De kronkels van een wondermiddel

Een medicijn wordt bedacht, getest, en dan toegepast, is de gangbare gedachte. Niet dus. Belangengroepen, media en patiënten maken de weg naar een nieuw middel vaak bochtig, zoals de historie van interferon laat zien....

'HET wondermiddel interferon blijkt de grootste flop', zette dagblad Trouw eerder deze week boven een artikel over het proefschrift van dr. Toine Pieters.

Maar dat was nou ook weer niet zijn bedoeling. Pieters, medisch historicus en apotheker, werkzaam aan de Vrije Universiteit Amsterdam, schreef alleen maar een boek over de geschiedenis van interferon. Het is een 'biografie van een stofje', zoals hij het noemt. Vrijdag promoveerde hij erop aan de Universiteit Maastricht.

Het voorval met Trouw illustreert onbedoeld een van de hoofdthema's uit Pieters' proefschrift: de belangrijke rol die de pers heeft gespeeld in de wonderlijke historie van interferon. Zoals het vrouwenblad Libelle, dat in 1981 'Interferon: het wondermiddel tegen kanker?' op de cover had.

Krantenkoppen hebben in Pieters' visie het imago van interferon als wondermiddel gemaakt en gebroken. Maar niét zonder medewerking van het medische establishment zelf. Dat trad eerst naar buiten met juichende verhalen over interferon - om geld los te krijgen voor onderzoek met het middel - om vervolgens, toen hun 'de grond onder de voeten te heet werd', aldus Pieters, tegengas te geven en te trachten het 'interferon-vuurtje' te blussen. Het is een van de mechanismen die Pieters heeft blootgelegd in zijn uitputtende beschrijving van de ontwikkeling van interferon tot het geneesmiddel dat het nu is.

Interferon werd in 1957 ontdekt door de Britse viroloog Alick Isaacs en de Zwitserse microbioloog Jean Lindenmann als de stof die verantwoordelijk is voor een tot dan onbegrepen fenomeen: virale interferentie - het verschijnsel dat een organisme of celweefsel dat met één type virus is besmet, niet nog eens door een andere virussoort kan worden besmet.

Met andere woorden: interferon heeft een beschermende werking tegen virusinfecties. Een interessante observatie, zo kort na de ontwikkeling van antibiotica als penicilline en streptomycine, die alleen tegen bacteriën werken en geen effect hebben op virussen. Nadat Isaacs en Lindenmann hun laboratoriumresultaten naar buiten hadden gebracht, stortte de Britse pers zich op hun werk. Interferon verwierf al spoedig de status van het 'antivirale penicilline'. Na Flemings en Florey's penicilline werd interferon als Groot-Brittanniës tweede belangrijke bijdrage aan de strijd tegen infectieziekten aangemerkt.

Maar die reputatie heeft de stof nooit waargemaakt. In de kring van internationale virusonderzoekers circuleerde een andere bijnaam voor interferon, 'misinterpreton', schrijft Pieters. Na een paar jaar raakte het werk van Isaacs en Lindenmann in de vergeethoek. Tot eind jaren zeventig het middel weer opdook, nu als veelbelovend medicijn voor kankerpatiënten.

Met name in de Verenigde Staten ontstond, in het kader van Amerika's War on Cancer, een ware hype rond interferon. 'Nieuw wapen tegen kanker?' en 'Interferon, het kankermedicijn dat we links lieten liggen', kopten de kranten. Wereldwijd trok de wedergeboorte van interferon de aandacht. De doodzieke sjah van Perzië reisde naar Caïro voor een peperdure interferonkuur.

Maar ook die reputatie werd niet waargemaakt - getuige ook het lot van de laatste sjah. Interferon in de doses die nodig waren om ook maar enig effect op een tumor te hebben, bleek toxisch, zegt Pieters. De bijwerkingen van de therapie waren aanzienlijk en aansprekende resultaten bleven uit. Interferon was midden jaren tachtig op sterven na dood.

Niettemin wordt het middel nog gebruikt. Als 'immuunmodulerende stof' begon het aan een derde leven en momenteel wordt het toegepast als medicijn bij onder meer multiple sclerose (MS), hepatitis en in combinatietherapieën voor kanker.

Pieters verklaart de wonderlijke en kronkelige levensloop van interferon deels uit de mythologie die aan 'het stofje' kleeft. 'Isaacs promootte interferon indertijd als een natuurlijke, lichaamseigen en niet-toxische stof. En dat imago heeft het eigenlijk altijd behouden.'

Een andere belangrijke factor in de wederopstanding van interferon was de rol van de farmaceutische industrie. Pieters: 'Tot 1980 was interferon schaars; het moest moeizaam worden gewonnen uit grote hoeveelheden donorbloed. In 1979 werd het interferon-gen gekloneerd door Zwitserse en Amerikaanse onderzoekers en biotechnologische bedrijven stortten zich op de productie van het middel met genetische-manipulatietechnieken.'

'Interferon kwam in grote hoeveelheden beschikbaar. Het werd ''een medicijn op zoek naar een ziekte'' en de farmaceutische industrie begon naar die toepassingen te zoeken. Ze gaf interferon gratis weg aan artsen voor allerlei klinische proeven. En daar ging, wat ik noem, marktwerking van uit. Duizenden patiënten kregen in het kader van die proeven met interferon te maken. Er werden verwachtingen van het middel geschapen en er werd hoop gecreëerd.'

In dit proces, analyseert Pieters, blijven de farmaceutische industrie, de wetenschappelijk onderzoekers, de artsen en de patiënten elkaar 'in de houdgreep van belofte en hoop houden'. 'De indicatiestelling voor interferon wordt steeds verder verruimd, de markt gaat werken en de vraag naar interferon neemt toe.

'Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Maar interferon is nog steeds wel een duur geneesmiddel. Een kuur kost zo'n 25 duizend gulden per patiënt per jaar. Dat kan op den duur ten koste gaan van de reguliere patiëntenzorg', aldus Pieters.

Pieters rekent in zijn proefschrift af met de veelgehoorde veronderstelling dat bij de ontwikkeling van nieuwe medicijnen onderzoek en behandeling altijd gescheiden zijn en dat een nieuw medicijn pas wordt voorgeschreven als in wetenschappelijk onderzoek de veiligheid en werkzaamheid is bewezen.

'De geschiedenis van de interferonen laat juist heel mooi zien hoe onderzoek en behandeling in de praktijk met elkaar interfereren en door elkaar lopen. De afweging een medicijn al dan niet voor te schrijven, is in de spreekkamer van de arts een andere dan in de praktijk van het klinisch onderzoek.

'Als een middel er eenmaal is, zullen arts en patiënt, vooral bij chronische en ongeneeslijke aandoeningen als MS, geneigd zijn een kansje te wagen. Baat het niet, dan schaadt het niet. Ook daar hoeft niets op tegen te zijn; we kunnen daar met z'n allen voor kiezen. Maar je moet je wel bewust zijn van dit soort mechanismen.

'De geschiedenis van interferon laat zien dat de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel geen lineair proces is, van idee in het lab via dierproeven naar de patiënt. Interferon zwalkte heen en weer van laboratorium naar kliniek, maar de mythologie van het ''wondermiddel'' bleef bestaan. Wat we van die geschiedenis kunnen leren, is dat wondermiddelen niet bestaan, maar dat we er blijkbaar graag in willen geloven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden