Profiel Boris van der Lek

De man naast Jules Deelder is misschien wel de beste saxofonist van Nederland

Het bepaald wonderlijk levensverhaal van jazzmuzikant Boris van der Lek (inclusief reddende engel).

Na de eerste noot van Illinois Jacquet was het of er een rubberen hamer op z’n hersenpan landde. Beeld Valentina Vos

Niets moest hij hebben van de hobby’s van zijn vader, met zijn jazz en dat eeuwige gezeik over biljarten. En nu hangt Boris van der Lek (53), voormalig wonderkind van de tenorsax, boven zijn eigen biljart, werkend aan zijn driebandenmoyenne.

Om de hoek, bij een dierenwinkel op een bedrijventerrein in Den Haag, had hij even daarvoor zijn garagebox opengemaakt, zijn mannengrot. Geinig plekkie,  vindt hij zelf, zo tussen de zooi: een echt Wilhelmina-biljart, kleine (wedstrijd)tafel. Als hij ’s nachts terugkomt van een optreden, legt hij hier een balletje. Kan zomaar twee uur duren.

Dan denkt hij aan helemaal niets, alleen die drie ballen, via drie banden; het is niet anders dan wiskundige modellen volgen. En: stilte. Niks geen gemijmer, negatief geouwehoer of melodieën die door je hoofd spoken. Vergeet niet, hij moet trainen, als lid van de Haagse biljartvereniging Rio Deux. Weet je wel dat hij kampioen van West Nederland is geweest? Winnaar van de Steef Douw Memorial! Stond deze jongen ineens op de sportpagina.

Toen hij net begon, keken ze hem raar aan in de biljartzalen. Want een excentrieke gozer als hij met zijn getoupeerde haar, glimmende overhemden en puntlaarzen, was niet doorsnee. Ging hij op pad langs biljarttoernooien, kwam Dick Jaspers, de legendarische wereldkampioen driebanden, met een trillende lip naar ’m toe om ‘m te hand te schudden. Want Jaspers herkende Van der Lek als de saxofonist van de Golden Earring, zijn favoriete band.

Overdag gaat hij ook vaak naar zijn mannengrot. Om te spelen. Of te biljarten. Of allebei. Wordt hij rustig van. Het is helemaal kut dat hij nu gescheiden is, en zo in zijn uppie in zijn flatje op een doorgaande weg in Voorschoten woont. Dan wil je wel weg. Twee maanden geleden woonde hij  in Zoetermeer in een waanzinnig mooi huis met vrouw Iva en zijn vierjarige dochtertje. Zelf gebouwd, dat huis, met een aannemer. Hij wist zeker dat hij dat huis alleen dood zou verlaten. Niet dus. Nu gaat hij drie keer per week bij zichzelf op bezoek. Dat is even minder allemaal, zeker nu zijn ex een vriendje heeft.

Nou ja, ze gooien in elk geval geen asbakken naar elkaars kop. ’t Is een hobbelige weg, zijn leven, maar het is zijn weg. Hij heeft geen loopbaan, er zijn treinen waar hij opstapt. Wie had gedacht dat hij op zijn 48ste  vader zou worden? Waanzinnig man. Dat is wat hoor, zo’n mooie kleine dame zien opgroeien. Kwam ze na een optreden naar ’m toe, zei ze: papa, ik wist niet dat je zo mooi kon spelen. Morgen samen naar de speeltuin.

Zo, is die ellende ergens goed voor geweest, had hij onderweg naar de mannengrot in de auto gezegd, luisterend naar Gospel Chops, een weergaloze door hem gespeelde ballad op zijn nieuwste cd. Want hoor maar, je hoort al die misère.

Zeg Boris van der Lek tegen vooraanstaande Nederlandse (jazz)muzikanten en je hoort zonder overdrijving: fantastische blazer, buitencategorie, enige in zijn soort. Alleen - en dan komt het - veel gedoe: niet komen opdagen, dope, drank, naar de gallemiezen… …

Een groot blazer met vele groten gespeeld, edoch, eeuwig lonkend naar de goot.

Zie zijn biografie. Hij speelde met The Houdini’s, Arnett Cobb, the Freelance Band, Joe Pass, Benny Goodman All Stars, Hans Dulfer, Han Bennink, Herman Brood & His Wild Romance, Golden Earring en eigenlijk met de duvel en zijn ouwe moer, heen en weer geslingerd tussen verlopen kroegen, kermistenten, reusachtige popfestivals, braderieën en deftige jazzuitspattingen. Los-vast, nergens vast. Meer dan de helft van Nederland moet hem ergens hebben gezien en gehoord, altijd in de schaduw van de hoofdpersoon, op het podium uit het spotlicht. Hij noemt zich als saxofonist zich de allerbeste aangever, in dienst van ome Herman (Brood), ome Hans (Dulfer) of ome Jules (Deelder). Zoals in een komische act: Boris geeft het opkontje en de grappenmaker gaat er met de daverende lach vandoor.

Het beste moet nog komen – dat is ook wat de mensen over hem zeggen. Nou vooruit, dan zegt hij het ook, met een sinistere blik in de ogen. Dat samenballen van alles wat hij zijn mars heeft, dat gaat echt een keer gebeuren. En dan hebben we het niet eens over zijn allergrootste droom, om de vaste saxofonist van The Rolling Stones te worden. Zie je het voor je, eerst die grijns van Keith Richards en dan Van der Lek, die er een solo uitgooit. Hier op zijn arm, de tattoo van de Stones, zelf gedaan op zijn 11de. Zou die eindelijk ergens op slaan.

‘Ach, schei uit’, klinkt het in zijn kwikzilveren mengelmoes van Haags en Rotterdams.

Zo man! Die plaat die hij nu met Jules Deelder heeft opgenomen, en in het najaar verschijnt, is verdorie ook gi-gan-tisch. Als hij nu een hersenbloeding krijgt, dan heeft hij dit mooi achtergelaten. Boogaloo, de blues, de stem van Jules, en zijn spel.

Toedatoedato toedatoedatoe!

Alles in één take – boem!

Feitelijk klinkt hij altijd hetzelfde, met die sound, dat brede geluid. Zwaar. Hard. Ook romig en zacht. Whoeeeezzzzz. Tuk op de melodie. Er zijn van die gasten van het conservatorium, die zijn te laf om thee te bestellen. Dan willen ze met hem meetoeteren, dan hoor je geen reet, ja improvisaties, reeksen. Joh, rot op. Doodmoe wordt-ie ervan. Je hebt zulke mooie melodieën, dan wil je die horen ook.

De hele dag PIE PIE-poe-pie-pa-die-doe-ra-PIE PIE kreeg hij voor zijn oren, als kind. Zijn vader, popartkunstenaar Hans van der Lek, had zijn atelier aan huis en de hele dag stond dat getoeter op. Vreselijk. Hij was een moeilijk opvoedbaar ventje. Alles ging mis in zijn jeugd. Inbreken. Tehuizen. Zijn ouders – ook zijn moeder was beeldend kunstenaar  kregen hem niet op de rails.

Anyway, hij ging met zijn vader naar het North Sea Jazz Festival in Den Haag. Om zijn vader te pleasen, hij wilde een keer wat aardigs doen, na al die ellende die hij had veroorzaakt. Dat heeft hij geweten. Drie dagen tyfusherrie aan zijn kop. En die ouwe maar genieten. En toen gebeurde het, toen kwam het laatste concert, op zondagavond in de toenmalige Prins Willem-Alexanderzaal, op 15 juli 1979, hij weet het  precies.

Boris van der Lek. Beeld Valentina Vos

Zo, dacht hij, nog eentje en deze jongen gaat pleite, alleen  de Tenorsax Battle. Een voor een kwamen ze het podium op: Illinois Jacquet, Budd Johnson, Arnett Cobb, Buddy Tate en Dexter Gordon. Allemaal tenoren, en die gingen elkander met het hardst mogelijke geluid op het podium bestrijden. hij zat als chagrijnige 14-jarige op rij 24 en er landde als het ware een rubberen hamer op z’n hersenpan, net na de eerste noot van Illinois Jacquet. Krijg nou wat. Hij werd helemaal warm. Dit kan ik! Dit wil ik!

Die dag erna begon het gezeur aan de kop van z’n vader, hij was helemaal hoteldebotel, hij moest een tenorsaxofoon. Afijn, hij op vrijdag naar muziekwinkel Suiker in Den Haag, samen met die ouwe. Had-ie ineens thuis een toeter, hup mondstuk erop, effe kijken hoe die gasten op die platenhoezen ’m vasthielden en sodemieter, er kwam geluid uit. Als een dwaze, tien tot twaalf uur per dag, ging hij oefenen. Al die muziek die jarenlang door die ouwe was gedraaid zat in zijn kop en het kwam er vanzelf eruit.

Nooit wist hij wat hij met zijn leven moest doen, en nu was er die tenor en die sound, ja, die sound die hij nog steeds heeft.

Van der Lek zakt soepeltjes door de knieën en dirigeert de drie ballen naar elkaar toe. De dope, ja die heeft hij nu onder controle, zegt hij, terwijl hij zijn keu aan het krijten is. Op voorspraak van zijn psychiater krijgt hij z’n middelen. In feite moeten we naar hem kijken als een patiënt. Als hij die dosering niet krijgt, wordt hij doodziek. Afkicken leidde humeurtechnisch alsmede fysiek tot een atoomramp. 

Hij was nieuwsgierig naar drugs geworden na het lezen van de verhalen van jazzmuzikanten, dertig jaar geleden. Hadden ze het over benny’s, benzedrine dus. Toen kreeg hij een pilletje na een optreden op het North Sea Jazz. Neem dit maar, als je moe bent. Whoooo, dat werkte echt. Hij werd als 19-jarige een reguliere gebruiker, vooral speed, en dan alleen goed spul. Je kan er 100 mee worden, zegt hij. Kijk maar naar Jules, die is 72.

Alleen wodka met speed, dat was weer geen goed idee. Hij heeft gezopen, zoooo! Op zijn 27ste werd het hem afgeraden, als hij de 30 wilde halen. Maagbloedingen, dat soort shit. Dus kappen met die handel. Niemand heeft last gehad van zijn gebruik, weet hij. Het zit zo, ook al je spuit je benzine, je moet gewoon spelen. Hij is niet een gozer die dat soort dingen naar voren brengt. Herman en Jules zijn er beroemd mee geworden, door die dope.

De combinatie met enorme hoeveelheid drank sloopte Herman. Geweldig lieve kerel. Ze sliepen met z’n tweeën op een kamer, op tournee, en Herman was niet bij te houden. Drie liter gedestilleerd op een dag, en dan ook speed. Dan lul je niet meer. ’s Morgens begon hij met Crème de menthe, voor de frisse smaak, dan rum en wodka.  Zijn dood was een zwarte dag. Als hij over Herman spreekt, krijgt hij weer tranen in zijn ogen.

Hij heeft een oudere broer, Ilya. Die kon biljarten, echt niet normaal. Was Europees kampioen op zijn 17de. Een jaar later was hij weg, zomaar, zonder wat te zeggen. Zijn ouders gingen er kapot aan. Alles geprobeerd, spoorloos. 

Ging tien jaar geleden opeens de bel. Zijn broer, na 24 jaar. Sprak alleen Frans. Hij had al die tijd in het Vreemdelingenlegioen gezeten en was helemaal dolgedraaid. Missies in Mali, als sluipschutter. Moest de rotzooi in Afrika opruimen. Dat dus. Hij had een keer te veel bijgetekend. Kan ik hier slapen, vroeg hij. Ze hadden altijd een teringhekel aan elkaar gehad, maar hij kon hem  moeilijk op straat zetten. Maar die lul bleef bijna twee jaar, de boel uitvreten.

Biljarten deed hij niet meer, meneer de grote biljarter. Hij zat dag en nacht in het café te zuipen. Hun vader (in 2001) en moeder (in 1997) waren al overleden. Nooit had die ellendeling de moeite genomen om te laten weten waar hij zat. Op een dag kwam hij met een enorme gun aanzetten, een Magnum. Was een kadootje voor Boris, uit dank. Hij zei nog: joh, een boek was ook leuk geweest. De politie kwam erachter en zijn broer lapte hem in de rechtszaal erbij, alsof het zijn idee was om de Clint Eastwood uit te hangen. Zestig uur taakstraf aan zijn broek. Maar: dat was de laatste keer. Buiten de rechtszaal zei hij tegen Ilya: hee tot ziens, in een ander leven.

Gelukkig heeft hij een echte broer, die geen broer is, maar een Duitser met humor, Christian Willisohn. Een bluespianist die hij jaren geleden na een optreden tegenkwam en waarbij gelijk alles klopte, ze hoorden bij elkaar. Met hem maakte hij een plaat en hij wist zeker dat dit zijn laatste was. Ja, echt. Zijn gebit begon namelijk uit elkaar te vallen en zonder tanden kon hij niet spelen. Speed en drank zijn niet goed voor je tanden, maar daar had het niets mee te maken. Het bleek een bacteriologische aangelegenheid te zijn, tandwolf. Als je tanden zwart worden, is het te laat. Het ziekenhuis in Nederland zei: ruimen die zooi.

Hij was met Christian in Luxemburg voor een optreden, met pijn in zijn waffel. Kwam er na het optreden een dame naar hem toe, die zei: je speelt fantastisch, maar waarom kijk je zo chagrijnig? Dus hij vertelde het verhaal. Twee dagen later kreeg hij bericht van haar. Er was een tandenprofessor uit München, die wilde het wel eens zien. Wat denk je? De redding was nabij, via implantaten, die professor ging het doen. Het zou twee jaar duren, twee jaar niet spelen. Joh, dat kan ik nooit betalen, zei hij. Ik betaal, zei de rijke dame, ik doe het voor de muziek. Na de operatie pakte hij de toeter,  ongemakkelijk. Hij zette hem tegen zijn smoelwerk, voelde het mondstuk tegen de implantaten. Blazen... en daar was die sound. En geen centje pijn meer. Niet minder dan een wedergeboorte.

Ja, daar was hij dus tegenaan gelopen, dat iemand je zomaar helpt. Karin heet ze, ze is in de zeventig en daar houdt hij het bij. Ze wilde niets,  hij heeft nadien wel met Christian een plaat aan haar opgedragen, Back in the Limelight.  Waar hij het aan te danken heeft, hij heeft het zich vaak afgevraagd, maar eigenlijk weet hij het wel: zijn moeder, in de vorm van een engel. Die corrigeert af en toe de boel, zodat niet alles in het honderd loopt met die zoon van haar. Hij weet zeker dat ze telkens met hem meereisde, op weg naar München, dat kan niet anders. Zijn moeder kwam in die tijd veelvuldig in zijn dromen voor. Alsof ze naast hem stond en zijn hand vasthield. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.