Interview Ines ten Berge

‘De pijn van ongewenste kinderloosheid gaat nooit helemaal over’

Beeld Lonneke van der Palen

Documentairemaker Ines ten Berge (49) dacht altijd dat het ergste verdriet om haar kinderloosheid wel voorbij zou zijn als ze tegen de 50 liep. Maar dat was niet zo. Toen ze voor haar film Heb je kinderen? tegen een Finse fertiliteitsarts aanliep die haar nog kon helpen, laaide de hoop weer op.

‘‘Waarom ga je in godsnaam de camera op jezelf richten?’, vroeg een vriendin. ‘Je wil toch geen slachtoffer zijn, of een beroepskinderloze?’ Nee. Dat ben ik ook niet. Ik ben televisiemaker, en mijn persoonlijke verhaal staat voor dat van heel veel vrouwen, daarom vond ik het legitiem om mezelf als uitgangspunt te nemen voor mijn documentaire Heb je kinderen?. Mijn worsteling met mijn kinderloosheid is niet particulier. Een op de vijf vrouwen in Nederland blijft kinderloos, en dat is lang niet altijd een bewuste keus. In Duitsland is het zelfs al een op de drie. Daar zijn allerlei oorzaken voor: vrouwen maken eerst carrière voordat ze aan kinderen beginnen. Relaties zijn onbestendiger; is het niet leuk meer, dan los je het niet op, maar ga je uit elkaar. En zo ben je op een dag een dertiger met een goede baan, maar zonder man en zonder kind – precies hoe mijn leven is gelopen. Maar alles is maakbaar, hè. Dus dat kind, dat ga je krijgen, er is zo veel mogelijk: ivf met donorsperma, eiceldonatie, een draagmoeder zelfs, al dan niet via een kliniek in Spanje of Moskou, alles is te koop. En lukt het uiteindelijk toch niet, dan is er altijd de onuitgesproken vraag die je soms door voelt klinken in de reacties van anderen, maar waarmee je vooral jezelf lastigvalt: maar heb ik er dan wel álles voor overgehad om een kind te krijgen? En mag ik wel zo veel verdriet hebben als ik niet tot het uiterste ben gegaan?’

Zwarte piste

‘Als klein meisje wist ik één ding zeker: later zou ik moeder worden. Ook journalist of fotograaf of dierenarts, dat kon nog alle kanten op, maar kinderen wilde ik in elk geval. Ik groeide op in Enter, een katholiek dorp in Twente, met drie oudere broers. Tussen de eerste en de tweede zat slechts twaalf maanden. Dat ze daarna aan de pil kon, was een uitkomst voor mijn moeder. Voorkómen dat je zwanger wordt, daar lag de nadruk op bij de seksuele voorlichting van mijn generatie in de jaren tachtig. Een slimme meid was op haar toekomst voorbereid. Daarmee werd niet bedoeld dat je je kinderen op tijd kreeg, nee, juist niet, die kinderen kwamen wel, ooit. Eerst een studie kiezen, een goede baan vinden, carrière maken. We weten nu waartoe dat kan leiden. Op een dag ben je te laat.

Beeld Lonneke van der Palen

‘Ik had al twaalf jaar een relatie, vanaf mijn 18de, toen mijn vriend en ik het gingen proberen; ik wilde een kind. Mijn vriend, tien jaar ouder, twijfelde misschien zelfs toen nog wel – na een paar maanden werd hij verliefd op een ander. Die timing was geen toeval. Als je samen een kind hebt, wordt het immers een stuk lastiger om uit elkaar te gaan. Dat moment is hij vóór geweest. Het wrange is: hij heeft nu twee kinderen. Een man heeft het wat dat betreft makkelijker; hij had nog alle tijd.

‘Ik niet, ik was inmiddels begin 30 en alleen. Ik werkte hard in de televisiewereld, waar ik begon als redacteur bij ontbijt-tv en al snel adjunct-eindredacteur werd, dus ik had genoeg om handen, maar mijn kinderwens was wakker, die liet zich niet meer ontkennen. Toen ook mijn volgende relatie sneuvelde, een relatie die twee jaar duurde en waarvan ik diep in mijn hart al die tijd wist dat het niet goed zat, besloot ik: ik ga het alleen doen. Een man kwam misschien nog wel eens, maar misschien ook niet, en ik kon niet langer wachten, de tijd drong. Vriendinnen zagen dat anders, die zeiden: je kunt op je veertigste ook nog moeder worden, maar zeker nadat ik voor mijn werk een persconferentie over gezinszaken had bezocht en een curve zag van de dalende vruchtbaarheid van vrouwen die de dertig zijn gepasseerd, een soort zwarte piste steil omlaag, wist ik: ik moet aan de slag. Maar hoe? En waar?

‘Een man uit de kroeg mee naar huis slepen, wilde ik niet. Dat vond ik niet verantwoord, wie weet wat voor ziektes zo’n man bij zich draagt. Tegenover de man vond ik het ook niet ethisch. Ik ging voor een kind van een donorbank. Daarmee had ik het heft in eigen handen, de liefde kun je immers niet afdwingen, en ik kreeg haast. Ik had in die tijd wel dates met mannen, maar nooit om een vader voor mijn toekomstige kind te zoeken. ‘Ik vind je een leuke vent, maar weet dat ik bezig ben een kind te krijgen, hoe het ook tussen ons gaat lopen’ zei ik meestal al snel. Wat mannen overigens best vaak afschrikte, maar dat was dan jammer, mijn kinderwens stond voorop.’

Hoop, telkens weer

‘De wachtlijst voor donorzaad was twee jaar. De mogelijkheid tot anonimiteit voor spermadonoren was net opgeheven, daarom duurde het zo lang. Ik was 37 toen ik kon beginnen. KID, kunstmatige inseminatie met donorsperma, bij het AMC-ziekenhuis in Amsterdam. Tien pogingen. Elke maand hoop, elke maand de teleurstelling, een paar dagen later alweer nieuwe hoop. Hup, er is niks verloren, de volgende keer kan het zomaar raak zijn; die hoop, telkens weer, houdt je gaande. Dat was nodig ook, want na de KID volgde zes keer IUI, waarbij de inseminaties ondersteund werden met hormoonspuiten. Ook geen resultaat. De volgende stap was ivf. In mijn documentaire zit een filmopname waarin je mij een eicelpunctie ziet ondergaan, toen ik dat terugzag sprongen pas de tranen in mijn ogen. ‘Het valt mee, hoor, de pijn’, hoor ik mezelf zeggen. Ik hield me stoer, ik vóelde me ook stoer, pijn kon ik me niet permitteren. Ik moest door, elke maand was ik weer een maand ouder, elke maand niet zwanger was verloren tijd.

‘Mijn vrienden en familie leefden met me mee. Ik had in best ruime kring verteld waarmee ik bezig was. Je móet het ook wel vertellen, op je werk bijvoorbeeld, want je hele agenda wordt bepaald door zo’n vruchtbaarheidstraject. En ik vond het ook fijn dat mijn vriendinnen en collega’s het wisten; ik had ze nodig, je kunt niet alles alleen.

Ines ten Berge. Beeld Martine van der Voort-Keijzer

‘De derde ivf-poging, de laatste, was raak. Ik was zwanger, anderhalve week. Daarna was het voorbij. En toen bleek de laatste ivf toch niet de laatste – het was wel de laatste die vergoed werd door de verzekering, maar ik ging door, op eigen kosten. Zevenduizend euro en twee pogingen verder was ik weer zwanger, en nu echt, ik zag het hartje kloppen op de tienwekenecho. Ik was 41 en het was eindelijk gelukt, na vier jaar, na vijf ivf-pogingen en 21 vruchtbaarheidsbehandelingen.

‘Het was vermoedelijk een meisje – de echoscopist dacht het te zien. Het meisje voor wie ik al heel lang een naam in gedachten had, met wie ik Kerst zou vieren, met wie ik met poppen zou tutten, bij wie ik langs het sportveld zou staan. Ik zag het al jaren en jaren voor me, het verlangen was altijd zo sterk geweest en nu was het echt, ik kreeg een kind.’

Een berg in Spanje

‘Met twaalf weken kreeg ik weer een echo. Het was mis. Het hartje klopte niet meer. Ik liep als verdoofd het ziekenhuis uit, ik wist maar één ding op dat moment: het is klaar. Hier houdt het op. Het kon niet anders, ik was uitbehandeld, er waren geen alternatieven meer. Ik moest mijn leven gaan leven zonder kind, ik moest dit accepteren – die gedachte overheerste heel sterk. Zo veel mensen hadden me de afgelopen jaren troostend gezegd: je kunt ook een heel gelukkig en bevredigend leiden zonder kinderen. Dat zou ik gaan bewijzen, in de eerste plaats tegenover mezelf.

‘Ik nam een sabbatical van zes maanden, ging reizen, zat een tijdje in Spanje, en toen ik terug was in Nederland, stortte ik me op mijn werk. Ik was een sterke vrouw met een mooie carrière, zo presenteerde ik mezelf. En ik wás die vrouw ook, het ging echt best goed in de jaren die volgden. Ik zocht vriendinnen die ook geen kinderen hadden en met wie ik dus tot laat kon gaan stappen, ik werkte hard en ik genoot bewust van mijn vrijheid. Zat ik op een berg in Spanje, dan realiseerde ik me heel goed dat ik daar kon zitten omdát ik geen kinderen had. Dat prentte ik mezelf dan ook in: wat fijn dat ik hier ben - terwijl ik er alles voor over had gehad om niet op die berg te zitten, maar dat gevoel mocht ik niet toelaten van mezelf. Ik dacht in die tijd dat mijn kinderloosheid accepteren betekende dat ik er geen verdriet om had. Dus dat stopte ik weg. Ook letterlijk: artikelen over ongewilde kinderloosheid en over nieuwe vruchtbaarheidsbehandelingen – die bleven maar komen – scheurde ik wel uit de krant, maar ik stopte ze diep onderin een doos. Later zou ik ze wel eens lezen. Ik had een tijdje contact met een lotgenotengroepje, maar ook daar had ik geen geduld meer voor. Ik wilde dóór met mijn leven, niet blijven hangen in het gemis. Achteraf zie ik dat ik in die tijd alleen maar aan het vechten was tegen mijn verdriet. Ik was best energiek en vrolijk, maar ook vaak bozig en geprikkeld. Als ik onder tijdsdruk een reportage moest maken of er lukte iets niet, dacht ik al snel: iedereen heeft een leuk leven, behalve ik, want ik heb stress. Ik was in de rouw, weet ik nu. Maar ik herkende het niet.’

Pubers

‘Tijdens de jarenlange vruchtbaarheidsbehandelingen kreeg ik veel steun, iedereen leefde met me mee. Maar dat houdt op als het doek is gevallen. Dan wordt het stil. Mensen vragen er niet meer naar, misschien ook uit angst dat het te pijnlijk is. En als iemand er wel iets over zei was het vaak zo onhandig dat ik er alleen maar kwaad van werd. Ik liep een stuk van de route naar Santiago de Compostella, dan kom je nogal zweverige types tegen van wie er een tegen me zei: kennelijk is het de bedoeling van het universum dat jij geen kinderen krijgt, omdat jij andere dingen met je leven moet doen. Vast troostend bedoeld, maar ik dacht alleen maar: rot op met je universum. Wat ik miste was iemand die luisterde, die gewoon vroeg: gaat het, hoe voelt het om te moeten accepteren dat je geen kinderen krijgt?

‘De acceptatie was de grootste worsteling – die jaren heeft geduurd en nog steeds bij vlagen voortduurt, want als ik één ding geleerd heb is dat de pijn van ongewenste kinderloosheid nooit helemaal overgaat. Op de meest onmogelijke momenten, als het schooljaar weer begint en er kinderen met rugzakjes door mijn straat fietsen, overvalt het me. Een vriendin klaagde dat ze een hel van een vakantie had gehad met twee pubers die zich zaten te vervelen in een huisje in regenachtig Noorwegen. Doe mij twee van die fantastische pubers, who cares dat het regent, denk ik dan. Zag ik een vrouw in het park die rokend op haar telefoon zat te scrollen terwijl haar kind verderop in zijn eentje speelde, dan kon ik zo’n vrouw diep haten. Denken: waarom jij wel en ik niet? Ik was een zoveel leukere moeder geweest dan jij.

‘Tegelijkertijd duwde ik zulke gevoelens weg, want ik was de sterke, rationele vrouw die ook zonder kinderen een gelukkig leven zou leiden. Ik had immers zélf besloten een streep te zetten onder de vruchtbaarheidsbehandelingen. Daarmee was het klaar, dacht ik, me niet realiserend dat de ergste pijn toen pas begon. Wat het alleen maar ingewikkelder maakt voor vrouwen van mijn generatie is dat de technologische ontwikkelingen intussen in hoog tempo doorgingen: ik kon nog eiceldonatie proberen in een kliniek in Spanje, en als ik dat niet deed, was mijn kinderloosheid dan niet gewoon mijn eigen stomme schuld?’

Accepteren

‘Waar ik ook mee worstelde: schaamte. Dat ik geen kind had kunnen krijgen was het minst succesvolle deel van mijn leven, het voelde soms alsof ik had gefaald. Ik kende anderen vrouwen bij wie het ook niet gelukt was, maar het leek alsof het hen veel minder deed. Tot ik me realiseerde: we praten er niet over. Ik heb een hekel aan het woord taboe in deze context, want een taboe is kinderloosheid niet echt, maar het is wel een blinde vlek in de samenleving wat het betekent voor al die vrouwen, die een op de vijf, die geen kinderen hebben gekregen. Ook vrouwen die geen jarenlang vruchtbaarheidstraject hebben doorstaan maar bij wie het leven gewoon zo gelopen is, kunnen er groot verdriet om hebben en aan hen wordt nooit gevraagd: wat betekent het voor jou?

Beeld Lonneke van der Palen

‘Ik besloot een documentaire te maken over het onderwerp, juist vanwege die blinde vlek. Ik spreek daarin Wilma van 70, die vertelt hoe ze op een feestje eens de vraag kreeg: heb je kinderen? Toen ze ‘nee’ zei, liep de vrouw die het haar gevraagd had zonder iets te zeggen weg. Afgeschreven, niet interessant, je hoort er niet bij – dat was de boodschap. Wilma heeft nog altijd verdriet om haar kinderloosheid, ze huilt in de film als ze vertelt over de dag dat haar beste vriendin oma werd. Ik herken dat. Vroeger ging ik altijd vrij opgewekt op kraambezoek, ik was oprecht blij voor mijn vriendinnen met een baby en ik praatte gezellig mee over luiers en krampjes. Dat lukte me wel, want ik had toen nog hoop. Nu is een van mijn vriendinnen onlangs oma geworden – de baby is van haar al wat oudere stiefzoon – en ik merk dat ik dat moeilijk vind. Ik heb heus de foto’s bewonderd, maar toen het op een etentje alwéér uitgebreid over de baby ging, viel ik stil, hoe leuk ik het ook voor haar vind. Ze merkte het en vroeg: nu jij, hoe staat het met je documentaire?

‘Dat is het mooie eraan: ik heb in het afgelopen jaar dat ik aan de film werkte méér gepraat over mijn verdriet om mijn kinderloosheid dan in al die jaren ervoor. Omdat er nu pas ruimte voor is. En omdat ik het nu, op mijn 49ste, pas echt accepteer dat ik nooit kinderen zal krijgen, terwijl ik na de laatste miskraam op mijn 42ste alleen maar dácht dat ik het accepteerde. Maar als je niet ook het verdriet aanvaardt, loop je daarin vast.

‘Ik ben voor mijn documentaire naar Finland gegaan, naar een vruchtbaarheidskliniek waar nog meer mogelijk is dan in Nederland. Daar, tussen de containers vol eicellen en zaadcellen in vloeibare stikstof, vroeg een arts me: zal ik eens kijken wat ik voor je kan doen? Hij ging wat rondbellen en vond een Portugese collega die mij, op mijn 49ste, zei te kunnen helpen. Dat heeft me serieus aan het twijfelen gebracht. Je krijgt wéér hoop, terwijl ik dacht dat het boek nu echt gesloten was. Hoeveel mensen me in de afgelopen jaren niet gezegd hebben: je moet het loslaten, Ines. Ik kan het niet meer horen. Je kinderwens loslaten terwijl er steeds nieuwe berichten in de krant staan over vrouwen die op hun 63ste een kind hebben gekregen, dat is zo’n beetje het moeilijkste wat er is. Ik kan ook niet goed tegen het woord loslaten, ik heb het liever over accepteren. Jarenlang vond ik hem heel pijnlijk, de vraag: heb je kinderen? Nu kan ik rustig antwoord geven: nee, ik had ze graag willen hebben, maar het is niet gelukt.’

De KRO-NCRV-documentaire ‘Heb je kinderen?’ van Ines ten Berge wordt op 9 december uitgezonden op NPO2.

Meer over ongewenste kinderloosheid en fertiliteitsbehandelingen:

Jaarlijks worden in Nederland 9 duizend vruchtbaarheidsbehandelingen uitgevoerd, waarvan 6 duizend  bij alleenstaande of lesbische vrouwen. Het ontbreken van een man is geen medische indicatie vond het Zorginstituut, vandaar dat de behandeling uit het basispakket dreigde te verdwijnen. 

‘Op de vraag: moeten we dat wel willen met z’n allen, die oude moeders, zeg ik volmondig: ja’, zegt hoogleraar voortplantingsgeneeskunde Bart Fauser. Eerder dacht hij daar heel anders over, maar hij is radicaal van gedachten veranderd. De fertiliteitszorg in Nederland moet veel beter, vindt hij. ‘We jagen mensen de grens over.’

Een draagmoeder kan een optie zijn voor vrouwen die niet zwanger (kunnen) raken en voor homostellen. Maar hoe vind je iemand die een kind voor je wil dragen? En wat zijn de emotionele consequenties als het lukt? 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden