InterviewAfscheid

De nabestaanden van wereldverbeteraars: ‘Zijn dood is een weeffout. Ergens in het universum ging het mis’

Ellen CornelissenBeeld Linelle Deunk

Het was hun missie om de mensheid te helpen – en juist dat werd hen fataal. Hoe is dat voor de nabestaanden? ‘Trots is een goed medicijn tegen verdriet.’

De 46-jarige broer van Ellen Cornelissen (53) overleed op de Noordpool. Marc zakte door smeltend ijs terwijl hij onderzoek deed naar klimaatverandering. ‘Zijn dood is een weeffout.’

‘De eerste keer dat Marc naar het poolgebied ging, kwam hij zo gelukkig terug. Hij was gegrepen door de stilte, de kou, het landschap. Ik mocht ook een keer mee: het is een plek waarvan je je van tevoren niet kunt voorstellen hoe het eruitziet. Het is zo eindeloos, zo groots. Je bént er niet, je zit er ín. Het is bar, maar prachtig. Deze plek kan je beste vriend zijn, maar ook je vijand.

Marc zag er met eigen ogen hoe de aarde eraan gaat. Dieren en jagers kwamen in de problemen, de inuitcultuur ging verloren, het ijs smolt. Marc werd steeds meer begeesterd en zijn expedities steeds wetenschappelijker. Hij had contact met universiteiten, met onderzoekers over de hele wereld, overheden, grote bedrijven. Hij was geen activist, maar wilde samenwerken.

In april 2015 zou Marc weer gaan, om de ijsdikte te meten, samen met zijn vaste metgezel Philip. Ik was redelijk zorgeloos. Ik vond de A2, waar Marc vaak reed, een gevaarlijkere plek. Tot ik werd gebeld door zijn vrouw. Het basiskamp had een noodsignaal ontvangen. Er waren mensen die in die eerste uren zeiden: ‘Dit is een foutje. Die zitten in hun tentje en lachen zich een hoedje’. Ik dacht dat niet. Er raasde alleen maar paniek door mijn lijf.

Ik pakte mijn koffertje in en reed naar Marcs vrouw en dochter. ’s Nachts werden we gebeld: vanuit een vliegtuigje hadden spotters een wak gezien. Het enige teken van leven kwam van hun hond die naast het wak had staan blaffen. Volgens mij kon ik alleen maar gillen. Het besef, het gevoel – het was te groot. Alsof mijn borstkas open knalde.

Marc Cornelissen.Beeld LinelleDeunk

Het duurde elf dagen voordat mijn broertje werd gevonden en pas vijfentwintig dagen na het ongeluk werd hij naar Nederland gevlogen. Wat er precies is gebeurd, zullen we nooit weten. Er is een kans dat het ongeluk samenhangt met de opwarming van de aarde. Het kán zijn dat het zee-ijs daardoor zo dun was. Misschien is de klimaatverandering waar Marc aandacht voor vroeg, ook wel zijn doodsoorzaak geworden. Dat vind ik heel wrang.

Zijn lichaam was nog gaaf, omdat hij zo lang in dat ijswater lag. Ik heb toen gegoogeld, weet ik nog, hoe het was om dood te vriezen. Het schijnt pijnloos en snel te zijn. Dat gaf rust.

De uitvaart was afgeladen druk. In de media werden Marc en Philip omschreven als helden – dat troostte. Heel Nederland leefde mee, maar ook veel mensen in het buitenland. Ik geloof dat we toen pas doorhadden wat Marc voor elkaar had gekregen. Dat hij echt mensen en bedrijven de ogende had geopend met zijn onderzoeksresultaten. Niet alleen mijn broer was overleden, maar ook iemand die ergens voor stónd.

Dat er ook na vier jaar nog veel mensen over hem praten, dat er om het jaar een award met zijn naam wordt uitgereikt aan mensen die zich inzetten voor een duurzame wereld, dat hij postuum is geëerd als Officier in de Orde van Oranje-Nassau; dat alles doet me goed. Maar soms vind ik het lastig. Ik ben ook twee zussen verloren, ná Marc, maar daar hebben natuurlijk lang niet zo veel mensen over gehoord. Het medeleven was na de dood van mijn zussen ook niet zo massaal. Terwijl mijn pijn om Marc niet groter is dan de pijn om mijn zussen die ‘gewoon’ ziek waren.

Het verschil is alleen dat ik me bij hun ziekte kon neerleggen. Dat abrupte van Marcs ongeluk… iemand gaat voor zijn werk weg en komt niet terug. Hoe kán dat?

Marcs dood is een weeffout. Ergens in het universum ging iets niet goed. Maar ik denk nooit: hè, verdomme, was maar niet gegaan. Dit was wat hij moest doen. Ik weet dat hij nooit onnodige risico’s nam. Bovendien: in die kou was hij in zijn element. Het is niet zo dat ik vrede heb met zijn dood – mijn sterke broertje had 90 moeten worden. Maar ik heb wel vrede met de plek waar het is gebeurd.’

Paul van de Rijdt Beeld Linelle Deunk

De zoon van Paul van de Rijdt (64) overleed in Afghanistan. De 26-jarige militair werd getroffen door vijandelijk vuur. ‘Nooit spookte door mijn hoofd: die komt niet meer terug.’

‘Kevin had altijd iets onverschrokkens. Hij ging tot het randje. Met kattenkwaad uithalen als kind, met sporten toen hij ouder werd. Met uitgaan. Och, hoe vaak ik hem wel niet bij mij op de bank in de woonkamer heb zien liggen – had-ie weer zijn slaapkamer niet gehaald. Daar pestte ik hem dan mee. Watje.

Toen hij 24 werd, kocht hij een motor. ‘Pap, je raadt nooit hoe hard ik ging.’ Hij had een keer de 290 kilometer aangetikt. ‘Je bent gek man’, zei ik. Maar ik vond het ook mooi dat mijn zoon zo vól leefde.

Ik was geen seconde bang dat hij niet meer thuis zou komen toen hij in het leger ging en later naar Afghanistan moest. Gek, hè? Want als commando moet je diep talibangebied in. Misschien had onze Kevin zijn onverschrokkenheid wel op mij overgedragen. Hij heeft er zelf ook maar één keer iets over gezegd. ‘Als er twee kale mannen voor je deur staan, is het foute boel.’

Vier weken na zijn vertrek, in september 2009, stonden er twee kale mannen van defensie voor mijn deur. Ze zeiden dat ik moest gaan zitten. Ik dacht: ik blijf mooi staan, dan kunnen ze het me niet vertellen.

Kevins moeder, zus, vriendin en ik belandden in een wervelstorm. Familie en vrienden over de vloer. Continu contact met defensie. Journalisten belden ons. Telkens als ik een foto van mijn zoon op tv of in de kranten zag: messteek door mijn lijf. Mijn zoon was ineens nieuws. Slecht nieuws.

Kevins eenheid bleek in een vallei te zijn verrast door vijandelijk vuur. Later heb ik geluidsfragmenten terug gehoord. Geluiden uit de hel. Ik hoorde geweerschoten, en toen iemand schreeuwen: ‘Man down, man down’. Die man was mijn kind. Zes maten gingen terug het vuur in om hem te zoeken. Daar ben ik dankbaar voor. Ik zag hem terug toen hij opgebaard op een veldbed lag, in zijn slaapkamer. Er zat alleen een krasje op zijn wang. Zo vredig. Alsof hij sliep, gewoon weer bij mij op de bank – te dronken om zijn slaapkamer te halen.

Kevin van de Rijdt.Beeld LinelleDeunk

Zijn baret lag op de kist waarin hij werd begraven, net als zijn medailles. Hij was en bleef militair, ook na zijn dood. Dat hield me op de been: hij werd weer in zijn kracht gezet. Ook door het militaire afscheid dat hij kreeg.

Het leger was zijn leven. Dat het ook zijn dood was geworden, besefte ik pas in de maanden na de begrafenis. Het was een donker jaar, ik wilde ’s ochtends niet opstaan en belandde in de ziektewet. Na dat eerste jaar dacht ik: nu is het klaar. Ik ging vrienden opzoeken en creëerde een ritme, elke dag om 9 uur fitnessen – in de sportschool waar onze Kevin altijd kwam.

We zijn nu tien jaar verder. Ik tel de klotedagen niet meer, maar op jaarbasis heb ik er meer dan genoeg. Het verdriet is nooit weg. Ik ben erdoor veranderd. Ik ben emotioneler maar ook makkelijker. Het allerergste is me al overkomen, mij maken ze de pis niet meer lauw. En ik geniet intenser van mijn dochter en kleinkind.

Doordat Kevin in het leger zat, heb ik een concrete manier om hem te herdenken. Al zijn legerspulletjes – van zijn uniform tot medailles tot zijn baret waar hij ooit eens bier uit moest drinken – staan in mijn ‘Kevin-kast’. Op zijn sterfdag drink ik een glaasje whisky voor die kast.

Over de zin van Kevins dood, of de zinloosheid, denk ik niet na. Woede heb ik nooit gevoeld. Wel jegens de taliban, maar ik ben nooit boos geweest op Kevins keuze. Mensen vragen dat weleens. Dan zeg ik: ‘Op het moment dat hij sneuvelde, deed hij wat hij het allerliefste deed.’ Hij wílde dit zelf. Hij wilde niet dood, maar hij nam het risico voor lief. Daar troost ik mezelf mee. En tuurlijk heb ik wat-áls-gedachten. Hij is dan wel gestorven in het harnas, maar ik had hem liever weer heelhuids in dat harnas hier gehad. Maar hem tegenhouden had geen zin – het was zo’n eigenwijze gozer. Zó eigenwijs. Maar ook moedig. Zo ontzettend moedig.’

Mariëth Kunis.Beeld Linelle Deunk

John, de man van Mariëth Kunis (54), overleed zes jaar geleden op 50-jarige leeftijd tijdens zijn werk bij de vrijwillige brandweer. Bij het bergen van een auto onderwater ging het mis.

‘Soms moest John midden in de nacht uitrukken als brandweerduiker. Als er een auto in het water was gereden of ergens een fiets langs een waterkant was gevonden. Onderwater was het pikdonker. Maar bang was hij nooit. Ik ook niet. Mijn man was een fanatiek sportduiker en deed dat al een jaar of vijfentwintig. Hij dook veel in Nederland, dan zag hij baarsjes, snoeken en soms een meerval. Maar we gingen ook naar de andere kant van de wereld. Zo doken we in Maleisië voor het eerst samen.

Toen hij bij de vrijwillige brandweer ging, vond ik het vooral spannend. Als hij vrij was, volgde ik uit nieuwsgierigheid de regionale 112-meldingen. Op een maandagmiddag was er een bericht dat een auto te water was geraakt in Koedijk, vlak bij Alkmaar. Een 51-jarige man was gered. Hij was er slecht aan toe, maar leefde nog. Later hoorde ik dat dat het werk van mijn John was geweest. Dat hij onder water een autoruitje had ingetikt en later met een big smile in de brandweerauto zat bij te komen. De reddingsoperatie was vlekkeloos verlopen.

Daarna ging het mis. John assisteerde bij het bergen van de auto. Een routineklusje. Touwen bevestigen en weer naar boven. Hij kwam niet meer boven.

Ik las het op diezelfde site. ‘Brandweerduiker in de problemen’. Ik vertrouwde het niet. Met trillende handen sprong ik in de auto. Bij Koedijk kwam een ambulance aanrijden. Ik kende de chauffeur toevallig. ‘Is het John?’ vroeg ik. Zijn blik zei genoeg.

Mijn man is op de bodem van het kanaal gevonden met zijn masker af. Het was niet koud, niet donker, niet diep. Hij had verschillende opties om boven te komen: zijn loodgordel afgooien, zijn vest opblazen, omhoog zwemmen. Waarom hij dat allemaal niet heeft gedaan, blijft een raadsel.

Ik zag hem voor het eerst weer in het mortuarium van het ziekenhuis. In zo’n kil ziekenhuishemd. Zijn duikpak – het harnas dat hem had moeten beschermen – kreeg ik later opengeknipt terug. Het was niet gelukt hem te reanimeren. Om hem heen stonden kaarsen. Ik riep: ‘Doe normaal! Ik vind de grap nu niet leuk meer!’ Er was niets aan hem te zien, het leek of hij lag te slapen. Hoe kon mijn sterke man dan dood zijn?

We hadden ’s ochtends op mijn werk nog samen een bakkie gedaan – John was bloemist en verzorgde op mijn kantoor de planten. Zes uur later was ik weduwe. Ik had nul voorbereiding gehad. Maar het gekke is: ik ging niets uit de weg, nam al mijn beslissingen op gevoel. Ik speechte op de uitvaart, werkte mee aan een tv-portret, voerde gesprekken met de onderzoeksinspectie en ik sprak met de man die door John was gered.

John Impink.Beeld LinelleDeunk

John kreeg een begrafenis met korpseer. Met een vlag over zijn kist, zoals ze dat bij de brandweer doen. Verdriet en trots wisselden elkaar af.

De eerste weken maakte ik mijzelf onbewust wijs dat John onder water een hartaanval had gekregen. Pech. Die onvermijdelijkheid gaf een zekere mate van berusting. Ik kon me niet voorstellen dat hij domweg was verdronken.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), dat de zaak had onderzocht, kwam met ander nieuws: John was kerngezond toen het gebeurde. Toen stortte ik in. Ik heb een tijdje niet gewerkt, kreeg traumatherapie. Ik had van Johns laatste minuten een nare herinnering gecreëerd. Die is nu vervaagd. Het blijft pijnlijk, maar het is wat het is.

Ik heb geschreeuwd, gejankt en gewanhoopt. Vooral het tweede jaar merk je dat er mensen afhaken. Dan dacht ik weleens: waar zijn die mensen die na de crematie zeiden dat ze er voor me zouden zijn?

De echte vrienden en familieleden bleven. Mijn wanhoop is weg, maar mijn emmertje is sneller vol. Soms zeggen mensen onbedoeld harde dingen. Bijvoorbeeld, na een regenbui: ‘Ik ben verzopen’. Dat doet zeer. Ik kan ook jaloers zijn op mensen die wél afscheid konden nemen van hun geliefde, na een ziekbed ofzo. Maar ik denk nooit: wáárom moest John nou zo nodig bij de brandweer? Hij vond het prachtig. Ik steunde hem daarbij. Bovendien: John heeft een leven gered. Dat maakt me trots.

Ik heb er voor gekozen om niet in de slachtofferrol te kruipen. Na twee jaar kreeg ik weer een nieuwe liefde, en dat gaat samen met mijn verdriet. Hij gaat zelfs mee naar de jaarlijkse herdenking bij het Brandweermonument. Ik werk weer, ik reis, geniet. En ik duik. Met mijn nieuwe partner. Dan zie ik baarsjes, snoeken – soms een meerval. Vlak na Johns dood vond ik het eng onder water. Letterlijk doodeng. Het was de plek waar hij was gestorven. Maar nu is het weer de plek waar hij altijd zo graag was.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden