De paus van het eerste jubeljaar

DANTE HAATTE hem en dat is altijd een goed teken. Hij verwachtte hem dan ook in zijn hel, op de plaats voor de bedrijvers van simonie....

Zijn voorganger was een heilige sukkel. Op zijn 85ste werd hij uit de eenzaamheid van zijn klooster gehaald. De pauszetel stond al zevenentwintig maanden leeg. Toen werd de kluizenaar gekozen. Hij noemde zich Celestinus en was de vijfde van die naam. Hij kon alleen maar heilig zijn en dacht met bidden en boeten de kerk te kunnen besturen. Na vijf maanden nam hij, als een der weinige pausen in de geschiedenis, ontslag. Kardinaal Benedetto Caetani, die een groot kerkjurist was, regelde alles voor hem en stelde zijn abdicatie-akte op. De engel die hij voor de strengen in de kerk was, wilde terug naar de eenzaamheid. Hij kreeg die, maar in de gevangenis, waarin Bonifatius VIII hem liet opsluiten. Natuurlijk was Bonifatius de paus geworden Benedetto Caetani. In plaats van de hemelse man kwam er een absolute heerser, wiens meest symbolische daad uit zijn leven is geweest de verlenging van de pauskroon. Die stak boven alle tronen en kronen uit, want de macht van de kerk - en dat was die van de paus - verklaarde hij boven elke wereldlijke macht.

Hij had drie grote vijanden: de spirituelen in de kerk, de aanhangers van Celestinus dus, de machtige familie De Colonna, met twee kardinalen, en de Franse koning. De visie op zijn macht klopt niet met de politieke realiteit. Hij werd ten slotte een verliezer, die op verschrikkelijke wijze werd vernederd. Ook door de kwaadsprekers: hij werd van sodomie beschuldigd, van ongeloof - behalve in het pausschap dan! - en ketterij: hij zou gezegd hebben dat hemel en hel beide hier op aarde waren, waarmee hij zijn eigen leven tot wereldbeeld maakte. Het kwaad waarvoor Dante hem de hel toedichtte en Nicolaas III hem als geestgenoot verwelkomde, was simonie en nepotisme: Bonifatius had zijn familie middels allerlei kerkelijke ambten zeer verrijkt. In 1298 wist hij de macht van de Colonna's te breken: zijn grootste overwinning. Hij werd er overmoedig van; hij had een karakter van uitersten. Hij verklaarde 1300 tot jubeljaar, - het eerste uit de geschiedenis.

Dat was zonder meer een geniaal idee. Op een paginagrote miniatuur, bewaard in de Ambrosiaanse bibliotheek, staat hij op het balkon der zegeningen van de Sint-Jan van Lateranen: verheven boven het volk, geflankeerd door de machtigen, in rode mantel en de hoge tiara op het hoofd, leest hij de tekst van de bul af. Wie in dat jaar de graven der apostelen in Rome zou bezoeken, verdiende een volle aflaat, - en dat was de kwijtschelding van alle tijdelijke straffen. Hij maakte even voor de gelovigen op aarde van de hel de hemel. En zijn macht werd uiterst groot. Rome en paus vormden het centrum van de wereld. Dat laatste beoogde hij natuurlijk: het heilige stond in dienst van het tijdelijke. Er zouden in 1300 twee miljoen pelgrims naar Rome zijn gekomen. Stad en paus werden er zeer rijk van. Onder de twee miljoen was ook Dante! De drukte die hij heeft gezien, gebruikte hij als beeld in de achtttiende zang van Inferno: hij beschrijft daar de achtste hellekring: de ongelukkigen lopen in tegengestelde richtingen langs een gracht. Dan schrijft hij: 'Het ging daar op dezelfde manier als tijdens het jubeljaar in Rome, waar men teneinde de enorme mensenmassa's de Tiberbrug te laten passeren, een regeling had uitgedacht die hierop neer kwam dat aan de ene kant degenen liepen die naar de Engelenburcht en de Sint-Pieter op weg waren, en aan de andere kant degenen die in de richting van de Monte Giordano gingen.'

1300 Was het gloriejaar van Bonifatius' pontificaat. Daarna begon de strijd met de oude vijanden opnieuw. Laf was hij niet. Bij de belegering in 1303 van zijn paleis in zijn geboorteplaats Anagini, trad hij de Fransen en de Colonna-trawanten in vol ornaat tegemoet en bood zijn hoofd en hals aan. Hij zou het geschreeuwd hebben: 'Hier zijn mijn kop en mijn nek'.

Ik denk dat hij zijn leven lang iets ordinairs heeft gehad. Ik stel hem mij voor als klein en gedrongen (vandaar ook mischien de verlenging van de tiara). Hij had er het impulsieve karakter voor. Driftig zal hij zeker zijn geweest, zeer zinnelijk ook, fijnzinnige manieren zullen hem vreemd zijn geweest. Zijn voorganger had alleen maar de eenvoud van de duif, - en daar bestuur je geen kerk mee. Hij had alleen de sluwheid van de slang en daar red je het ook niet mee. En toch was hij een echte intellectueel. Hij heet een heel groot jurist - hij liet het kerkelijk wetboek herzien - en hij stichtte de eerste universiteit van Rome, de Sapienzia, die nog altijd bestaat, en reorganiseerde bibliotheek en archief van het Vaticaan.

Giotto schilderde hem in de rechterzijbeuk van de Sint Jan van Lateranen, op het moment dat hij het jubeljaar afkondigt, staande tussen twee kardinalen. Hij lijkt een lieflijke, ascetische oude man (hij is rond de vijfenzestig), hij oogt nederig, hoe hoog de puntkroon op zijn hoofd ook reikt. Giotto confronteert ons met het geheim van het ambt en daarmee van het ritueel. De drager ervan deelt bij de uitoefening even in de grootheid ervan. Voor de uitvoerder van het ritueel geldt heztelfde. Bij het laatste Amen begint de wereld weer te draaien. Ambt en ritueel hebben het pausschap door alle eeuwen heen gered. En er ook de magie van bepaald.

Hij werd begraven in het familiegraf van de Caetani in de oude Sint-Pieter. Bij de bouw van de nieuwe verhuisde hij naar de crypte. Zijn graf is nog te zien. Hij zal honderdduizenden pelgrims langs horen schuifelen. 'Mijn heilig jaar.' En hij rust verder in vrede.

(Fragmenten uit De goddelijke komedie in de vertaling van Frans van Dooren).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden