InterviewMargôt Ros

‘De Margôt die in mij zit en níét ziek is, die wil het liefst door’

Beeld Aisha Zeijpveld

Begin 2018 knalt actrice Margôt Ros (54) met haar hoofd tegen een decorstuk. Over het hersenletsel dat ze daarbij opliep schreef ze het boek Hersenschorsing. ‘Ik ben door het donkerste donker gegaan.’

‘Stuur me de dag voor onze afspraak nog even een berichtje,’ mailt Margôt Ros wanneer we een datum prikken voor dit interview. ‘Ik ben dan net de hele week in Haarlem geweest voor een neurologische behandeling en... Nou ja. Voor de zekerheid.’ Haar vriend, freelance journalist en copywriter Jeroen Kleijne, zal daar later aan toevoegen: ‘Beperk je tot de tijd die je nodig hebt, hoe gezellig Margôt straks ook zit te kletsen.’ Ros, lachend, in de keuken van haar Amsterdamse driekamerappartement in de weer met percolatorkoffie: ‘O ja, zei hij dat?’

Heeft hij een punt?

‘Dat is iets waar ik dagelijks op moet letten, ja. Ik zet mezelf ’s ochtends op de rails, ik vertrek, en de rest van de dag moet ik heel streng zijn in hoe ik mijn energie gebruik. Ik hou mijn balans goed in de gaten, zet zelfs wekkers. Want de Margôt die in mij zit en níét ziek is, die wil het liefst door. Maar hoe ik me nu voel is niet te vergelijken met hoe het was, hoor. Op het dieptepunt van mijn ziekte kostte naar het toilet gaan zelfs bakken energie.’

Op 25 januari 2018 speelt Margôt Ros samen met Toren C collega Maike Meijer en vakgenoten Wilfried de Jong en Martin van Waardenberg een voorstelling in het DeLaMar Theater in Amsterdam. Tijdens een van de vele changementen, het razendsnelle verkleden in de coulissen, rent Ros in het halfduister keihard met haar hoofd tegen een decorstuk aan. Ze valt neer, krijgt ijs op haar hoofd, en gaat weer op voor de volgende scène. Wanneer ze op het podium spontaan moet huilen grijpt Wilfried haar stevig vast, en doen ze samen of dat bij de scène hoort.

Een dag later oordeelt de huisarts dat ze een hersenschudding heeft. Kalm aan, is het devies, nog even niet op handen knieën de vloeren gaan dweilen, dan is het met een dag of tien wel weer over.

Het loopt anders.

Na tien dagen is de splijtende koppijn niet alleen níét weg, ze heeft er allerlei klachten bij gekregen. Ros heeft moeite met licht, geluid, geheugen, concentratie, oriëntatie en balans. Ze slijt haar dagen in bed met een ‘invaliderende moeheid’, alleen en met de gordijnen dicht, de spaarzame keren dat ze naar buiten gaat draagt ze een noise-cancelling koptelefoon – en dan nog zorgen vogelgeluiden, het stationair draaien van een automotor of zelfs de tikker van het groene licht voor voetgangers voor een ondraaglijke belasting.

Beeld Aisha Zeijpveld

En zelfs naar de wc gaan was dus een tour de force. Hoe werkt dat?

‘Je moet je voorstellen: je brein is een soort supercomputer die alles aanstuurt: van je hartslag tot je ademhaling, maar ook het verwerken van licht en geluid. Wanneer dat brein is gekwetst, zoals bij mij, is dat systeem in de war, waardoor je brein voortdurend denkt dat het wordt aangevallen. Dan is alles te veel: een straal zon, een plastic zak die kraakt. Het scheelt dat ik nu in medische termen weet wat er aan de hand is. In het begin wist ik dat niet, dat was doodeng. De lichtflitsen, de bodem niet goed kunnen zien, de gebouwen die naar je toe neigen, fietsers die in zwarte vlekken veranderen – dat was gewoon horror. Zelfs naar de wc gaan was dus een enorme belasting. Het begon er al mee dat ik eerst rechtop moest gaan zitten, in mijn stoel. Daar moest mijn lichaam dan eerst even van bijkomen. Daarna...

De deur gaat open, dochter (16) komt binnenwaaien in haar sportoutfit. ‘Ha-aaai.’

Margôt: ‘Hoi! Ga je trainen, schat?’

Dochter vult flesje met water: ‘Ja, en ik zoek mijn telefoon.’

Rommelderommel, het geluid van stromend water.

Margôt, fronsend: ‘Hou je rekening met... (denkt even na) je werk vandaag? Red je dat allemaal?’

Dochter: ‘Ja en daarna ga ik naar de bieb.’

Gekraak in een la, geritsel van een tas.

Margôt: ‘Is die dan nog open?’

Dochter: ‘Ja-haaa.’

Margôt: ‘Oké. Zet ’m op, schattie, doeg.’

Puber weg, deur dicht, rust terug. Ros glimlacht even. ‘Ik ben zo blij dat dit weer kan. Met kinderen ben je natuurlijk de hele tijd aan het plannen: heb je hieraan gedacht, heb je daaraan gedacht. Op het dieptepunt van mijn ziekte kon ik dat niet meer. Ik schreef alles op briefjes, álles. Als je zo ziek bent zijn dubbeltaken praktisch onmogelijk. Waar hadden we het ook alweer over?’

Over naar de wc gaan.

‘O ja. Nou, dan ging ik dus eerst rechtop zitten. Dan stond ik op, koos ik een punt op de muur en daar liep ik dan naar toe, want als ik me niet focuste werd ik misselijk van het lopen. Dan was ik bij de wc en ging ik zitten, liefst in het donker, om weer even bij te komen. Dan ging ik plassen, en als dat klaar was vroeg ik me af: ga ik nu weer terug naar de bank of is het te licht in de huiskamer? Zal dat me onderuit halen? Want te veel licht kon zomaar een bermbom zijn. Alles kostte energie. De deurbel die plots ging, verschrikkelijk. Iemand die spontaan langskwam, al was het maar vijf minuten, kon niet, want als diegene te druk sprak werd ik alweer kotsmisselijk. De wc vind ik trouwens nog steeds een fijn rustpunt, dat is echt een belangrijk hokje in mijn leven geworden.’

De wc als boeddhistisch centrum.

‘Ja precies, heel mindful.’

En wat voelt u nú dan? Want wij zitten nu ook alweer een poosje geanimeerd te praten.

‘Nu gaat het prima. Ik heb me hierop ingesteld, hè? Ik heb flink uitgerust van tevoren. En dat ga ik straks weer doen, als jij weg bent. Maar het belangrijkste: de intrinsieke noodzaak om iedereen over mijn ziekte te vertellen is zó groot, dat ik hier wel de hele dag en de hele nacht over kan doorpraten. En waarschijnlijk ben ik daar dan niet eens zo gesloopt van, want níéts geeft zoveel energie als motivatie. Dat heb ik me nooit gerealiseerd, maar het is zo. Wanneer je diep, díép gemotiveerd bent, kun je alles. Nou ja, bijna alles.’

Op welk moment na het ongeluk dacht u: dit kan geen hersenschudding zijn?

‘Dat duurde nog best lang. Je wíl er ook graag in geloven hè, dat het maar een hersenschudding is. En in het begin was het ook nog niet zo erg. Je lichaam doet het nog heel lang, na zo’n klap, omdat andere onderdelen het overnemen, vaak op adrenaline. Daarom kunnen mensen soms gewoon doorwerken terwijl hun halve arm eraf ligt. Het duurt heel lang voor je echt in de prak draait. Bij mij ook, in het begin had ik alleen hoofdpijn. Er zijn ook mensen die depressief worden, want een brein dat niet goed functioneert kan depressies makkelijk laten ontvlammen. Die krijgen dan ook die diagnose, en medicatie tegen depressie, terwijl ze in werkelijkheid hersenletsel hebben. En zelf weten ze niet beter, want je kan al hersenletsel krijgen door een bal die je hoofd raakt, of tijdens het tikkertje spelen met je kind. Ik heb het ‘geluk’ gehad, tussen aanhalingstekens, dat mijn oorzaak zo duidelijk was.’

Je kunt dus rondlopen met hersenletsel en géén idee hebben.

‘Ik ben heel slecht met cijfers, dat wás ik al, maar uit onderzoek is gebleken dat heel veel mensen die op straat leven, hersenletsel hebben. Dat zijn mensen die óf hersenletsel kregen terwijl ze op straat woonden, óf alles zijn kwijtgeraakt omdát ze hersenletsel kregen. En niemand die dat heeft opgemerkt. Daarom heb ik dit boek ook geschreven, om bewustzijn te creëren. Ik heb iemand van 27 jaar ontmoet die was afgekeurd voor zijn werk. In mijn ogen zou dat niet nodig moeten zijn. Dat is een grote uitspraak, maar ik ben ervan overtuigd dat door onwetendheid veel geestelijk kapitaal verloren gaat. Godzijdank heeft mijn huisarts redelijk snel herkend dat ik PCS had, post commotioneel syndroom, zoals het heet wanneer een hersenschudding langer dan zes weken duurt.’

Vanaf dat moment bent u volgens onderzoek van het RIVM (2016) één van de 645.900 Nederlanders met NAH: niet-aangeboren hersenletsel. 

‘Ja, dat is dus hersenletsel dat je oploopt bij een ongeval, of bijvoorbeeld een hersenbloeding.’

Beeld Aisha Zeijpveld

PCS zorgt dat je zelfs van het graaien in een zak chips in een vecht- of vluchtstand kan schieten, schrijft u in uw boek. Hoe werkt dat?

‘Dat is dus dat brein dat denkt dat het voortdurend aangevallen wordt. Ik had het gevoel dat ik zonder huid rondliep, álles deed pijn. De chiropractor die bij wijze van test een stemvork bij mijn oor hield heb ik bijna gehoekt, zo sterk was m’n reactie. Dat kan je ook niet tegenhouden, het is een instinctief iets. Dat brein is zo geactiveerd, dat er voortdurend paniek is. Mijn hartaanslag ook, die zat híér. Nog steeds is die veel te hoog. Dit hoef je allemaal niet op te schrijven hoor, maar je autonome zenuwstelsel bestaat uit twee delen: je sympathisch stelsel en je para-sympathisch stelsel. Je sympathische stelsel gebruik je om te werken, om na te denken, om actief te zijn. Dan gaat je hartslag omhoog, je bloed wordt rondgepompt en je staat op ‘aan’. Zodra je daarmee stopt, gaat meteen je para-sympathisch zenuwstelsel in werking, en dát is het gedeelte waarmee je jezelf herstelt. Je hartslag gaat dan naar beneden, je rust uit, je verwerkt. Mensen die bijvoorbeeld overspannen zijn, hoe heet dat ook alweer...’

Burn-out?

‘Ja, mensen met een burn-out zitten voortdurend in dat sympathisch zenuwstelsel. Dan is je brein über-actief. Daarom gaan mensen mediteren. Dat is ook iets wat ik heb ontdekt, dat mediteren helemaal niet iets spiritueels is. Ja, dat kan je ervan máken, maar in principe is het gewoon breinsport, je vertraagt je hartslag door middel van ademhalingsoefeningen, niks meer en niks minder. Inmiddels beleef ik er veel meer aan, maar in principe is mediteren gewoon iets medisch. Echt waar, als jij tien minuten per dag mediteert, moet jij eens kijken waar je na een maand staat.’

Nou?

‘Je slaapt beter, je kunt je beter focussen op je werk, je raakt veel sneller je stress kwijt, noem maar op.’

U was altijd zeer sceptisch over meditatie. Uit Hersenschorsing: ‘Ik voel een diep verzet tegen zogenaamd verlichte mensen, in kleermakerszit op hun onwaarschijnlijk kleine, harde kussentje en hun arrogante glimlach.’

Lachend: ‘Ik moest ook echt wennen aan in een ruimte komen met wierookgeur. Ik ben daar gewoon niet van. Ik ben pragmatisch: geef me handvatten, en ik doe het. Maar dat ís mediteren juist. En toen ik dat eenmaal doorhad, dat je in tien minuten jezelf kon herstellen, was dat een enorme eyeopener. Ik durf nu van mezelf te zeggen dat ik rust en stilte nodig heb.’

Dat is dan wel weer winst, in een verder waardeloze situatie.

‘Absoluut. Zonder meditatie was ik nu niet zover geweest.’

Diepe zucht, ze sluit even haar ogen.

Gaat het?

Glimlachend: ‘Jazeker, dank je. Het is gewoon veel. Maar het gaat goed.’

Naast dagelijkse meditatie volgt Ros uitgebreide, vermoeiende therapieën om weer in het ‘land der levenden’ te geraken, en hoewel het steeds beter gaat, duurt het herstel lang. ‘Ik ben verbannen naar een andere wereld’, schrijft ze. ‘Een wereld die parallel loopt aan het leven dat ik had.’

Was u bezorgd om het effect van uw ziekte op uw relatie met Jeroen? Want echt leuk is het niet, als je samen op vakantie gaat naar Gran Canaria en de één zit de hele dag op de hotelkamer omdat de zee zo hard ruist.

‘Vreselijk was dat. Ook omdat ik helemaal niet zo ben: ik ga altijd uit van het positieve, altijd. Maar dat is ook juist mijn redding geweest. Ik had heel sterk het gevoel van: we maken een overtocht van het ene naar het andere continent en we zitten op een rammelig vlot, we hebben weinig te eten en het stormt ook nog, maar op een dag is er land in zicht. Ik kóm hier uit. En omdat Jeroen dat ook zei, ben ik nooit bang geweest dat het stuk zou lopen tussen ons. Pas nu ik beter word kan ik soms ineens ontroerd raken van de extreme veerkracht die hij al die tijd heeft getoond.’

Jeroen zei: ‘Ik heb nooit overwogen weg te gaan omdat dit de fijnste relatie is die we ooit hebben gehad, allebei. Wat wel scheelde, is dat we niet samenwonen, daardoor kon ik me terugtrekken en mijn eigen dingen doen als ik daar behoefte aan had.’

‘Mijn ziekte was beter te dragen omdat we niet samenwonen, dat is zeker waar. Als ik wist dat ik hem zou zien, hield ik daar rekening mee door de rest van de dag helemaal niets te doen. En als het dan nog niet ging, belde ik hem af. Als je samenwoont, kan dat niet. Ik heb verhalen gehoord van mensen met mijn conditie die op een kleine oppervlakte wonen, met kleine kinderen, huilende baby’s... Dat ik echt dacht: hoe overleef je dat, in godsnaam? Er zijn ook mensen die naar Zweden zijn verhuisd, naar een stille boerderij in the middle of nowhere, om het vol te kunnen houden. Daar hoefde ik allemaal geen rekening mee te houden. Ik wist: Jeroen komt om 6 uur, tot die tijd zit ik in het donker energie en endorfines te verzamelen. En als hij er eenmaal was bestelde ik eten, zodat ik daar ook geen energie aan kwijt zou zijn. Alles om het even te kunnen volhouden, of misschien een half uur op een rustig terras te kunnen zitten, of een rondje om te gaan, want daar krijg je natuurlijk ook energie van. En je wil ook iets doen waarvan je weet dat hij daar blij van wordt, ook al ben je ziek.’

Beeld Aisha Zeijpveld

Zoals seks?

‘Seks is heel belangrijk geweest om ons te verbinden, absoluut. Door mijn kapotte brein wist ik soms niet precies waar ik was. Dat klinkt heel gek, want ik wist natuurlijk wel dat ik hier zat en de tafel daar was, maar toch zat daar een soort vertraging in. Een heel unheimlich gevoel. Maar als je seks hebt, maak je allerlei stoffen aan in je hoofd en je bent enorm op elkaar en je eigen lijf gefocust. Die verbinding maakte dat ik er écht was: ik ben hier, dit is mijn kont, dit is mijn knie, ik bén er. En dan nog was het soms een enorm gedoe hoor, want als ik me omdraaide in bed moest ik dat echt met beleid doen. Ik heb ook weleens gedacht, misschien moet ik gewoon blijven staan, dan kan ik me tenminste op één punt focussen, haha. Dus ja, dat was best wel even zoeken. Maar ik knapte er toch altijd van op, onder de streep. Wat er ook mee te maken heeft, is dat je elkaar op latere leeftijd ontmoet. Dan heb je een gepaste afstand tot elkaars leven. Je deelt alleen de goede dingen, en steunt elkaar in de mindere dingen zonder dat je daarin meegezogen wordt. Wat ik zei, als hij hier had gewoond en me voortdurend had moeten verzorgen, zou dit heel anders af hebben kunnen lopen. Dan kan ik me voorstellen dat je als partner zegt: ik kan niet meer.’

Jeroen zei ook: ‘Het werd wel steeds lastiger om zelf te ontspannen.’

‘Hij is heel zorgzaam, dus stond hij ook constant ‘aan’: hoe kan ik zorgen dat deze dag zo goed mogelijk verloopt voor Margôt? Daar moet hij nu langzaam weer vanaf. Dat er een brommer voorbijkomt en dat je niet meer meteen naar mij kijkt van: o-oh, hoe reageert ze, zal ze gaan huilen? Want zo slecht was het op z’n slechtst.’

Een aangrijpende scène in het boek is die waarin uw dochter nogal druk aan het praten is op de rand van uw bed, en u haar daar ineens heel hard van aftrapt, in uw wanhoop.

‘Ja. Ik vind het zeer naar dat zij hier doorheen moesten.’

Schiet vol. ‘Sorry, hoor.’

Slokje water. Dan: ‘Mijn kinderen zijn heel veerkrachtig, beiden, maar ze hebben op kousenvoeten door het huis moeten lopen. En dat op hun puberlaarzen. Dat is gewoon heel naar. En ik weet niet, als ze straks terugkijken, wat daarvan blijft hangen. Ik ga nu zelf ook pas terugkijken. Ik denk wel: jezus jongens, wat ongelooflijk knap hoe jullie dit gedragen hebben.’

U heeft een zoon (18) en een dochter (16), die de ene week bij u, en de andere week bij hun vader wonen. Hoe werkt dat, zo ziek zijn en dan voor kinderen moeten zorgen?

‘Kijk, die wanden daar...’ (wijst op de muur) ‘Dat is bordkarton. Ik woon in een peperkoekhuisje. En als je jong bent wil je keihard muziek draaien en op je Playstation zitten.’

En boos tegen je moeder kunnen doen.

‘Je wil ‘rot op’ tegen je moeder kunnen roepen! Je wil kunnen zeggen: jij met je stomme hersenletsel, en dan de deur lekker hard dichtgooien. Dát wil je. Gelukkig merk ik nu ik beter word dat ze dat steeds meer durven. Ook daaraan kan ik voelen: wow, ik word écht beter. Hoe meer schijt ze aan me hebben, hoe gelukkiger ik ben, haha. Ik heb wel gecompenseerd, dat doe je dan toch. ‘Ga maar lekker uit eten met je vriendinnen’, zei ik dan, ‘hier, heb je geld.’ Ja, want ze kon die vriendinnen niet mee naar huis nemen, daar kon mama niet tegen.’

Wel prettig dat u zich dat soort dingen kon permitteren. U kon tenminste eten bestellen, twee jaar lang niet werken. Je zal deze ziekte maar hebben en arm zijn, dat maakt de zaak nóg gecompliceerder.

‘Absoluut! En die mensen blijven ook vaak nog eens langer ziek. Want stress is slecht voor je brein. Als bijvoorbeeld je arts of je baas je niet begrijpt of je bent in een juridische zaak verwikkeld, staat dat je genezing in de weg. Ik schreef dit boek dus ook niet zozeer voor de patiënt, want die weet wel hoe dit is, ik schreef dit boek vooral zodat patiënten het aan mensen in hun omgeving kunnen geven. Zo van: kijk, dít is waar ik doorheen ga. Want ook al ga je weer aan het werk, je kunt sommige dingen niet meer. Je moet het helemaal opnieuw inrichten, en dat vereist van iedereen om je heen inzet. Met dit boek probeer ik hoop te geven aan iedereen die in de problemen zit met zijn of haar brein. Ik wil laten zien dat je er met de juiste hulp doorheen kunt komen, dat het leven écht beter wordt.’

Het boek is nadrukkelijk humoristisch geschreven, soms op het jolige af.

‘Echt?’

Namasté, namaskoffie, dat vind ik wel jolig, ja.

‘O die ja, haha. Nou, ik heb zoveel mogelijk mezelf willen laten zien, en dat soort gedachten gaan nu eenmaal door me heen als ik met tien andere hersenpatiënten op een matje lig. Ik heb de neiging om grappen te maken. Humor is mijn overlevingsstrategie, die lucht heb ik nodig. Maar het mocht nooit zo zijn dat ik door die grappen uit de situatie zou stappen, als je begrijpt wat ik bedoel. Het moest wel écht zijn.’

Op een gegeven moment ziet u in huis een oud krantenartikel van uzelf liggen. U staat daarin stralend op de foto en de kop luidt: ‘Zelfs in de moeilijkste tijden helpt mijn humor me er doorheen.’ In het boek schrijft u dan: flikker toch op.

‘Ja. Want er zijn ook tijden geweest dat die humor me er niet doorheen hielp. Ik had eerder ook wel hobbels op mijn weg gehad, tegenslagen gevoeld – ik bedoel, ik ben gescheiden, dat was ook geen pretje – maar nu ben ik voor het eerst echt somber geweest. Écht somber. Een somberte waar ik totaal geen vat op had. Ik kon niet tegen mezelf zeggen: kom op Margôt, de zon schijnt. Op zulke dagen hielp humor ook niet.’

Beeld Aisha Zeijpveld

Lijkt me een hard gelag.

‘Humor was altijd mijn dolk in het oerwoud, en ineens heb je je dolk niet meer bij je, terwijl je aan alle kanten aangevallen wordt. Heel eng.’

Toren C, een VPRO-serie waarin Margôt en actrice Maike Meijer veertig personages in een kantoorgebouw vertolken, begon in 2008. Ze wonnen een Beeld & Geluid Award in 2010, de serie werd verkocht aan Frankrijk en Engeland, en Ros’ personage Els is inmiddels een begrip geworden. In het boek schrijft Ros: ‘Els past me als een lievelingstrui. Als ik me hul in de bh met nepborsten en het lekkere vest voel ik een diepe rust.’ Nadat Ros ziek wordt ligt alles stil. Het zevende seizoen komt uiteindelijk tot stand met flink aangepaste werktijden, een halve draaidag hier, een rustpunt daar. Begin dit jaar kondigen Ros en Meijer samen het einde van Toren C aan.

Jullie zeiden: ‘We hebben zin in nieuw en fris.’

‘Dat hadden we al bedacht, voordat ik ziek werd. We zouden er nog één doen. We wilden ook niet stoppen omdat de bron was opgedroogd, absoluut niet, we hadden nog jaren door gekund, zeker met al mijn ervaringen in revalidatiecentra erbij. Maar er komt een moment dat je denkt: ik wil verder. Alleen werd ik kort daarna ziek. Gelukkig lag de helft van het materiaal al klaar. Ik was zo bang dat ik nooit meer zou kunnen spelen, dat het voor mij een enorm cadeau was dat ik dit nog kon doen.’

Maatschappijkritiek lijkt momenteel de trend in humor, zoals te zien is in de satirische programma’s Zondag met Lubach (VPRO), Promenade (NTR) en Nieuw Zeer (NTR).

‘Dat begin ik nu pas door te krijgen, want dat heb ik natuurlijk allemaal gemist. Ik kon geen televisie kijken, geen kranten lezen, niks. Dus daar kan ik niks zinnigs over zeggen.’

Wat gaat u nu doen?

‘Ik weet het niet: alles ligt weer open. Ik ben op een compleet nulpunt gekomen in mijn leven, alles wat nu gebeurt is nieuw. Ik heb ideeën voor een film, voor een televisieserie. Maar ik ben vooral dankbaar voor alles wat ik heb. Ik ben zó vanuit het donker in het licht gekomen, dat ik overal blij van word.’

Misschien wordt u wel motivational speaker.

‘Dat zou zomaar kunnen. Het voelt héél goed om iets terug te geven. Ooo, zeg ik dit echt? Ja, dit zeg ik echt. Het is gewoon zo, ik ben alleen maar op zoek naar: waar zit de energie? Want die gebruik ik om beter te worden. Veel mensen die iets meemaken waarbij hun lichaam het begeeft, ervaren dat als het waardevolste, dat je daarna beter voelt van: dáár moet ik zijn. Dat heb ik ook. Ik ben ervan overtuigd dat als je dingen doet vanuit een innerlijke noodzaak, je het meest kunt betekenen. Voor jezelf en de wereld om me heen. Jezus, wat zeg ik nou toch allemaal voor wijze dingen. Maar ik denk het echt. Anders ben je alleen maar aan het hozen, duwen, trekken, van kleur veranderen.’

Is deze hele toestand dan toch ergens goed voor geweest?

‘Laat ik vooropstellen: alles wat het me heeft opgeleverd staat in schril contrast met wat het me heeft gekost, dus ik geloof niet dat ik ooit zal zeggen: dit had ik niet willen missen. Máár – ik heb wel een enorme groei doorgemaakt. Die beweging voelt goed, het stroomt. En nee, ik ben nog niet waar ik zijn moet, maar ik sta eindelijk op land.’

CV Margôt Ros

1965 Geboren op 14 juli in Eindhoven

1990 Akademie voor Kleinkunst

1990 Rollen o.m. bij het Theater van het Oosten, Orkater en Noord-Nederlands Toneel

1993 Cabaretvoorstelling de Heldenlul met Erik van Muiswinkel

1995 Tv-series o.m. Gooische Vrouwen, Flikken Maastricht, Dokter Tinus

2001 Voorstelling Onder mannen

2001 Wint een Columbina voor beste vrouwelijke bijrol

2006 Regisseert de musical Oebele

2008 Bedenkt en maakt het satirische programma Toren C, samen met Maike Meijer

Vanaf 2009 Wint de Lira Scenarioprijs, en de Beeld en geluid Award voor Toren C

2010 Diverse rollen in het improvisatieprogramma De vloer op

2018 Jubileumvoorstelling met Maike Meijer, Wilfried de Jong en Martin van Waardenberg

2020 boek Hersenschorsing, met Jeroen Kleijne

Margôt Ros heeft een relatie met journalist Jeroen Kleijne en woont in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden