Column Rob van Essen

De man achter me in de tram hing op nadat hij er een opgewekt ‘Nou ja, dan zie ik je nog wel hè?’ had uitgeperst

‘Hé Dickie!’ riep iemand vlak achter me in lijn 4. Niemand in de halflege tram keek om, niemand heette Dickie. Bovendien hoorde je dat de man het in zijn telefoon riep. Hoe dat werkt weet ik niet precies, maar je hoort zoiets meteen, de joviale kreet verdween in een trechter naar een andere wereld waarvan op dat moment alleen de man achter me de sleutel in handen had.

‘Ik ben in Amsterdam!’ riep de man. ‘Jij? Waar dan? Ik kom net van de Amstelkade, even gebiljart hè. Ik ga nu naar De Ooievaar!’ Ik stelde me voor hoe hij erbij zat: wijdbeens, een beetje onderuit gezakt. Als ik opzij keek, en een beetje naar achteren, kon ik net een in zwart leer gehulde arm zien.

‘En jij, heb je tijd om…’ De man maakte zijn zin niet af. Hij luisterde en zei op regelmatige afstanden ‘O ja…, o ja,’ alsof hij stuk voor stuk de redenen afvinkte die Dickie aanvoerde om niet naar De Ooievaar te hoeven.

Als ik op dat moment zijn gesprekspartner had kunnen bereiken, had ik tegen hem gezegd: ‘Eén reden is genoeg, Dickie. Wrijf het niet in. Het kan natuurlijk zijn dat je schoonmoeder in het ziekenhuis ligt omdat ze over de grasmaaier is gestruikeld, dat je de achterband van de fiets van je dochter moet plakken omdat ze naar ballet moet en de auto bij de garage is, dat de hond een gezwel heeft waar vanmiddag nog iemand naar moet kijken omdat het van binnenuit begint te bewegen, maar kies er ééntje uit en laat de rest zitten. Zelf zou ik voor de achterband gaan.’

De man achter me hing op nadat hij er een opgewekt ‘Nou ja, dan zie ik je nog wel hè?’ had uitgeperst. De tram reed de Utrechtsestraat in en kwam langs café Onder de Ooievaar, maar de man bleef zitten.

Bij het Centraal Station stapten we samen uit. Hij liep voor me uit met de O-benen die je ook wel ziet bij jonge makelaars die te lang op hun scootertje hebben gezeten, maar hij was ouder dan ik had gedacht, en magerder, met kort geknipt grijs haar. Ik bedacht dat er op de Zeedijk ook een café was dat De Ooievaar heette, maar de man sloeg niet af naar het centrum, hij liep het station in, waar hij in de menigte verdween.

Misschien was hij nooit op weg geweest naar een kroeg maar was hij op zoek naar de ooievaar die hem ooit deze wereld had in gevlogen. Hé pik, breng me maar weer terug als je me nog kan tillen, het is niks hier, Dickie heeft ook nooit meer tijd voor me.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden