De Friese liefde voor het ijs; HYLKE SPEERSTRA'S ODE AAN DE HELDEN VAN DE ELFSTEDENTOCHT

AEBE HAIMA had als jongeman een passie voor kaatsen. Dat kwam doordat hij zijn jeugd doorbracht op een boerderij bij Dongjum, onder de rook van het kaatsmekka Franeker....

Haima was geen schaatsgek. De schaatssport miste het raffinement van het kaatsen en de zinderende spanning van een tjokvolle kaatsarena. Weliswaar lag de ouderlijke boerderij aan de route van de Elfstedentocht, zelfs aan het begin van de oceaan vol ontberingen tussen Franeker en Dokkum. Maar hij bewaarde er geen beste herinneringen aan. In de barre winter van 1942 was de boerderij omgetoverd tot een veldlazaret vol kreunende stumpers.

Aebe was vijftien toen hij waarnam hoe grote mensen zichzelf tegenkwamen. Maar op latere leeftijd, in Weidum vlakbij de Zwette, waar de Elfstedenrijder nog goede benen heeft en vol goede moed is, werd hij bevangen door de ijskoorts. Hij hield van lange afstanden, reed Elfstedentochten en gaf zich in zijn vrije tijd over aan dat bijzondere wereldje van vitaliteit en ongecompliceerde vriendschappen. Een daarvan was met Hylke Speerstra, oud-hoofdredacteur van het Agrarisch Dagblad en de Leeuwarder Courant en chroniqueur van de Friese volksaard.

Met hem en met oud-Elfstedenwinnaar Jeen van den Berg reed Haima menige tocht in het land waar de autochtonen overspel plegen met het ijs. Daar leek een einde aan te komen, toen Haima Speerstra vertelde dat hij prostaatkanker had. 'De organen die het testosteron produceren waren al weggenomen. De doktoren waren somber', staat in De koude erfenis - Verhalen van het ijs, Speerstra's ode aan 'de passie van warme mensen in koude tijden'.

De twijfel en zinloosheid voelde Haima maar even. 'Dat speelse, dat wankele bestaan op de smalle ijzers, dat doorzetten; het was voor hem juist het symbool van het leven waaraan hij zich zou blijven overgeven.' En dus schaatste Haima als 70-jarige de Elfstedentocht van 1997, naar eigen zeggen als enige 'met nul procent aan testosteron'. Van de elf steden genoot hij als oases in een ijswoestijn, samen met zijn schaatsmaten Johannes van den Berg en Roelof Woudstra. Tot het donker werd op de Dokkumer Ee.

Even voorbij de brug van Klooster Klaarkamp blokkeert hij in een kwalsterlaag en klapt met een smak voorover, met de ribbenkast tegen het basalt. Verdoofd blijft hij liggen. In het tegenlicht van koplampen kunnen zijn maten Haima niet meer vinden. Snakkend naar adem probeert hij over het ijs naar ze toe te kruipen, maar het lukt niet. Als zijn maten roepen 'Aebe, wêr biste?' kan hij niet antwoorden.

Na een tijdje krijgt hij voldoende lucht om op te staan. Hij tast naar zijn gekneusde ribben, maar het stellen van diagnoses geniet niet de hoogste prioriteit. De finish! Hij kan nog schaatsen, ook al tekenen zich op de bevroren netvliezen alleen nog de contouren van licht en donker af. Hij valt. Door oogzalf, gekregen bij een EHBO-post, ziet hij nog minder. Hij valt weer, halverwege de Murk.

Zijn rug doet pijn, zijn benen houden hem niet meer, hij raakt gedesoriënteerd. 'Die zou dwars over naar de finish', zeggen schaatsers van de Zuid-Hollandse eilanden die Haima weer op de been helpen. Hij ziet een ring van licht, de schijnwerpers van de finish op de Bonkevaart. 'Rije vader', zeggen de mannen van Goeree-Overflakkee en Haima krijgt nog een keer vleugels. Een dag later blijkt dat het basalt 'de dokter' uit Weidum een longembolie heeft bezorgd.

'Twee maanden later', schrijft Speerstra, 'zag ik Aebe Haima met de kleur van het voorjaar op de wangen tussen de velden vol boterbloemen fietsen. De boerenjongen die wel dokter moest worden, was bezig zijn ultima demonstratio vitae te voltooien. Speerstra, zelf ook een man die regelmatig de grenzen van zijn fysieke capaciteiten opzoekt en probeert te verleggen, schrijft niet alleen met compassie over zijn schaatsmakker Haima.

De journalist en schrijver fietst, schaatst en loopt door het Fries land en tekent ondertussen de meest fantastische verhalen op. Na Heil om Seil, Neaken en Bleat foar de Dokter, Kening op Sokken en Simmerlân, allemaal boeken waarin hij de Friese ziel blootlegt, kan nu een breder, niet-Fries sprekend publiek via De koude erfenis van die verhalen over stoere boeren, ijzeren schippers van houten schepen en andere helden en anti-helden kennis nemen.

Rode draad in het boek zijn Speerstra's eigen ervaringen tijdens de vijftiende 'moeder aller schaatstochten' op 4 januari 1997. Hij beleeft die dag bijna als een ononderbroken, euforische droom, die pas op het allerlaatst in een nachtmerrie verandert. Speerstra heeft het traject zo vaak gereden en kent het land zo goed dat elke kilometer van het tweehonderd kilometer lange traject zijn eigen verhaal heeft. God mag dan uit Friesland verdwenen zijn, de God van het ijs is er nog springlevend.

Speerstra tilt het schaatsen naar een andere planeet, een planeet die alleen in de Melkweg van de echte diehards voorkomt. Wie zich vorige maand heeft verbaasd over de lidmaatschapsdiscussie in de Vereniging De Friesche Elf Steden, en dan vooral over het feit dat ouderen niet bereid zijn het felbegeerde deelnemersbewijs af te staan aan een jongere generatie, zal na het lezen van dit boek minder verbaasd zijn.

De schrijver heeft de passie voor het schaatsen met de paplepel ingegoten gekregen: bij pake kwamen oerkrachten los wanneer in één nacht de ondergelopen weilanden veranderden in een matglazen oneindigheid. Pake mat zich dan met zijn zoon en andere jongeren. Wie sterk was en de held van het dorp wilde zijn, toonde dat op het ijs. Oud of jong, man of vrouw. Van de ijsliefde kunnen de Friezen leven. Wie wint, danst 's avonds met schaatsen onder de ijspolka in de armen van het mooiste meisje uit de wijde omtrek.

Aaltje Hepkema was in de strenge winter van 1929 84 jaar oud. Toen de Elfstedenrijders door Franeker kwamen, kon ze het niet langer meer houden: zoveel stoerheid en charme op het ijs, daar wilde ze voor een keer nog aan deelhebben en ze bond de houtjes onder. Ze moest haar overmoed met een gebroken heup bekopen, maar ze had tenminste weer over het ijs gezweefd. En dat was zo mooi als de liefde, een vergelijking die Friezen aanspreekt, want erotiek op het ijs bestaat. Pas op het ijs vinden Friese mannen vrouwen echt mooi. Op het ijs en in bed kent het noorden geen luiheid.

Is het alleen liefde die die enorme passie voor het ijs veroorzaakt? Durk Beeksma uit Huizum, die met twee kunstheupen schaatste toen hij al in de tachtig was, gaf misschien wel het beste antwoord op die vraag. 'Friezen zijn in tijden van dooiweer te vaak door andere volken onderdrukt geweest. Je hoefde in oude tijden als Fries maar iets verkeerd te doen of je werd met de kop onder water gehouden. Tot je verzoop. Het is dus heel goed te begrijpen dat we ons pas op ons gemak voelen als de sloten en vaarten zijn dichtgevroren', schreef hij in een ingezonden brief aan de Leeuwarder Courant.

'Lang is de weg naar Hindeloopen, grijs is de ochtend, kaal het land.' De Koude Erfenis is een boek waarin romantiek en dramatiek, tragiek en heroïek kruiselings met elkaar opschaatsen. De tragiek van Jan Roelof Kruithof, de architect uit Havelte, die kampioen werd van de alternatieve Elfstedentochten tussen 1963 en 1985. Hij vertelt Speerstra in de vroege ochtend van 4 januari 1997, in een vak vol uitdrukkingsloze en getergde gelaten, dat zijn knieën 'helemaal niks meer zijn'. Maar dat hij op zoek gaat naar de beste knieëndokter van het koninkrijk. 'Want ik wil blijven rijden, dat wil ik, al moet de onderste steen boven komen.'

Dokkum, waarvan de schrijver zich tijdens de tocht in het Noord-Friese land, dat hij niet haat maar wel vreest omdat het je klein maakt en sloopt, afvraagt: 'Waarom moest er nog noordelijker, ergens voorbij de boomgrens, een stad worden gebouwd?'

Maar wanhoop en euforie liggen in de tocht der tochten naast elkaar. Als ze Dokkum binnenrijden, komt de groep-Speerstra van het ene op het andere moment van een verlaten Nova Zembla in een verlaat Latijns-Amerikaans carnavalsfeest terecht. En na een opgewekte inventarisatie van hun kwellingen, maken zij zich op voor de epiloog en laten zij zich via Bartlehiem op de wind naar huis zeilen. Hand in hand gaan zij over de finish.

De koude erfenis is ook het boek van de ellende, de dood en de 'verknoeiing' tijdens de barre tochten van 1929, 1940, 1941 en natuurlijk van '63. Toen werd Anton Verhoeven 21ste van de slechts 57 schaatsers die de tocht uitreden. Hij was ver voor de finish al volledig uitgeput, maar ontsnapte in een veldlazaret aan de medische staf. Volledig gedesoriënteerd ging hij over de eindstreep. 'Het duurde drie jaar voordat hij weer wat kon', zei een van zijn makkers. 'Na 1963 heeft hij niet echt meer geleefd. Hij was verknoeid.'

En toch verfoeien duizenden marathonschaatsers al weer de veel te zachte winter van 1997/'98. Maar zij wanhopen nog niet. Ze klampen zich vast aan 1947. In dat jaar steeg op 17 januari het kwik tot 17,2 graden. Drie weken daarna werd de Elfstedentocht verreden.

Wio Joustra

Hylke Speerstra: De Koude Erfenis - Verhalen van het ijs.

Contact; 191 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 254 1531 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.