Column Eva Hoeke

De dinsdagen zijn exclusief voor de dochters, en sindsdien valt er geen onvertogen woord

Beeld Els Zweerink

Het was dinsdag en dit keer gingen we naar zee, de Dochter en ik. Het was warm en stil, geen lente maar zomer, vanaf het terras in de diepte hoorden we iemand bulderend lachen. Met zevenmijlsstappen bolderde de Dochter naar beneden, het duin af, de rode emmer botsend tegen haar benen, de rest van de week zou ik zand uit haar schoenen kloppen.

Elke dinsdag ben ik met een Dochter.

De ene week met de een (3), de andere week met de ander (1).

Geen crèche, geen grootouders, geen druk, geen doel. Alleen wij, uit of thuis.

Een nieuwe orde, ingevoerd sinds de keer dat ik achteromkeek en zag hoe snel het allemaal ging. Was ik dat, daar, met dat nieuwe leven in een doek tegen me aan, de wilde nacht in het ziekenhuis nog in mijn ogen? Waren zij dat, de meisjes met kleverige perenijsjes druppend op hun leren sandalen?

Nog even en ze zouden naar school gaan.

De rem was snel gevonden, de dinsdag werd weer van ons, en allemaal knapten we ervan op. De pret begon al op maandagavond, als we op samenzweerderige toon plannen smeedden voor de volgende dag. Plannen van niks: nieuwe sokken kopen, een visje bij de kraam. Wat telde was de belofte van aandacht, van exclusiviteit, het verlangen naar zichtbaarheid dat zo royaal werd beantwoord, over en weer, zonder tussenkomst van anderen, en het was precies die intimiteit die ervoor zorgde dat ik ze de rest van de week makkelijk uit handen gaf. Na verloop van tijd was me opgevallen dat er op deze dagen geen onvertogen woord viel, geen vloek of zucht. Alsof de wedstrijd was gestaakt.

In de namiddag gingen we weer.

‘Heb jij ook zo’n zin in visfrietjes?’ vroeg ik toen we over de boulevard liepen.

Even later stonden we voor de kraam van Fish & Chips Seafood. ‘Wat een weer, hè?’, zei ik tegen de verkoper, een vrouw met pezige, gebruinde armen en zwarte haren waar strepen grijs doorheen schemerden. ‘Als het zo doorgaat hou ik mijn hart vast voor de zomer.’

De vrouw gooide een schep visfrietjes in de frituur en haalde haar schouders op. ‘Mij maakt het niet uit, ik ben wel wat gewend. Ik heb vroeger in de woestijn gewoond, in het Midden-Oosten.’ Ze keek langs me heen, naar de Dochter die haar tong tegen het glas van de toonbank drukte. Toen ze zag dat ze werd bekeken, hield ze op. ‘Als het daar regende dansten we op straat, van puur plezier. Dat nemen we hier voor lief.’

Een joekel van een meeuw streek neer en scharrelde pikkend om ons heen, op zoek naar gevallen friet. De Dochter keek ernaar. ‘De mensen nemen hier álles voor lief’, vervolgde de vrouw terwijl ze een plastic bakje pakte. ‘Hier op de boulevard zie ik ze allemaal over plastic zakken heen rijden. Deden wij niet, want je wist nooit of iets kon ontploffen. Ik heb gezien hoe pakketjes op pleinen van kleuterscholen werden neergelegd, verpakt als kadootjes. Als zo’n kind dat dan oppakte – piew.’

Ze gooide iets denkbeeldigs de lucht in.

Even later vulde de geparkeerde auto zich met de geur van visfrietjes. De meeuw had zijn aandacht verplaatst naar het oudere echtpaar naast de kraam. Af en toe voerden ze een stuk kibbeling aan de kleine maltezer aan hun voeten. Via de achteruitkijkspiegel keek ik naar de vette vingertjes van de Dochter, de zandkorrels bij haar slapen. Ze smakte, de enige ter wereld van wie ik dat hebben kan.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden