De 'echte' Bosniër spreekt Servisch en is moslim

'Ik ben gelukkig hier.'... 'Ik kan niet anders zeggen.'... 'Ik heb een goede tijd.'... Elk woord dat Eliza Vujic spreekt kost moeite....

Van onze correspondent Michel Maas

Eliza Vujic is doodongelukkig. Ze mist haar vrienden, ze mist Prizren, Kosovo, ze mist haar hele jeugd en alles wat een meisje van negentien verder maar kan missen. Ze zegt dat ze gelukkig is, want ze weet dat ze God en de Bosniërs moet danken dat ze in Sarajevo mag leven en studeren. Maar het is hier Sarajevo en niet Prizren, en haar nieuwe vrienden zijn niet haar oude vrienden, en daarom huilt Eliza Vujic als ze zegt dat ze gelukkig is.

Haar ouders zwijgen, tot zij is uitgehuild. Ook zij zijn ongelukkig, maar ook zij onderstrepen dat ze de Bosniërs danken dat die hen hebben opgenomen, en God, die ze hierheen heeft gevoerd. De god van de familie Vujic is Allah - dezelfde god als die van de Albanezen - maar hun taal is het Servisch van de Serviërs. Zij horen noch bij de ene, noch bij de andere partij in de oorlog in Kosovo, maar horen daarom in de simpele etnische logica van Kosovo bij allebei: voor de Serviërs zijn zij Albanezen, omdat zij moslims zijn, en de Albanezen rekenen Vujic tot de Serviërs omdat zij Servisch spreken. Maar in feite horen zij tot de 'Bosniërs', een kleine moslim-minderheid die in Prizren ongeveer dertigduizend mensen telde. Waarom zij 'Bosniërs' heten, weet niemand, want zij leven al sinds mensenheugenis in Kosovo.

Bosnië heeft ook deze 'Bosniërs' nu opgenomen. Die konden er nog wel bij. De familie Vujic - vader Fehim, moeder Saciba, zoon Elis en Eliza - hoort bij de 29 duizend vluchtelingen uit Joegoslavië (Servië en Kosovo) die in Bosnië verblijven. Een groep die na het vertrek van bijna alle Albanezen nog bestaat uit de Kosovo-'Bosniërs', uit zigeuners uit Kosovo, en uit Bosnische moslims die in Sandzak woonden - een Servische regio die grenst aan Bosnië en Montenegro.

De nieuwe vluchtelingen uit Kosovo zullen de winter moeten doorbrengen in kamp Rajlovac. Van de 29 duizend verblijven er nog een kleine vijftienhonderd in opvangkampen. Regen klettert op de achtenveertig tenten die door de UNHCR - de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties - 'wintervast' verklaard zijn. Dat betekent dat de tenten houten vloeren hebben en voorzien zijn van een kachel. Maar zelfs wintervast tentzeil houdt de tocht niet buiten. Door de houten vloer en door de kieren in de tent van Gafur Murseli kruipt kou naar binnen.

Murseli is hier sinds mei. In november vorig jaar hebben hij en zijn gezin Prizren verlaten. Ze waren bang, vooral zijn twee kinderen, Azra (9) en Edip (7). 's Nachts werd er voortdurend geschoten, overdag waren er de intimidaties door de Servische politie. Vezija, Gafur's vrouw, haalt een stapeltje foto's tevoorschijn. Foto's van het huis, de winkels en het kantoor van Gafur. Het bedrijf - drie winkels en een groothandel - is weg. Leeggeplunderd en voorgoed gesloten.

Ze zijn eerst naar Podgorica in Montenegro gevlucht en in mei doorgereisd naar Bosnië waar deze halve tent op ze wachtte. 'Ik moet dapper zijn', zegt Gafur. 'We beginnen opnieuw. We zijn jong genoeg. We kwamen hier met 120 D-mark, meer niet. En nu hebben we al iets opgebouwd, zoals je ziet', zegt hij en hij wijst in het rond. Drie tuinstoelen, een bank, tapijten, een televisie en een ijskast maken een huiskamer van dit deel van de tent. Spullen, bijeenverdiend met zijn kleine kampwinkel.

Hij heeft niemand nodig, ook de UNHCR niet. Die kan sowieso weinig voor ze doen. Zolang ze geen huis gevonden hebben, mogen ze in het kamp blijven, waar ze een minimum aan hout en eten krijgen. Om ze in leven te houden. Verder geeft hun vluchtelingenpas ze het recht in Bosnië te blijven en er te werken, al betekent dat laatste niks in een land waar de werkloosheid 60 procent bedraagt. En de kinderen mogen naar school. Dat is het belangrijkste voor Gafur. In ieder geval zal hij niet meer terugkeren naar Prizren. Daar heerst chaos, weet hij. Maar hoe het precies is weet hij niet. Nieuwe informatie uit Prizren is schaars.

Saciba Vujic, Eliza's moeder, is net teruggeweest. In juni 1998 - toen de toestand uit de hand begon te lopen - waren ze bij familie in Sarajevo en ze besloten daar de oorlog uit te zitten. Afgelopen september besloot Saciba naar Prizren te reizen om te zien hoe het er was. Als het kon, zouden de anderen nakomen. 'Op het eerste gezicht was alles in orde. Maar naarmate ik langer bleef merkte ik dat dat alleen maar schijn was.' Prizren is Albanees geworden, en er is geen plaats meer voor haar en haar kinderen.

Er is geen werk voor Saciba en Fehim, die beiden leraar zijn, want er is geen school meer waar ze kunnen werken. De scholen, die voorheen Servisch waren, zijn nu zuiver Albanees. En ook op straat wordt nog maar één taal gesproken. 'Op straat durfde ik niet te spreken. Niemand deed dat. Steeds voelde ik: als ik Servisch praat krijg ik problemen.' Na drie weken verliet ze daarom Prizren weer, ditmaal voorgoed.

Dochter Eliza beseft dat ze geluk heeft gehad dat ze in Sarajevo naar de universiteit kan gaan en medicijnen kan studeren. Maar ze mist Prizren. Ze wil terug en ze weet dat dat niet mogelijk is. 'Ik wil terug. Maar ik wil terug naar het Prizren dat ik ken, en dat bestaat niet meer.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden