De onvolledigheid van de voltooiing EEN KEUZE UIT DE HOOGSTAANDE ESSAYS VAN S. DRESDEN

NIETS STAAT vast, en zelfs dat niet. Zo is de houding te typeren die Sem Dresden (1914) in zijn essays tentoonspreidt....

Aan die waarheid valt voor de essayist niet te tornen. Hij houdt een pleidooi voor de nuance en het voorlopige, maar doet dat dermate consequent dat toch van hardnekkigheid en stelligheid in dezen gesproken kan worden. Als niets vaststaat en zelfs dat niet, mag immers niet worden uitgesloten dat er af en toe iets behoorlijk vast kan staan.

Het voorbehoud dat Dresden om de haverklap inbouwt als hij een interpretatie of analyse ten beste gaat geven, is derhalve slechts gedeeltelijk een uiting van bescheidenheid zoals de vormelijkheid die voorschrijft. Het komt ook voort uit zijn wezenlijke overtuiging dat ware literatuur nooit ophoudt wanneer je het boek dichtslaat. Een boeiend boek is taalbetrokken, vervreemdend, bezit een zekere symbolische lading. Een gedreven lezer is niet alleen consument, maar ook producent in de zin van meemaker. Je herkent iets en hebt het tegelijk nog nooit zó verwoord en verbeeld gezien, waardoor het ook weer iets anders is geworden.

Maarten Asscher en Herman Verhaar hebben de taak op zich genomen, een keuze te maken uit de essays van Dresdens hand uit de periode 1960-1995. Alsof de auteur zelf niet zou weten wat zijn lezersvriendelijkste stukken zijn. Anderen mogen het uitzoeken. Wederom een genereus gebaar, dat terzelfdertijd op superieure zelfverzekerdheid wijst. Een onzekerder persoon had de samenstelling beslist in eigen handen gehouden.

Het vreemde vermaak dat lezen heet is een grootse collectie geworden. De beschouwing over Montaigne, 'Over essai en essay' uit 1967, is tevens te lezen als een zelfportret van de voormalige Leidse hoogleraar Frans en Vergelijkende Literatuurwetenschap. Al zoekend, vragend, omzichtig tastend, laat Dresden zien dat Montaigne's aantrekkelijke werkwijze om invallen en willekeur niet uit de weg te gaan, in werkelijkheid een program verraadt. Alleen wie niet recht op het doel afgaat, kan op een doorzicht of vergezicht stoten.

Dat weet Dresden even zeker als de Franse denker uit de zestiende eeuw. De toon en vorm van zijn stukken bewijzen het. Hij legt de lezer voor hoeveel haken en ogen er zitten aan allerlei literairhistorische en minder tijdgebonden literaire kwesties. Zo kan hij een alinea als volgt openen: 'Dit levert verschillende problemen op, waarvan ik hier slechts een enkel zal noemen.' De betweters onder ons worden ingepakt (denk niet dat hij niet weet dat er meer problemen bestaan dan hij noemt), en de niet zo razend belezenen kunnen de lectuur opgelucht voortzetten (hij heeft de minst interessante problemen er gelukkig al uitgezeefd).

Hoogstaand is ook het volgende staaltje van eruditie. Dresden schrijft over het ten onrechte vergeten Ardinghello van de Duitse romanticus Wilhelm Heinse, 'waarin typen van kunstenaarspersoonlijkheid in volle glorie en diversiteit verschijnen (terwijl het boek, tussen twee haakjes, in 1787 de Italiaanse Renaissance in de mode brengt). Daarna is er te veel om zelfs maar op te noemen.' Waarna hij drie hoogst belangrijke schrijvers opnoemt, wier namen je goed in je oren knoopt.

Het toppunt van zijn schijnbaar wat verstrooide manier van formuleren, die aarzelend aandoet terwijl achteraf naar een glasheldere conclusie toegeschreven blijkt, levert Dresden in zijn essay over de nouveau roman: 'Veel is hiermee nog niet gezegd, ook al zal, naar ik hoop, blijken dat er toch méér mee vastgesteld is dan men zou denken en in zekere zin met dit weinige toch alles is gezegd.' Kijk aan. Modest als meneer zich voordoet, meent meneer ondertussen dat hij niets minder dan alles heeft gezegd.

Veel zegt hij in elk geval zeker. Hij verklaart waarom het mogelijk is leesgenoegen te beleven aan oorlogsliteratuur die over onuitsprekelijke gruwelen en ellende handelt. Hij legt helder uit waarom detectives geen literatuur zijn (een bittere pil voor thrillerschrijvers met literaire aspiraties). Hij toont aan dat experimenten van alle tijden zijn en ook niet voorbehouden aan schrijvers die zich ostentatief als experimenteel bestempelen. Wie nader beschouwt, bemerkt dat in de letteren nooit sprake is van een zogeheten conventie of starre traditie, waartegen de doldrieste vernieuwers zich denken te verzetten. Mooi is de volgende terechtwijzing en nuchtere karakterisering: 'Het experiment, dat de nouveau roman tegelijkertijd zelf is en dat hij wenst te bieden, is dus nieuw, maar ook oud. Het is een variant van de mogelijkheden binnen het genre.'

Een voltreffer is de opmerking naar aanleiding van Montaigne, die de eerste essayist genoemd kan worden: 'Achteraf worden altijd geschriften ontdekt die voorafgaan. Het voorafgaande krijgt een andere kleur door wat erop gevolgd is.' Hier zijn de triomf en het faliekante falen van de letterkundige in een notendop verwoord. Je komt met je praatjes altijd achter de boeken aan gesjokt. Je redenereert er het nodige omheen, zonder het geheim op de staart te kunnen trappen, want die schat blijft in het boek bewaard. Binnen die nutteloosheid van het literaire onderzoeken bestaan evenwel gradaties van zinnigheid. Neem dat van deze leermeester aan.

We krijgen zicht op de valstrikken van de schrijversbiografie: hoe goed kun je de mens ooit kennen, waar begint de biograaf de feiten te arrangeren in zijn zelfgemaakte mal, en in hoeverre wordt een boek niet juist gemaakt omdat er iets uit de schrijver moet, dat letterlijk en figuurlijk los staat van diens persoon. Plus, rottige vraag, zou het niet kunnen dat het beschreven leven geen zin heeft (gehad)?

'De tijd zal oordelen, wordt wel beweerd, over de eigenlijke waarde van een kunstwerk. Maar helaas doet de tijd dat niet altijd objectief en - wat onaangenamer is! - evenmin definitief.' Toch laten de essays van Dresden zien dat er binnen de marges van deze relativeringen veel dieps en zinnigs is te beweren over literatuur en lezen. Een klassiek stuk gaat over de roman L'oeuvre van Emile Zola. Zonder meer grootmeesterlijk is de manier waarop Dresden het onderwerp van die roman - over een schilder die niet komt tot het maken van zijn ideale kunstwerk, en zijn kompaan de romancier die weet heeft van zo'n horizon, maar toch onderweg daarheen telkens een boek afrondt - aangrijpt om in de ziel van de scheppend kunstenaar te blikken. Beide opvattingen leven in diens borst.

Kunst maken is tegelijk afmaken, het neerleggen en daarmee omleggen van een zwevend ideaal, en bergt dus altijd iets onvolkomens in zich. De voltooiing brengt een zekere onvolledigheid met zich mee. Deze loepzuivere paradox sluit naadloos aan bij de activiteit van de lezer. Die kan opgaan in een boek, en voor enige tijd zichzelf (en de tijd) verliezen. Kortstondig zit er niets meer tussen het eigene en het andere. Er ontstaat een eenheid waarin het gebroken leven zijn voltooiing vindt, net zoals wij graag biografieën lezen in de onuitgesproken hoop dat ook ons eigen leven een zin heeft.

Die illusies mogen dan niet lang duren, wel zijn ze de drijfveer om een leven lang hartstochtelijk met literatuur om te gaan. De lezer van deze essays leert dat hij een heleboel nog niet weet. Zeker is alleen dat hij Het vreemde vermaak dat lezen heet van S. Dresden nooit definitief zal kunnen dichtslaan.

Arjan Peters

S. Dresden: Het vreemde vermaak dat lezen heet - Een keuze uit de essays.

Meulenhoff; 245 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 290 5545 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden