'De mensen voelen zich vergeten'

Het Ierse graafschap Donegal is een desolate uithoek met een ruig, rommelig landschap. Eenmaal binnen is daar de Ierse gastvrijheid....

Je rijdt er in de regen zo voorbij, langs het fraaie oude stationnetje (1863) van het verder niet zo opwindende dorp Buncrana, gelegen aan een inham van de Atlantische Oceaan. Er staat een verweerd bord dat al decennia geen lik verf meer heeft gezien, maar dat de bezoeker van harte uitnodigt zijn problemen te vergeten middels een paar glazen lager en een stevig bord eten. Wie toch stopt, moet tweemaal kijken: is dit wel open?

Problemen zijn hier genoeg. De treinen rijden al sinds 1953 niet meer – een van de oorzaken die dit deel van Ierland een verloren hoek doen lijken. Het stationnetje gaat nu door het leven als de Drift Inn, maar heeft betere tijden gekend; de pub en het restaurant – de voormalige woning van de stationschef – staan te koop.

Binnen wordt je echter direct overvallen door de Ierse gastvrijheid. Een knetterend haardvuur heet de bezoeker welkom. De knusse bar is versierd met duizenden schelpen, aan plafond en muren hangen visnetten en andere prullaria. Kitscherig, maar je wordt op slag milder als je hoort dat het verwijst naar de bloeiende haringvisserij die Buncrana ooit had. Ook deze ging echter ten onder – reeds in de jaren dertig.

‘We hebben hier niet zo veel meer op dit schiereiland’, zegt Rory Porter, wiens familie de Drift Inn een halve eeuw heeft uitgebaat. ‘Toeristen gaan vooral naar Donegal Town, van daaruit maken ze excursies. In deze uithoek lijkt niemand geïnteresseerd, op Malin Head en paar andere dingen na. De mensen voelen zich vergeten.’

Eén blik op de kaart zegt genoeg: het graafschap Donegal ligt geïsoleerd, en is – ingeklemd door de Britse provincie Noord-Ierland – slechts door een smalle strook land verbonden met de rest van de republiek. Niet dat die grens er veel toe doet; Ierland blijft gevoelsmatig één geheel, hoeveel ellende de Britse overheersing en de religieuze twisten ook hebben veroorzaakt.

Maar de bevolking van Donegal is eigenwijs en staat, door schade en schande wijs geworden, wantrouwig tegenover elke verandering. Het was de enige plek in Ierland waar ook in het tweede referendum tégen het EU-verdrag van Lissabon werd gestemd.

In Donegal zelf kun je je nog verder afzonderen door naar het schierleiland Inishowen te gaan, uitmondend in Malin Head – Ierlands noordelijkste punt. Het glooiende landschap doet enigszins Schots aan, is ruig, kaal en wat rommelig, wat het onderscheidt van sommige andere delen van Ierland en van het lieflijke Engelse platteland.

Inishowen is een prima kandidaat voor wie het echte Ierland zoekt, en dat oogt heel wat anders dan ‘het echte Ierland’ uit de folders dat de miljoenen toeristen trekt die de republiek jaarlijks aandoen. Zij verwachten – terecht – gezellige pubs waar soms nog wordt gezongen, maagdelijk groene heuvels en landweggetjes waar je op verdwaalde kuddes schapen stuit.

Maar in deze uithoek vind je ook veel sporen van de keiharde Ierse realiteit, zowel die van 150 jaar geleden als die van 2010. Fraai om te zien is dat niet altijd, fascinerend wel. Juist hier is het mogelijk de Ierse volksaard, gevormd door diepe droefenis en grote euforie, wat beter te leren begrijpen.

Rijd bijvoorbeeld naar het noorden en volg de borden van de ‘Inishowen 100’ (in het Iers: ‘Inis Eoghain 100’), een van de mooiste landschapsroutes van Ierland, richting het betoverende Five Finger Strand en Malin Head, een ruige punt met daarop een oude uitkijkpost. Aan de linkerzijde duikt steeds weer de oceaan op met zijn fraaie baaien en stranden, waar golven en onderstroom zwemmen tot een riskante bezigheid maken. Maar wie af en toe een binnenweggetje induikt, ziet ook minder vrolijke taferelen: talloze lege of half-afgebouwde huizen, vergaand in de gure Ierse elementen.

Volgens de jongste schattingen staat nu bijna één op de vijf huizen leeg in het dunbevolkte Ierland. Ook in Donegal roken veel Ieren snelle winst via de huizenhandel, in het decennium waarin het land op papier een van de rijkste naties ter wereld werd. Niemand zit echter meer te wachten op al die nieuwe vakantiehuisjes – de zeepbel is geknapt. De jeugd trekt weg op zoek naar werk, in Dublin of in het buitenland.

Het is een nieuwe klap voor een regio die al zo veel ellende heeft gekend. De bevolking is er gehalveerd sinds medio negentiende eeuw, toen de ramp toesloeg waarvan ook nu elke Ier nog feilloos de details weet: de Grote Hongersnood. Tussen 1845 en 1852 stierven een miljoen Ieren van de honger door het mislukken van de aardappeloogsten, terwijl eenzelfde aantal uit wanhoop emigreerde.

Pat Doherty (45) weet wat armoede is. Tot medio jaren tachtig woonde hij met zijn ouders, broers en zussen in een piepklein boerderijtje in het gehucht Doagh, met een dak van helmgras. ‘Mijn vader ving konijnen in de duinen. En in de zomer vingen we wat vis, die we vervolgens droogden. Daar konden we net van leven.’ Met de konijnenhandel was het gedaan nadat – jawel– de konijnenziekte myxomatose toesloeg.

Na een verhuizing besloot Doherty zijn ouderlijk huis in te richten als museum. Het Doagh Famine Village is uitgegroeid tot een heus openluchtmuseum waarin de geschiedenis van Ierland wordt verteld van de hongersnood tot het heden – zelfs de banken die het land de afgelopen twee jaar aan de rand van de afgrond brachten, komen aan bod.

Het staat in weinig reisgidsen en oogt lichtelijk amateuristisch, maar heeft juist daardoor charme. ‘Kom binnen, het theewater kookt al’, staat in reuzenletters op de gevel. De bezoeker treft er een nagebouwd dorp waar het Ierse leven wordt uitgebeeld met poppen, maquettes en stellages. Zie de plaggenhutten waarin miljoenen Ieren destijds leefden. Ramen en schoorstenen ontbraken, aangezien op dergelijke luxe belasting werd geheven door de Britten. De allerarmsten woonden in scalps, éénpersoonsholen die nauwelijks beschutting bieden.

Juist dit armste deel van Ierland, waar bewoners kilometers moesten lopen om turf – de enige beschikbare brandstof – te halen, was paradoxaal genoeg ooit het dichtstbevolkt. In het gehucht Gortahork in West-Donegal woonden vlak voor de hongersnood bijvoorbeeld negenduizend mensen. Samen hadden ze slechts tien bedden en 93 stoelen tot hun beschikking.

Lopend langs alle scènes is het niet moeilijk te begrijpen waarom veel Ieren nog altijd een afkeer van Engelsen hebben. Maar Doherty hoopt juist dat zijn dorp, dat ook IRA-schuilplaatsen telt en vol verwijzingen zit naar andere moderne conflicten en hongersnoden, verbroedering opwekt. Plus een beetje brood op de plank: ‘Ik heb vier kinderen die moeten eten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden