De eeuwige Bonaparte

IN OMVANG schelen de twee biografieën betrekkelijk weinig: de ene telt 888, de andere 739 bladzijden, maar dat is misschien ook wel het minimum als je Napoleon in één band een beetje recht wilt doen....

JAN BLOKKER

Het is de vraag hoeveel 'Hitler-Wellen' er nog nodig zijn vooraleer het aantal boeken over het Derde Rijk ooit in de buurt kan komen van de bibliotheken vol over Napoleon.

Neem alleen, om bij Massons zwanenzang te blijven, het seksuele leven.

Was het moederskindje Bonaparte een latente homoseksueel? Leed hij aan ejaculatio praecox? Was hij 'bi'? Masturbeerde hij vóór iedere veldslag? Had hij een incestueuze verhouding met zijn zusje Pauline? Was zijn geslachtsdeel deerniswekkend klein? Is hij z'n hele leven blijven zoeken naar de maagdelijkheid van Désirée Clary, of juist naar de moederlijkheid van Létizia? Liet hij zich in de jaren van het keizerschap dames bezorgen à raison van twintigduizend francs per nacht?

Dat is allemaal, en dikwijls in afzonderlijke monografieën, onder de loep genomen. Vaak natuurlijk op smiespelniveau, maar wel degelijk ook door serieuze historici en psychologen; Freud en vooral Jung hebben zich niet onbetuigd gelaten in de discussie over de grote Corsicaan - en in hun belangstelling stond meer speciaal het 'macho'-beeld centraal, met daaraan gekoppeld de twijfel aan de mate waarin de superman dat ook in bed was.

De raadsels rond seks en de dood komen - afgezien van de krijgshistorische prestaties - misschien nog het meest aan de orde in de totale bibliografie. Stierf hij aan kanker? Aan eenzaamheid? Aan arsenicum? En als dat laatste het geval zou zijn geweest - er zijn tenslotte rattenkruitresten gevonden in overgeleverde haarlokken - was de trouweloze Montholon (een van de generaals uit het allerlaatste gevolg) dan de toediener? En zo ja, handelde hij, uit pure kwaadsappigheid bijvoorbeeld, op eigen gezag? Mede namens de gouverneur-gevangenisbewaarder Lowe en de Engelsen? Of regelrecht op verzoek van de Bourbons?

'Hoe meer je over hem weet', schijnt Masson te hebben verzucht - en hij kon het weten - 'hoe mysterieuzer en ongrijpbaarder hij wordt.'

Nou is dat natuurlijk een romantisch soort dooddoener, maar de Romantiek, waarvan Napoleon niet minder een zoon was dan van de Verlichting, is op dat punt blijkbaar 'eeuwig'. Napoleon maakt ook honderdzevenenzeventig jaar na zijn dood in geschiedschrijvers nog altijd zoiets als een bergbeklimmersinstinct wakker: hij moet telkens weer bedwongen worden.

Zo komen er aan het eind van 1997 dus ineens twee nieuwe biografieën van de pers - eentje van Amerikaanse, de andere van Engelse origine.

Toeval?

In de gauwigheid heb ik niet iets kunnen vinden dat een rond aantal jaren geleden zou zijn gepasseerd (vaak een uitgeversmotief om met een boek te komen), dus dat kan de reden niet zijn: pas volgend jaar mag de tweehonderdste verjaardag gevierd worden van de Slag bij de Piramiden (21 juli 1798), waarbij veertig eeuwen neerkeken op Franse en Mamelukse heerscharen in de Egyptische woestijn, en dat is best nog eens een aparte publicatie waard.

Een andere prikkel om de napoleontische geschiedenis te hernemen, zou Europa kunnen zijn.

Even los van de vraag of Napoleon in zijn veroveringszucht ook nobele doelen nastreefde (dat deed hij vermoedelijk in geen enkel opzicht), had zijn imperialisme uiteraard wel het effect van een Europese eenwording. Hij heeft ook zeker aan Julius Caesar, en nog zekerder aan Karel de Grote gedacht toen hij zich in 1804 door nota bene de paus tot keizer liet zalven. Tel daar nog Karel V bij op, en hij kan zich de vierde Europeaan met een 'Europese droom' hebben gevoeld. De voorgangers hadden hun rijksidee willen verwezenlijken uit naam van de Romeinen, de Franken en de Habsburgers - hij deed het uit naam van de Fransen, en meer in het bijzonder van de gezegende Franse Revolutie.

Nog één keer zou iemand in zijn voetsporen treden, en dat was Hitler, die twee territoriale hindernissen met hem deelde: Engeland en Rusland. Biografen van na 1945 (zoals bij ons Presser) hebben begrijpelijkerwijs moeilijk de verleiding kunnen weerstaan om de twee met elkaar te vergelijken, en ze allebei af te schilderen als tirannieke machtswellustelingen die op het punt van boosaardige intenties niet voor elkaar onderdeden; in veel opzichten, zou je kunnen zeggen, heeft Hitler met terugwerkende kracht veel schade toegebracht aan het imago van Napoleon.

Of de twee nieuwe biografen speciaal de 'Europa'-kant van Bonaparte voor ogen hebben gehad, is intussen niet erg duidelijk. De Amerikaan van de twee (Alan Schom) rept er nauwelijks van. De Engelsman (Frank McLynn) brengt het onderwerp wel een aantal keren ter sprake, maar haast zich telkens zijn lezers te verzekeren dat Napoleon op z'n mooist een 'geperverteerde' Europeaan was - in laatste instantie toch altijd meer bekommerd om zichzelf en de glorie van Frankrijk dan om het welzijn der volkeren in het Avondland.

Van de twee is Schom de meest institutionele historicus. In een in 1992 verschenen boek over de Honderd Dagen (Napoleon's Road to Waterloo) was zijn fascinatie met de veldheer al dominant gebleken, en in Napoleon Bonaparte overheerst andermaal de militaire carrière. Hij is een heel precies, bij de feiten blijvend biograaf, haast wars van 'petite histoire' en gezellige kwaadsprekerij - wat zijn 888 bladzijden heel punctueel (en heel concies geschreven), maar ook een beetje droog maakt.

Hij voert twee merkwaardige 'verontschuldigingen' aan voor het feit dat hij anno 1997 nog eens met een zo volledig mogelijke levensbeschrijving komt. Hij meldt te hebben ontdekt dat er tot dusver niet één eendelige biografie zou zijn verschenen, en dat is niet helemaal waar: zelfs ik heb er al drie in m'n kast staan, waaronder de al genoemde Presser en de zeer degelijke Georges Lefebvre. En verder noemt hij het een voordeel dat hij als Amerikaan 'boven de partijen' staat, dus meer objectiviteit zou garanderen dan een Brit of een Fransman.

Dat wordt onmiddellijk gelogenstraft door Frank McLynn. Diens hoogst 'neutrale' boek is behalve evenwichtig bovenal heel breed, heel gevarieerd en heel geanimeerd opgezet: een aangename mix van grote lijn en kleingoed. Hij schermt misschien iets te veel met Jung (over wie hij een andere biografie schreef), maar doet dat altijd naar aanleiding van kleine, 'menselijke' details die Schom voor het grootste deel heeft laten liggen.

McLynn, die zich laat kennen als een voortreffelijk verteller, heeft veel militaire logistiek en veldslagverlopen laten schieten, om ruimte vrij te maken voor de Napoleon 'en pantoufles': wat hij las (veel Rousseau, maar later ook Machiavelli; veel stuiverromans, maar toch ook Voltaire en de Franse klassieken), wat hij als een jonge Werther schreef, hoe hij zich kleedde, wat hij at, met welke kunstgrepen hij een hele Bonaparte-dynastie uit de grond stampte, tot op welke hoogte hij altijd iets van de Corsicaanse roverhoofdman heeft behouden, wat een parvenu hij tot z'n laatste snik is gebleven.

Van beide auteurs is de studie voornamelijk literatuurstudie. Schom verwijst nog naar enig bronnenonderzoek - vooral met betrekking tot ziekte en dood - maar McLynn komt er rond voor uit dat hij uit grote voorgangers heeft geput, en daarop alleen zijn eigen - Jungiaanse - interpretatie heeft losgelaten.

Dat hij de lezer een verantwoording onthoudt (dat scheelt ongeveer de honderd bladzijden met Schom, die een degelijk notenapparaat aan zijn verhaal heeft toegevoegd), zou hem als wetenschapper euvel geduid kunnen worden, maar aan de andere kant: we weten dat 80 of 90 procent van de aan Napoleon toegeschreven uitspraken - en McLynn heeft de meest pikante gretig gebruikt - uit dubieuze bronnen komen: zo geen soldatenpraatjes, dan toch de zeer onbetrouwbare Las Cases, of Napoleon zelf, die op Sint Helena zes jaar de tijd heeft gehad en genomen om een heel nieuwe carrière bij elkaar te fantaseren. En het zou misschien ook wat vermoeiend zijn geweest in elke voetnoot de twijfel aan de authenticiteit te benadrukken.

Waarom blijft het goed opgeschreven verhaal van een in talloze opzichten verwerpelijke tiran, nog altijd zo boeiend om te lezen?

Na de lectuur van McLynns Napoleon ben je bijna geneigd te denken: misschien wás hij niet zo ontzettend verwerpelijk.

Jan Blokker

Alan Schom: Napoleon Bonaparte.

HarperCollins, import Nilsson & Lamm; 888 pagina's; ¿ 94,-.

ISBN 0 06 017214 2.

Frank McLynn: Napoleon.

Jonathan Cape, import Nilsson & Lamm; 739 pagina's; ¿ 93,75.

ISBN 0 224 04072 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden