is overigens meer een aanmoediging dan een constatering.

- Hoe verhoudt die oproep zich tot de tijdgeest waarin Paars regeert en waarin de politiek soms niet meer is dan het technocratisch afhandelen van 'dossiers'?

'Ik verdedig geen plat realisme en geen technocratisch poldermodel. Wat er met Paars gebeurt, is ook een soort einde van de politiek, waarbij alle vertrouwen wordt gesteld in experts en economen. De politiek wordt gereduceerd tot een gevecht om geld - zelfs nu het zo goed gaat.

'Het gevaar is dan dat mensen gaan denken: waarom benoemen we niet meteen Duisenberg tot president van Europa? Dat is toch een gevaarlijke gedachte, want de politiek heeft een symbolische, bindende kracht die een bankier niet heeft. Paars doet alsof politieke beslissingen technocratische daden zijn; daarmee geeft de politiek zichzelf weg. De staat is er om openlijke keuzes te maken in de bestaande belangentegenstellingen. Cijfert de politiek zichzelf te veel weg ten gunste van de economie, dan bestaat het risico dat vitale overheidstaken worden geprivatiseerd en alleen het recht van de sterkste overblijft.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden