'De doodsangst is weer keihard terug'

Ongemakkelijke sociale interacties op kantoor, dat vindt Paulien Cornelisse dus grappig. Ze schreef er een boek over. En ze werd moeder.

Beeld Aisha Zeijpveld

Met een vochtig doekje neemt Paulien Cornelisse een kwart van het tafeloppervlak af. De rest van de tafel is bedekt met van alles: naaigerei, een zelfgemaakt vilten babytruitje, drukproeven van haar nieuwe boek, breinaalden, een gezinspak cornflakes. Over de stoelleuning hangen twee sokken.

Cornelisse, vaatdoekje in de hand: 'Kun je zo werken?'

Haar vriend Chris Bajema - ze kennen elkaar sinds ze samen een voorstelling maakten op theaterfestival Oerol met behulp van viewmasters - zet koffie in de keuken. Boven slaapt Wiek, hun zoon van net 1.

Cornelisse: 'Er komt zo koffie aan, dat is ook fijn.'

Stilte. 'Wil je toevallig een maanzaadbolletje? Ik neem een maanzaadbolletje.'

Cornelisse (40) maakte drie succesvolle cabaretvoorstellingen, won de Neerlands Hoop-prijs voor veelbelovendste cabaretière en schreef twee boeken over taal, Taal is zeg maar echt mijn ding en En dan nog iets, waarvan ze in totaal meer dan 1,1 miljoen exemplaren verkocht. Haar nieuwe boek, De verwarde cavia, verschijnt deze week. Ze geeft het zelf uit ('Ik vind het ontzettend leuk om het zelf te doen en het is mogelijk, dus waarom niet?'), maakte zelf de omslag en flaptekst en houdt de oplage geheim. 'Dat ga ik niet zeggen. Dat is niet waar het voor mij om gaat.'

Paulien Cornelisse

24 februari 1976

Geboren in Amsterdam.

1988-1994 Barlaeus Gymnasium in Amsterdam.

1995 Studeert aan de Brandeis Universiteit in Waltham, VS.

1995-2000 Studie psychologie, Universiteit van Amsterdam.

1998 Studeert zeven maanden in Hiroshima, Japan.

1999-2003 Vormt met Irene van der Aart het cabaretduo Rots.

2001-2004 Treedt op bij Comedytrain.

2007 2de op het Leids Cabaret Festival.

2008 Eerste solovoorstelling Dagbraken.

2009 Publicatie Taal is zeg maar echt mijn ding.

2010 Cabaretprijs Neerlands Hoop

2010 Tweede solovoorstelling Hallo aarde.

2012 En dan nog iets, nominatie NS Publieksprijs.

2013 Winnaar Wie is de Mol?

2013 Derde solovoorstelling Maar ondertussen.

2016 De verwarde cavia verschijnt op 13 april.

Cornelisse woont samen in Amsterdam en heeft een zoon, Wiek (1).

Voor het Boekenbal in maart werd de bestsellerauteur niet uitgenodigd door het CPNB, de stichting die de kaarten verdeelt. 'Ik ben geen lid van de branchevereniging. Officieel mogen alleen leden van de branchevereniging kaartjes kopen, iets waar vaak niet zo strikt mee wordt omgesprongen, maar in mijn geval wel. Geen idee waarom. Als je het dan tóch hebt over propaganda voor het Nederlandse boek - ik krijg ontzettend vaak mensen op me af die zeggen dat ze nooit boeken lezen, maar mijn boek wél hebben gelezen. Ach, ik weet het ook niet. Het was wel aardig geweest.'

Enige kritiek was er ook, op haar beslissing De verwarde cavia zelf uit te geven: uitgeverijen hebben bestsellers nodig om jong talent te kunnen financieren en als alle bestsellerauteurs voor zichzelf beginnen, wordt dat lastig. 'Ja ja ja, het loyaliteitsprincipe. Ik ben daar niet ongevoelig voor, maar ik denk dat door mijn eerdere boeken al heel veel dichtbundels het levenslicht hebben gezien. Die schuld is wel ingelost, vind ik.'

Dan het onderwerp van haar fictiedebuut: een cavia die op een kantoor werkt, op de afdeling communicatie. 'Deze cavia, die trouwens ook Cavia heet, is een secundair reagerend type. En dat is eigenlijk ook meteen de reden dat het een cavia is, omdat secundair reageren een karaktertrek is die ik aan cavia's toeschrijf.'

Waarom dit onderwerp?

'Omdat ik ineens duidelijk het gevoel kreeg dat ik moest schrijven over een cavia die op een kantoor werkt, in begin 2013. De zomer daarvoor had ik meegedaan aan Wie is de Mol? en dat zou worden uitgezonden. Ik was een beetje bang voor alle exposure, dat ik niet meer over straat zou kunnen. In de praktijk bleek dat trouwens erg mee te vallen. Maar ik kreeg toen wel het idee om onder pseudoniem te gaan schrijven. Zo ontstond 'Cavia', als wekelijks feuilleton in NRC Handelsblad, geschreven door J. Waterlander. Het was fijn om op te gaan in een ander wereldje.'

Het gaat over een cavia die op kantoor werkt, maar...

Onderbreekt: 'Maar waar gaat het dan écht over? Hahaha!'

Nou?

'Een kantoor is een plek waar ongemakkelijke interacties plaatsvinden. Het is een biotoop die mij interesseert. Als je vraagt waar het écht over gaat, is het antwoord: over ongemakkelijke en grappige sociale interacties.'

Wie is Cavia?

'Een passief iemand. Ze is een cavia, in die zin dat ze een vacht heeft, maar ze functioneert in de mensenwereld. Ze kan praten. Ze is opmerkzaam, maar niet iemand die goed voor zichzelf opkomt. Het boek staat vol met vrij erge kantoorsituaties, maar ik heb helemaal niets tegen een kantoor. Een kantoor kan een prettige plek zijn. Cavia is dol op haar post-its, punaises en paperclips. Dat zou ik dus ook héél erg hebben. Ik koop graag pennen. Ik hou erg van kantoorboekhandels en van kunstenaarsbenodigdhedenwinkels. Vroeger op de basisschool had ik een bureautje met een laatje erin, en in dat laatje zaten mijn schriftjes en gummetjes. Het was een troepig laatje. Toen ik klein was, had je spulletjes van Bobby & Kate, ken jij dat? Het waren een hondje en een katje, Japans, en daar had ik gummetjes van die heel zoet roken. Ik wist dat ik ze niet op mocht eten, maar ik wilde dat wel heel graag.'

Artikel gaat verder onder de afbeelding.

Beeld Aisha Zeijpfeld

Zit er veel van jou in Cavia?

'Ik ben ook niet zo primair in hoe ik reageer, dus dat herken ik, al kom ik uiteindelijk beter voor mezelf op en weet ik ook beter wat ik wil. Als iemand iets tegen mij zegt wat ik niet leuk vind, heb ik vaak minstens een dag nodig om dat helemaal te analyseren. Er zijn ook mensen die gelijk kunnen zeggen: dit is niet oké.'

Boven huilt Wiek (een weinig voorkomende maar bestaande Groningse naam), die griep heeft. 'O, ik hoor 'm. Even kijken of Chris hem ook hoort. Misschien moeten we even verkassen. Je hebt nu een indruk van waar het gebeurt.'

Je vriendin Aaf Brandt Corstius zei: 'Paulien heeft een hekel aan schoonmaken, behalve de wc.'

'Ja, haha, kun je het zien? Je vindt het meevallen? Ach, werkelijk, nee, ik vind het erg. Dit is toch wel erg. We zitten nu hier te praten en dit stukje tafel heb ik net afgenomen met een doekje, maar daar ligt het weer vol met rommel. Ik hou erg van breien - kijk, dit is een sjaal.'

Ben jij iemand die graag thuis is?

'Heel erg. Ik hou van thuis dingetjes doen.'

Drink je wel eens te veel?

'Ik kan niet drinken, want ik heb last van migraine. Roken heb ik nooit geprobeerd, want ik ben bang voor verslavingen, omdat mijn vader vroeger veel rookte. Drinken vind ik ook gewoon niet lekker. En die migraine, ik zeg het maar even omdat niet iedereen dat weet, is een stuk erger dan hoofdpijn. Ik slik nu goede medicijnen waarmee ik een aanval kan afsnijden, maar dat werkt niet altijd. Na de overgang zou het minder moeten worden. Dus dat is - in die zin - iets om naar uit te kijken.'

Je houdt ook erg van knutselen.

'Ja. Gutsen in linoleum, bijvoorbeeld. Ik vind het ook leuk om als mijn laptop kapot is zelf de accu te vervangen. Dan zoek ik een tutorial op YouTube. Als je een laptop openmaakt zie je al die onderdelen en dan wordt uitgelegd dat je een palletje omhoog moet doen, en dat er dan iets opzijschuift...'

Het is even stil. 'Ik snap echt niet dat je zoiets níét leuk kunt vinden.'

Wat heb je gedaan van het geld dat je hebt verdiend met meer dan een miljoen verkochte boeken?

'Ik heb er een huis van gekocht, dat ik inmiddels weer heb verkocht. Verder geef ik er niet veel om. Ik heb niks met dingen kopen.'

Je kocht twee keer exact dezelfde tas.

'Als ik eenmaal iets vind wat ik goed vind, koop ik het nog een keer. Maar ik ben overigens niet zuinig. Ik ga nu gewoon naar de kapper, bijvoorbeeld, terwijl ik vroeger mijn haar zelf knipte. Enerzijds was dat toen besparend, maar ik had ook gewoon geen zin in het gesprek bij de kapper, en ik vond het zonde om 30 euro te betalen voor iets vervelends. Zo is het met veel dingen: je doet ze om een reden, maar ook eigenlijk om een andere reden. Nu ga ik wel, omdat ik het tegenwoordig een te groot risico vind om mijn haar zelf te knippen. En het heeft een praktische reden: als je zelf je haar knipt, ligt na afloop overal haar. Dat moet je opruimen. Vaak zijn de dingen bij mij toch een afweging: wat kost de minste moeite? Daar kan ik lang over nadenken.'

Vanwege Wiek, die in de huiskamer een avocado met een lepeltje gevoerd krijgt, verhuizen we naar een boekwinkel-annex-koffietentje op een rustige hoek in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Cornelisse twijfelt over welk theezakje ze moet kiezen ('Wat denk jij, deze?') maar kan op andere momenten juist weer zeer gedecideerd zijn, zoals wanneer haar gevraagd wordt of De verwarde cavia niet eigenlijk óók over taal - kantoortaal - gaat. 'Nee, dat vind ik helemaal niet. Dit is fictie.'

Beeld anp

Zijn mensen bij jou wel eens op hun hoede omdat ze bang zijn iets raars te zeggen?

'Ben jij dat? Ik hou er zelf weinig rekening mee. Ook ik hang aan elkaar van stopwoordjes. Ik vond het vroeger altijd genant als moeders zichzelf mama noemden tegen hun kinderen: gooi de bal maar naar mama! Maar nu doe ik dat zelf ook, en ik vind het prima.'

Je lijkt iemand die de dingen beredeneert en analyseert, terwijl aan het krijgen van een kind en die eerste tijd met een baby niet zoveel te beredeneren en analyseren is.

'Ik analyseer denk ik niet meer dan andere mensen, dus het is niet zo dat ik door de geboorte van Wiek opeens in een andere, emotionele wereld terechtkwam. Het lijkt nu alsof je vind dat ik een extreem rationeel mens ben.'

Dat vind je onzin?

'Ja, want dat ben ik niet. Natuurlijk is het krijgen van een kind heel overweldigend. Ik kan er niet goed over praten of schrijven, omdat het te groot is. En te persoonlijk, dat denk ik ook. Ik wil het liever beléven, snap je? Ook voor mijn zoon lijkt het me fijner als hij geen onderwerp is. Hij heeft zijn eigen leven.'

Waarom wilde je moeder worden?

'Omdat ik het wilde, er was geen reden. Voor mij was het krijgen van kinderen iets waar ik nooit over heb getwijfeld. Ik heb het vroeger goed gehad thuis en zag mezelf voor me met een kindje in de kinderstoel, dat ik stukjes brood zou voeren. Dat zag ik, en ik zag ook: een kindje een maillotje aantrekken, en dan die knietjes, en dan in het fietszitje met van die knietjes. Dat leek me zo ontzettend lief, en dat is het ook. Inmiddels ben ik 40 dus ik kan geen zeven kinderen meer krijgen, zoals mijn oma. Toen Wiek er net was, dacht ik vaak: dit is zo fantastisch, jezus, en mijn oma heeft dit gewoon zéven keer mogen meemaken, ongelooflijk!'

In een ideale en ongecompliceerde wereld was ze misschien veel eerder moeder geworden, maar 'het was allemaal best ingewikkeld', zegt ze, bij dit onderwerp duidelijk minder op haar gemak dan wanneer het over gummetjes gaat. Haar vriend had al twee zoons, van inmiddels 13 en 11, van wie ze de helft van de tijd stiefmoeder is. 'Er waren dus andere mensen bij betrokken, al wil ik daar om dezelfde reden niks over zeggen. We hebben nu een samengesteld gezin en dat is geweldig.'

Paulien Cornelisse groeide op in een rustige straat in Amsterdam-Zuid als dochter van twee psychologen - haar vader was onderzoeker, haar moeder therapeut, haar enige broer werkt als financieel analist. Een intellectueel milieu en een tikje alternatief, de kinderen droegen katoenen luiers, uit milieuoverwegingen, maar die werden dan weer wél wekelijks opgehaald door een wasservice. 'We deden ook mee aan fietsdemonstraties, tegen auto's. We fietsten met z'n allen door de stad en riepen: auto's uit de hele stad, anders rijden wij ze plat! Maar behalve dat het tegen auto's was, was het ook gewoon echt súperleuk.'

In de woorden van vriendin Aaf Brandt Corstius was het gezin Cornelisse jaloersmakend harmonieus, humoristisch en warm. Cornelisse zelf zegt: 'We waren vaak een beetje niks aan het doen. Iedereen was dan aan het tekenen en aan het lezen. We hadden een groot boek met kinderliedjes en dan zat ik bij mijn vader op schoot en zongen we samen. Mijn moeder las veel voor. Ja, het was fijn.'

Beeld anp
Beeld Aisha Zeijpveld

Was je een vrolijk kind?

'Ik hield van uitvoerinkjes doen en dingen maken, maar ik was ook gespannen. Toen ik 7 was, gingen we verhuizen. Ik hoefde van mijn moeder die dag niet naar school, zodat ik kon helpen en mee kon rijden met de verhuisbus. Ik had ooit een keer aan mijn tante gevraagd: leer ik op school nu al dingen die belangrijk zijn voor mijn eindexamen? Ja, had mijn tante gezegd. Ik had dat nogal letterlijk geïnterpreteerd. Ik wilde op de dag van de verhuizing absoluut naar school, want ik dacht: als ik deze dag mis, zou het kunnen dat er dingen worden behandeld die ik straks nodig heb op mijn eindexamen. Ik zag mijn elf jaar oudere zelf al zitten, denkend: shit, ik had die dag tóch niet mee moeten gaan verhuizen.'

Pauzeert nadrukkelijk. 'Sindsdien ben ik veel relaxter geworden.'

Kreeg je dat plichtsbesef van huis uit mee?

'Wel dat het belangrijk was om te doen wat je moet doen. Bij mij in de klas zat een meisje dat af en toe een baaldag mocht hebben - dan was ze niet ziek, maar hoefde ze van haar moeder niet naar school. Dat was bij ons thuis onmogelijk. En dat vind ik - blijkbaar ben ik goed geïndoctrineerd - ook echt compléét belachelijk.'

Als kind had je een enorme woordenschat.

'Dat zal voor de helft zijn aangeboren en voor de helft zijn aangeleerd. Mijn ouders zijn taalgevoelige mensen, die vonden alles wat ik op dat vlak deed natuurlijk heel leuk. Ik was heel laat met mijn motorische ontwikkeling. Ik heb nooit gekropen en ging pas lopen toen ik al lang kon praten. Ik zat en ik praatte, eigenlijk, net als nu.'

Na het Barlaeus Gymnasium deed ze auditie voor de toneelschool - en werd afgewezen. 'Ik kreeg een brief waarin stond dat mijn talent ontoereikend was. Best hard. Anderzijds wás mijn talent op dat moment ook ontoereikend. Die afwijzing was ergens ook wel een opluchting - ik was op een voorlichtingsbijeenkomst geweest en daar was een hele enge vrouw die zei dat als je een toneelopleiding gaat doen, je bereid moet zijn om je sociale leven op te geven. Zo schadelijk, wat zo'n vrouw doet; waarom er zoiets sektarisch en mystieks van maken, terwijl het gewoon een mooi vak is?'

Ze studeerde psychologie en overwoog een carrière in de wetenschap, maar trad ondertussen ook op als cabaretière en schreef voor het Amsterdamse universiteitsblad Folia en, later, voor NRC Handelsblad. In 2001 werd ze aangenomen bij Comedytrain, het gezelschap stand-uppers waar ook Theo Maassen en Hans Teeuwen ooit begonnen. De optredens in club Toomler waren lastig, zegt Cornelisse. 'Je treedt altijd op met een stuk of vijf comedians. Ik vond het lastig me te verhouden tot de anderen. Ik was te beïnvloedbaar. Na afloop van de avond was er altijd een evaluatie, waarbij iedereen iets over iedereen ging vinden. Ik vond elke mening even belangrijk. Dit stukje was niet zo leuk, dat kon leuker - voor mij werkte het totaal niet. Ik werd er niet beter van. Het was een zware tijd.'

Met welk gevoel ging je na zo'n avond naar huis?

'Het gevoel: ik kan het niet. Raoul Heertje was toen de artistiek leider. Ik ging af en toe met hem praten en dan moest ik huilen omdat het slecht ging en ik niet wist hoe ik dat anders moest uiten. Hij moest daar dan weer begripvol mee omgaan. Af en toe had ik medelijden met hem: hij had iets moois opgericht, een club waar comedians konden oefenen en elkaar beter konden maken, en nu zat hij met een huilend meisje.'

Je bent toen gestopt met spelen.

'Het was een nare periode. Ik was niet boos of verdrietig, maar er waren dagen waarop er gewoon niet zo veel gebeurde, ook niet in mijn hoofd. Dat is nog erger dan te veel emoties, snap je? Ik lag en zat maar een beetje. Een depressieve periode, denk ik, al heb ik geen pillen geslikt. Ik ben een cursus mime gaan doen. Dat hielp.'

Aaf omschreef je als 'een gevoelig wezentje'.

'Het is raar om dat over jezelf te zeggen, maar inderdaad. Ik kan geen ruzie maken. Dat heeft ook weer met dat secundair reageren te maken. Als iemand ruzie met mij maakt, ga ik me daar na afloop heel erg zorgen over maken, er obsessief over nadenken. Huilen. Het willen uitpraten. Ik vind het heel moeilijk als iemand boos op me is. Ik moet het oplossen, anders kan ik niet slapen.'

Word jij zelf wel eens boos?

'Ja, maar ik ga nooit schreeuwen of met deuren slaan.'

Ben je gevoeliger geworden sinds je moeder bent?

'Heel cliché, maar ik merk dat ik niks kan verdragen als het gaat over kinderen van vluchtelingen. Daar was ik vroeger al geen held in, maar dat is nu veel erger. Ik heb er alles aan gedaan om die foto van het aangespoelde jongetje niet te zien.'

Is dat gelukt?

'Dat is lang gelukt. Elke keer als het er op televisie over ging, keek ik weg. Ik heb de foto kunnen mijden tot ik naar een tentoonstelling ging in het Persmuseum. Daar hing hij, dus daar zag ik hem. Ik dacht: ja, dit is dus precies waarom ik dit niet wilde zien.' Zucht. 'Het is gewoon heel erg.'

Je schreef een boek over een cavia die op een kantoor werkt. Grappig, maar als onderwerp misschien ook veilig, zou je kunnen zeggen.

Geamuseerd: 'Dat zou je kunnen zeggen en dat zég je ook?'

Ja. Waarom niet schrijven over grotere thema's?

'Misschien zeg ik het niet goed: ik wil niet schrijven over het leven van mijn zoon, omdat het zíjn leven is. Ik hoop dat het niet pathetisch klinkt, maar ik moest híérover schrijven. Het zat in mijn hoofd en ging er niet meer uit.'

En je etaleert liever niet te veel van jezelf.

'Mijn laatste voorstelling was erg persoonlijk. Die gaat over iets heel groots.'

Via een microscoop toon je je eigen speeksel en bloed aan het publiek. Daarmee laat je letterlijk iets van jezelf zien, maar tegelijk ook niks.

'Die voorstelling gaat wel degelijk over mijn angst voor de dood. Het uitgangspunt was het feit dat er bij mij onrustige cellen werden gevonden, een voorstadium van baarmoederhalskanker, iets waarvan ze zeggen dat het vrij onschuldig is. Maar ze zeggen ook: die cellen moeten weg. Dus eng is het natuurlijk wel. Ik was bezig met moeder worden, en ineens was het: misschien ga ik wel dood. Dat is naar. Mijn angst voor de dood, die ik altijd al had, was ineens minder een theoretisch verhaal geworden.'

Was het maken van die voorstelling een manier om die angst voor de dood te bezweren?

'Het gekke was: toen ik geopereerd werd en onder narcose moest, wist ik dat er een kans was dat ik niet meer wakker zou worden. En daar had ik op dat moment vrede mee. Dat voelde echt zo. En dat gevoel kon ik daarna een tijd vasthouden. Een bevrijding! Maar sinds ik moeder ben is die doodsangst natuurlijk weer keihard teruggekomen, en getransfereerd op mijn kind.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.