Interviewsdrie niet-gelovigen

De ongelovige erkent geen god, maar is zeker niet goddeloos

Beeld Isa Grutter

Zonder godsbesef geen gevoel voor goed en kwaad, menen gelovigen in een Amerikaans onderzoek. Onzin, vindt humanist Boris van der Ham. Kunst gaat net zo goed over ethiek, over de moraal. de Volkskrant spreekt drie niet-gelovigen.

Boris van der Ham, voorzitter van het Humanistisch Verbond, keek wel op toen hij de uitkomsten las van een recent internationaal onderzoek in 34 landen, naar de vraag of je zonder God een moraal kunt hebben. Want wat bleek uit dat onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research? Bijna een kwart van de Nederlanders vindt het geloof in God noodzakelijk voor een moraal en goede waarden. Ter vergelijking: in Frankrijk was slechts 15 procent van de ondervraagden van mening dat God onmisbaar is voor een goed moraal. Bovendien vindt meer dan 40 procent van de protestanten in Nederlanders dat ongelovigen geen moraal kunnen hebben. 

Wie van God los is, heeft dus geen overtuigingen over goed en kwaad. Dat zijn stevige vooroordelen, vindt Van der Ham, over ongelovigen die een meerderheidsgroep vormen in Nederland. ‘Wereldwijd zijn dat zelfs 1,2 miljard mensen.’

Niet-gelovigen wordt weinig moraal toegedicht, denkt  Van der Ham, omdat ze vaak geen label aan hun moraal hangen. ‘Ik noem mezelf humanist, maar veel mensen omschrijven zich helemaal niet levensbeschouwelijk. Niet-gelovigen omschrijven zich bijvoorbeeld in meerderheid aan de hand van hun plek in het gezin. Maar ook via vrienden, sociale verbanden en vrijwilligerswerk. In die ontmoeting is natuurlijk heel veel moraalontwikkeling. Niet-gelovigen zijn juist heel veel wél. ’ 

Dat ook niet-gelovigen zich bezighouden met zingevingsvragen, blijkt uit de Volkskrant-serie De zin van het leven waarin journalist Fokke Obbema min of meer bekende gelovigen, atheïsten en ietsisten vraagt naar hun ideeën over zingeving. ‘Dat zijn mooie gesprekken. Maar in onderzoeken worden dit soort ongelovigen vaak op een hoop gegooid.’ 

Reden voor het Humanistisch Verbond om met onderzoeksbureau Kantar (het voormalige Nipo) een representatieve enquête te houden naar de moraal, waarden en levensgeluk onder niet-gelovigen. Bijna negenhonderd  respondenten werden ondervraagd naar hun ideeën over zingeving.  ‘Uit dit onderzoek  komt naar voren dat vooral de ‘ander’ belangrijk is voor niet-gelovigen’, zegt Van der Ham. ‘Vrijheid en gelijkheid worden het vaakst genoemd als belangrijkste waarden. Gelukkig wordt men vooral van het geluk van naasten en door anderen te kunnen helpen.’

Bijna de helft van de ondervraagden haalt troost uit liefde. Een derde noemt ‘steun van een ander’ als belangrijkste bron van troost. 40 procent van de ondervraagden bewaart een foto van een overledene, bij wijze van herdenken. Volgens Boris van der Ham worden dit soort rituelen vaak snel geclaimd als iets religieus, terwijl het des mensen is. ‘Een humanistisch geestelijk werker vertelde mij dat ze bij een groepsgesprek gezellig wat kaarsen neerzette. Toen riep een religieuze voorbijganger vermanend dat de kaarsjes van het christendom komen. De humanist zei: ‘Nee hoor, deze kaarsjes komen gewoon van de Ikea.’ Feit is dat mensen al sinds mensenheugenis rond het vuur op verhaal komen. Niemand kan dat toe-eigenen.’

‘Voor het Humanistisch Verbond is dit onderzoek pas het begin’, zegt Van der Ham. Ook in de morele debatten in Nederland wil hij meer diversiteit zien. Nu gaat het vooral over het verschil tussen godsdiensten en dat is te beperkt, vindt Van der Ham. ‘Ook scholen die levensbeschouwelijk vakken bieden, mogen vaker filosofen en seculiere denkbeelden aan bod laten komen. Maar ik hoop dat mensen dankzij dit onderzoek zich vooral realiseren dat nadenken over zingeving heel divers is. Voor mij persoonlijk geldt dat worstelende personages in het theater of in een film mij aansporen tot zelfreflectie. Het bekijken van kunst gaat uiteindelijk ook over ethiek, over goed en kwaad. Dat zijn mijn oefeningen in moraliteit.’

Waar halen mensen hun ideeën over goed en kwaad, hun troost en moraal vandaan, in afwezigheid van een godsbesef? V sprak met drie niet-gelovigen.

Gösta Huijs (42), humanistisch geestelijk verzorger bij defensie.Beeld Eva Faché

Gösta Huijs (42), humanistisch geestelijk verzorger bij defensie

‘Waar de troepen of schepen gaan, daar zijn wij: de geestelijk verzorgers. We gaan mee naar het front en staan altijd naast de militair. Daardoor ontstaat er sneller een vertrouwensband en weet je wat er speelt. Maar een belangrijk aspect van ons werk is dat we niet onder de militaire hiërarchie vallen. Een commandant kan mij niet vragen wat iemand mij in vertrouwen heeft verteld. Mensen komen juist naar ons toe omdat we een vrijplaats bieden en voor ons een geheimhoudingsplicht geldt.

‘Ik begon mijn loopbaan bij defensie als militair. Zo ben ik onder meer in Afghanistan, Mali en Haïti geweest. Met name in Afghanistan heb ik veel geweld gezien. Toen ik eenmaal terug was, had ik het gevoel dat ik onder een stolp vandaan was gekomen. Vergeleken met Afghanistan is Nederland een sprookje, een marsepeinen werkelijkheid.

‘Na deze missie wilde ik geen geweld meer gebruiken. Een geestelijk verzorger die me opving, hielp mij op pad om zelf een humanistisch geestelijk verzorger te worden. Ik had al een master filosofie op zak, dus dat sloot goed aan. Nu vervul ik deze functie sinds 2011.

‘Het is zeer boeiend werk. Ik begeleid militairen die twijfelen over hun positie in de groep, over hun taak in het leger. Vaak zijn het jonge mensen die geconfronteerd worden met zaken die niet passen in hun rijpende wereld. Het geweld bijvoorbeeld, of hun plek in de hiërarchie. Ik begeleid ook mensen die het leger verlaten, voor wie de vervreemding van de burgermaatschappij te groot is. Ik heb nog steeds contact met sommige ex-militairen. Humanisme stopt immers niet bij de poorten van defensie. Ik werk voor de mensen.

‘Het humanisme is mij niet per se van huis uit meegegeven. Mijn ouders waren toegetreden tot de rozenkruisers, een spirituele en culturele beweging die in de 17de eeuw in Europa is ontstaan. Mijn ouders zijn vroeg gescheiden en mijn moeder verliet de beweging na mijn geboorte. Ik ben bij mijn moeder opgegroeid met een antipathie tegen het geloof, hoewel ze nooit dogmatisch is geweest. We keken naar de  VPRO, naar programma’s als Kreatief met kurk. Literatuur en kunst hadden een belangrijke positie in mijn opvoeding.

‘Ik voer veel gesprekken met collega-raadslieden van andere religies, maar ik zal ze nooit vragen waarom ze geloven. Dat vind ik niet interessant. En ik vrees dat ik dan in een discussie over het geloof en houvast terechtkom. Daar is op geen enkele zinvolle manier ooit over gesproken en het veroorzaakt alleen maar polarisatie.

‘Ik doe geen zaken met moraliteit, ik geloof in ethiek. Moraliteit is een afweging van de meerderheid. Een door Nederland als goed verklaarde oorlog is moreel juist, maar uiteindelijk is het totaal niet ethisch wat daar gebeurt. Ik doe geen zaken met moraliteit. Ik heb wel waarden. De belangrijkste is de ruimte om te twijfelen. Want als je voor dogma’s kiest, dan zie je het leed van anderen niet. In een constant veranderende wereld is elke mening en opvatting achterhaald en over de datum.

‘Mijn troost haal ik uit de natuur en uit de mens in de natuur. Met iemand een paar dagen naar de Ardennen gaan bijvoorbeeld. Dan zie je iemand in zijn beste doen. Dan ben ook ik in mijn beste doen.’

Manny Tuinenberg (28), verkoper en chauffeur bij een automaterialenzaak.Beeld Eva Faché

Manny Tuinenberg (28), verkoper en chauffeur bij een automaterialenzaak

‘Toen ik 4 jaar was, kwam ik terecht bij pleegouders. Mijn pleegouders waren niet gelovig, maar we vierden Kerst. Zonder cadeautjes, maar wel met versieringen en een kerstdiner. Pasen vierden we met paaseieren schilderen en zoeken. Maar we herdachten niet de wederopstanding van Jezus of iets dergelijks. Die feestdagen draaiden voor mijn pleegouders om het samenzijn: samen eten, samen versieren. Thuis kreeg ik nooit wat van religie mee. Als een vriendje of vriendinnetje bij ons kwam eten, werd ons weleens gevraagd of we niet aan gebeden deden. ‘Nee’, zei mijn pleegmoeder dan. ‘Die heb ik er al in gekookt.’

‘Soms boden mijn pleegouders ook een thuis aan kinderen die uit een noodsituatie kwamen. Ik kan me herinneren dat er tijdelijk een Hindoestaans kindje bij ons kwam wonen. Haar moeder gaf de instanties mee dat het voor haar belangrijk was dat haar kind elke dag een stip op haar voorhoofd zou dragen. Toen haalde mijn pleegmoeder een speciale stift in huis. Elke dag tekende ze dat stipje. En als er kinderen uit islamitische gezinnen bij ons kwamen, kregen ze geen varkensvlees. Thuis hielden ze altijd rekening met andere gelovigen.

‘Zelf ben ik nooit nieuwsgierig geweest naar religies. Er is altijd een hoofdpersoon in een monotheïstische religie, namelijk God. Maar die kan geen persoonlijke vragen beantwoorden, want hij is er fysiek niet. Ik zou dat veel te verwarrend vinden.

‘Ik heb wel van mijn pleegouders geleerd dat je elkaar helpt, ongeacht de achtergrond. En dat je nooit medelijden moet hebben met een ander, omdat diegene daar helemaal niks aan heeft. Dat je moet helpen waar het kan. Dat vond ik altijd heel mooi.

‘Mijn pleegmoeder zei ook altijd dat je de dingen moet zien zoals ze zijn. Soms kan het tegenzitten, maar je moet door. Tegenslagen moet je proberen op te lossen, en als dat niet lukt, moet je iets anders proberen. Dat probeer ik nu ook aan mijn kinderen mee te geven: dat zorgen voor elkaar belangrijk is. Dat je lief bent voor elkaar en een ander niet anders moet behandelen dan hoe je zelf door anderen behandeld wilt worden.

‘Ik doe niet aan ritueeltjes. Soms bezoek ik wel het graf van mijn pleegmoeder die in februari dit jaar is overleden. En toen mijn zoontje laatst jarig was, dacht ik wel weer even intensiever aan haar, want ze belde altijd op zijn verjaardag. Ik praat er veel over met mijn pleegbroers en -zussen. Zo houd ik mijn overleden pleegouders dichter bij mij. Maar ik heb thuis geen altaar staan.

‘Door mijn verhaal klink ik misschien als een humanist, en ik vind humanisme ook erg mooi, maar ik denk toch dat ik mezelf liever een atheïst noem. Anderen helpen kan iedereen, gelovig of niet.’

Fatima El Mourabit (44), medewerker bij Federatie Nederlandse Vakbeweging.Beeld Eva Faché

Fatima El Mourabit (44), medewerker bij Federatie Nederlandse Vakbeweging

‘Ik heb een islamitische opvoeding gehad, maar in de jaren tachtig was dat meer een vorm van cultuurislam. Dat wil zeggen dat we aan de ramadan deden en de feestdagen vierden, maar over het algemeen niet heel erg met het geloof bezig waren. Dat gold voor veel Marokkaanse gezinnen. Vanaf de jaren negentig veranderde dat. Veel Marokkaanse moskeeën kwamen door imams uit het buitenland onder invloed van het wahabisme, een zeer strenge islamitische leer. Als tiener begon ik dus ook vijf keer per dag te bidden en een hoofddoek te dragen.

‘Maar er was altijd twijfel. Op mijn 6de vroeg ik me al af waarom mijn niet-islamitische klasgenootjes naar de hel zouden gaan. Ik zat dan in de klas, keek om me heen en dacht: maar ik wil niet dat ze naar de hel gaan.

‘Ook tijdens mijn tienerjaren twijfelde ik. Ik droeg weliswaar een hoofddoek en ik bad vijf keer per dag, maar ik vastte niet. Thuis legde ik stiekem voorraadjes aan om overdag te eten wanneer ik de kans schoon zag. Ik kon wel altijd jaloers zijn op mensen die na het bidden veel liefde voelden. Maar ik voelde me alleen verstikt na een gebed. Dat heb ik ook met andere vormen van mediteren. Ik heb het enkele jaren geprobeerd, maar het lukt me niet om me daarna open en en ontlast te voelen. Voor ontspanning ga ik liever naar de sauna.

‘Er is geen directe aanleiding geweest om definitief afscheid te nemen van de islam. Ik ben ernaartoe gegroeid. Maar mijn dochter was mijn belangrijkste motivatie om het geloof te verlaten. Ik wilde dat ze vrij van dogma’s en indoctrinaties zou kunnen opgroeien. Omdat ik wist dat ik verstoten zou worden, heb ik eerst zelf het contact met mijn ouders verbroken. Toen ik een jaar of 30 was, belde ik mijn moeder op om haar te vertellen dat ik geen moslim meer ben. Maar ik werd niet verstoten, mijn moeder wilde juist in mijn nabijheid zijn. Ze hoopt nog steeds dat ik slechts verdwaald ben door vervelende ervaringen in mijn leven. Dat ik me ooit weer zal bekeren.

‘Met de term ‘ex-moslim’ heb ik weinig. Het confronteert je continue met iets wat je niet meer bent. Maar op de een of andere manier moeten mensen die de islam hebben verlaten altijd als zodanig benoemd worden. Alsof islam een etniciteit is. Iemand noemde me zelfs een ooit een ‘atheïstische moslima’. Je zegt bij autochtone Nederlanders toch ook niet dat ze ex-christenen zijn?

‘Ik noem mezelf een atheïst. Niet in de laatste plaats omdat ik de moslims in mijn omgeving niet de indruk wil geven dat er ooit nog een kans is  dat ik me weer zal bekeren tot de islam. Ik sta voor de vrijheid van zelfbeschikking. Dat je jezelf kan zijn ongeacht je levensbeschouwing. En dat je anderen als volwaardig behandelt. 

‘Hoe ik nu onderscheid maak tussen goed en kwaad? Dat doe ik instinctief, zoals ik ook als kind onbewust aanvoelde wat positief en negatief is. De positieve momenten zal ik onthouden, zoals die ene keer dat de moeder van een vriendinnetje me vertelde dat ze pas gelukkig is als haar kinderen ook gelukkig zijn. Dat was in mijn omgeving eerder andersom. Nu ik zelf moeder ben denk ik nog vaak aan die uitspraak.

‘Troost haal ik uit afzondering. In mijn eentje een wandeling maken of een stukje fietsen. Netflix kijken onder een dekentje of naar André Hazes luisteren. Ik heb genoeg vrienden en ik vind het heerlijk om samen met hen uit eten te gaan. Maar ik vind mezelf pas echt terug als ik alleen ben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden