Zinvol levenTheodore Dalrymple

‘De mens is extreem belangrijk en extreem onbelangrijk’

Psychiater en schrijver Theodore Dalrymple.Beeld Jitske Schols

De menselijke ellende die hij als psychiater tegenkwam, ging zijn fantasie te boven. Toch is het juist de mooie kant van de beschaving die Theodore Dalrymple anderen wil laten zien.

Vergeten boeken, aangetroffen in tweedehands­winkeltjes in Wales, en onbekende schrijvers, begraven langs de zijpaden van de Parijse ­begraafplaats Père Lachaise – de Britse psychiater en schrijver Anthony ­Daniels, beter bekend onder zijn pseudoniem Theodore Dalrymple, wekt ze op zijn 70ste op papier weer tot leven. Dat bevredigt niet alleen zijn enorme nieuwsgierigheid (‘Overal is het interessant’, luidt een typerende hoofdstuktitel van zijn laatste boek, In Praise of Folly), maar het vormt in zijn ogen ook een bijdrage aan het grotere verhaal van onze cultuur: ‘Ik vind het belangrijk dat mensen begrijpen hoe we zover zijn gekomen. Juist omdat we weten hoe kwetsbaar onze beschaving is.’

Met die laatste woorden verwijst hij naar de Tweede Wereldoorlog, die het leven van de in 1946 geboren ­Dalrymple sterk heeft beïnvloed. Zijn Joodse moeder verliest als jonge, naar Engeland gevluchte Duitse ­zowel haar ouders als haar eerste verloofde. Na de oorlog kan ze niet meer op een normale manier van haar zoon houden. Die is bovenal opgelucht wanneer hij op zijn 18de het ­ouderlijk huis mag verlaten, ook al omdat hij een even moeilijke relatie onderhoudt met zijn vader, een communistische werkgever: ‘Hij vernederde zijn werknemers. Hij leerde me een goede les, ik wist hoe ik niet wilde zijn.’ Thuis werd bovenal gezwegen: ‘Van mijn jeugd kan ik me niet herinneren dat er ooit een woord tussen mijn ouders is gewisseld. Zelfs in restaurants verliepen maaltijden altijd zwijgend.’

Om zich hiervan te verwijderen zwerft hij, na zijn studie medicijnen, geruime tijd door Afrika, waar hij ervaart hoe het is om ‘zo vrij als een ­vogel’ te zijn: ‘Ik was maandenlang incommunicado, heerlijk.’ Terug in Engeland krijgt hij als gevangenispsychiater in Londen en Bristol ­patiënten die tot de onderkant van de samenleving behoren. De ervaringen met hen leiden eerst tot het geruchtmakende Leven aan de onderkant (2001) en later tot het somber gestemde Beschaving, of wat er van over is (2005). Schrijven is voor hem lange tijd een noodzakelijke bezigheid om het als psychiater te kunnen volhouden: ‘Wat ik in de werkelijkheid aan menselijke ellende tegenkwam, was erger dan mijn fantasie zich kon voorstellen.’

Vanaf zijn 56ste legt hij zich toe op zijn schrijverschap. In conservatieve kringen verwerft hij populariteit met zijn opvatting dat verslaving geen ziekte is, maar een individuele keuze. Van enige somberte is tijdens een gesprek met Dalrymple geen sprake, geregeld barst hij in lachen uit. ­‘Humor is essentieel om dit tranendal te overleven. Het leven is een ­komedie voor degene die denkt en een tragedie voor degene die voelt’, zo haalt hij de 18de-eeuwse schrijver Horace Walpole aan. Om eraan toe te voegen: ‘Ik denk dat het een tragi­komedie is.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Ik zou niet kunnen zeggen welk gedrag zinvol is en welk niet. Er is op dit vlak nog maar weinig houvast voor mensen. Vroeger gaven de kerk en de politiek dat. Van het marxisme kun je van alles vinden, maar mensen hadden wel het gevoel dat ze aan de goede kant van de geschiedenis konden staan. Dat is verdwenen. Je ziet nu een soort balkanisering van ideologie; mensen die fanatiek bezig zijn met een deelonderwerp, zoals identiteit. Transseksualiteit is plots een groot onderwerp, gekomen vanuit het niets. Tien jaar geleden hoorde je er nauwelijks iets over, nu is het een grote beweging. Voor mij past dat bij het zoeken naar het geven van betekenis aan je leven. Klimaatverandering is ook zo’n onderwerp waarmee mensen zin aan hun leven denken te kunnen geven.’

Wat is voor u persoonlijk het antwoord?

‘Ik heb het liever over doelen dan over zin – een boek schrijven is mijn doel, in de hoop dat het andere mensen interesseert. Maar dat heeft geen hogere zin. De vraag wat een goed ­leven is, spreekt me meer aan, maar ook dan ben ik terughoudend met het bedenken van regels. Als je zegt dat het gaat om het leiden van een moreel goed leven, dan is dat heel mooi, maar het dreigt het leven wel ondraaglijk saai te maken. Waar is het plezier dan gebleven? Het gaat voorbij aan de intellectuele of esthetische kant van het bestaan. Bovendien sluit bewonderenswaardige moraliteit schadelijk gedrag niet uit. Mensen zijn in staat met de ­beste bedoelingen anderen te ­schaden.’

Leestip: Vaders en zonen, Ivan Toergenjev

‘Deze grote roman valt te lezen als een subtiel onderzoek naar de relatie tussen de menselijke werkelijkheid en politieke idealen. De auteur was een liberaal die iedere vorm van wreedheid jegens anderen tot in zijn vezels haatte – hij voorzag in 1862 hoe omarming van een ideologie tot inhumaan gedrag kan leiden. Zijn roman kwam onder vuur te liggen van radicalen die hem reac­tionair vonden en van reactionairen die hem radicaal vonden.’ 

Maar toch: hoe ziet een goed ­leven voor uzelf eruit?

‘Ik stel goede relaties met anderen voorop – ik denk dan niet alleen aan de liefde, maar ook aan vriendschappen. Dat doe ik nu meer dan in mijn twintiger jaren, toen was ik meer met mezelf bezig. Nu zou ik zeggen dat liefde het belangrijkst in het leven is. Met mijn vader en moeder had ik een liefdeloze relatie. Daarentegen had ik een goede liefdesrelatie met mijn hond – dat is echt goed gegaan, haha. Ik zie mijn hele leven eigenlijk als een vlucht weg van mijn kindertijd, weg van mijn liefdeloze ouders. Maar ik koester geen wrok meer, al heb ik daar wel last van gehad.

‘Wrok is een schadelijke emotie. Je kunt dat je hele leven blijven voelen, maar eens moet je gaan inzien dat het onvruchtbaar is, ook al ben je nog zo slecht behandeld. Anders loop je het risico dat je je verleden voortdurend blijft gebruiken ter verklaring van je eigen onvrede. Dan zit je vast, je kunt niets meer aan die jeugd doen. Het idee dat je eindeloos in je verleden moet spitten om jezelf in het heden te helpen, onderschrijf ik niet. In feite is het niet meer dan pogen anderen de schuld te geven. Het mooie van het leven is juist dat je vrij bent. Tsjechov heeft dat in een brief prachtig beschreven, hoe hij zijn moeilijke verleden wist te overstijgen en zich op een dag een vrij man voelde. En kijk eens wat hij allemaal heeft bereikt. Ik geloof dat de mens tot dat overstijgen in staat is.’

Het helpen van anderen wordt vaak als zinvol ervaren – beziet u uw werk als psychiater in dat licht?

‘Nou, ik werd zeker ook gedreven door mijn nieuwsgierigheid. Voor mij bestaat er geen oninteressant mens, ik vind het leven van een ander altijd boeiend. Het is niet dat je ­me­teen van iedereen iets kunt leren, nou ja, misschien wat je vooral niet moet doen, haha, maar het fascineert me altijd. Veel mensen uit de wat betere klassen komen nooit met de ­onderklasse in aanraking – ze hebben geen idee, ze spreken alleen elkaar. Het in contact komen met die mensen heeft mijn kijk op het bestaan wel veranderd. Ik ben anders gaan kijken naar kwesties als verantwoordelijkheid en vrijheid. Het heeft me ook pessimistischer over onze beschaving gemaakt.

‘Wat dat helpen betreft: ik was ­eigenlijk voornamelijk bezig mensen af te helpen van het idee dat zij hulp moesten verwachten. Ik probeerde ze duidelijk te maken dat ze zelf verantwoordelijk voor hun leven zijn door ze een spiegel voor te houden. Criminelen vroegen me bijvoorbeeld: ‘Ben ik een inbreker geworden, omdat ik een slechte jeugd heb gehad?’ Daarmee herhaalden ze een boodschap die een elite hen heeft wijs gemaakt, ze zouden dat zelf nooit hebben bedacht. Ik zei dan: ‘Dat heeft er niets mee te maken.’ Waardoor doe ik het dan, vroegen ze. ‘Omdat je dom en lui bent’, antwoordde ik. Dan kreeg ik een schuldbewust lachje terug. Ze werden niet boos, omdat ze ook wel wisten dat ik gelijk had, dat het niet door hun jeugd kwam. Natuurlijk was die ­ongelukkig, ze kwamen bijna altijd uit een verschrikkelijke wereld waarin ouders zich niet verantwoordelijk voelen voor hun kinderen. Maar ze wisten ook dat lotgenoten niet gingen inbreken. Als je mensen slacht­offerschap aanpraat, houd je hun problemen in stand.’

Uw laatste boeken tonen juist mooie kanten van onze beschaving, in plaats van het verval te verkondigen. Bent u klaar met de klaagzang?

‘Inderdaad, ik heb er langzamerhand alles over gezegd wat ik wilde zeggen. Al is het een thema waarop je oneindig kunt blijven variëren, maar ik zou me dan herhalen. Alleen ben ik nog niet klaar om in mijn stoel te wachten tot eerst de lunch en daarna de dood komt. Haha. Ik vind het belangrijk dankbaarheid uit te spreken jegens vergeten schrijvers, maar ook jegens vergeten medici die geholpen hebben de beschaving te brengen tot waar zij nu is.

‘Wat mij aanspreekt, is dankbaarheid voor wat er is. Ik heb de indruk dat die bij veel mensen uit hun leven is verdwenen. We gaan ervan uit dat het normaal is wat er allemaal op ­medisch gebied voor ons mogelijk is. Maar ieder aspect daarvan moest eerst worden ontdekt, de mens heeft al zijn kennis aan de onwetendheid moeten ontworstelen. Voor het feit dat dat is gelukt, kan ik grote dankbaarheid voelen. Dat geldt ook voor kunst: wat er aan schilderkunst is, zoals de schilderijen van Pieter de Hooch die mijn vrouw en ik zojuist in Delft hebben bekeken, daar kan ik me dankbaar voor voelen. Dat geldt eigenlijk voor onze hele beschaving. Daarom wil ik ook per se niet dat die wordt vernietigd, wat zoals we hebben gezien gemakkelijk kan. Scheppen is zo veel lastiger dan vernietigen.’

Hoe kijkt u aan tegen uw eigen sterfelijkheid?

‘Als 70-jarige ben ik me natuurlijk ­bewust van mijn sterfelijkheid, die zet mij aan tot werken. Maar ik blijf er niet bij stilstaan, want zoals ­François de la ­Rochefoucauld (Frans schrijver, 1613-1680, red.) zei: we kunnen noch de zon noch de dood recht in de ogen kijken. De gedachte eraan maakt wel dat ik steeds meer weerzin voel bij ­ruziemaken over kleine dingen. Wat kan het schelen dat iemand je parkeerplek inpikt, in het aangezicht van dood en vergetelheid?

‘De kunst is te blijven beseffen dat je zowel extreem onbelangrijk als ­extreem belangrijk bent. Dat laatste ben je voor jezelf en je naasten – de mensen om ons heen moeten we behandelen alsof ze extreem belangrijk zijn.

‘Maar dat eerste ben je ook: als ik dood neerval, draait de hele wereld door, alsof ik nooit heb bestaan. Dat is onze condition humaine. Het christendom maakt dat goed duidelijk: je bent belangrijk voor God, maar ook niets in vergelijking met God. Ons ­leven is een poging een evenwicht te vinden tussen die twee uitersten.’

Meer zinvol leven

Hoe komen we in een maatschappij die zo uitnodigt de ander te negeren of uit te sluiten met elkaar in gesprek over goed samenleven? Hans Alma, gasthoogleraar humanistiek en coach, ziet daarin de grootste uitdaging van deze tijd.

Hij is strijder voor een betere jeugdzorg, dat doet hij vanuit zijn eigen (traumatische) ervaring. Dankbaar voor het leven is hij niet, zegt Jason Bhugwandass. En dat kleurt zijn dag, elke dag opnieuw.

Zie hier het overzicht van alle tot nu toe verschenen afleveringen van deze interviewserie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden