De Cementfabriek

Thuiskomen in je moederland. Terugkeren naar het land waar je ouders je groot hebben gebracht. De gaarkeuken van de cementfabriek vlakbij het Hongaarse Mónosbél....

Elke Hongaarse restauranthouder 'van standing' heeft een meestal vierkoppig orkestje in dienst dat bij het eten die onvergetelijke zigeunermuzak van Oost-Europa tot klinken brengt, een allegaartje van getjilp, Weense Mozartklanken en vage wereldmuziek uit de Hongaarse poesta's.

Een beetje gedisciplineerd reiziger vermijdt zulke gelegenheden. Bij het zien van viool en cello, kijkt zo'n ervaren reiziger een andere kant op. Muzak is er weliswaar overal, maar wat je niet ziet, is er ook niet, ook al hoor je het nog.

Vroeger hield Luc Degryse, toen hij voor het eerst in Hongarije was, en in Eger zijn toekomstige ontmoette, zielsveel van die alomaanwezige en hartveroverende Donau-viool. Het was de muzikale setting van zijn Hongaarse liefdesavontuur. Nu hij met Piró is getrouwd, vindt hij het 'vreselijk gejank'. Hij komt nog zelden in een restaurant, ook niet meer in het Parkhotel in Eger waar viool en cello hem vroeger in de juiste en romantische stemming brachten. 'Goede herinneringen moet je koesteren', zegt hij. Nu eten ze thuis, 'onder onze notelaar'.

Eten haalt hij af. 'Dan hoor je de muzak niet.' Klokke twaalf rijdt hij naar de cementfabriek, een afgrijselijk log en groot betonblok vlakbij Mónosbél, op amper zeven minuten rijden. Na enig geritsel en gemarchandeer, 'zoals je dat vroeger in het voormalige Oostblok altijd deed', krijgt hij toegang tot de fabriekskantine, alwaar 'iets onduidelijks' in drie kommen wordt geschept. Klokslag kwart na twaalf staat het gezonde Hongaarse arbeiderseten bij hem thuis op tafel.

In de potten zit gemengde groente, met kleine in vierkantjes gesneden stukjes draderig vlees, dit alles naar goed Hongaars gebruik met zure room en meel gebonden. In het lauwe bietensoepje drijven gehalveerde aardappeltjes. Het dessert is nogal korzelig en verkruimeld, met klonten suiker erop, en heeft een voor niet-Hongaren ongebruikelijke kleur. Maar er komt gelukkig ook vers brood op tafel, waarop schijfjes gele paprika worden gesneden.

In de auto klinkt altijd echte zigeunermuziek. Op weg naar de cementfabriek speelt het cd'tje gipsy folk songs from Hungary, waarop een heel toepasselijk lied: Van egy pipám, egy kalapom. 'Ik heb een pijp en een hoed'. En a téglagyárban lakom. 'En ik werk in de tegelfabriek.' Want die hoed zit onder het stof, onder het cement van de fabriek, zoals ook alle bomen en huizen in Mónosbél.

Iedereen werkt of wil werken in de cementfabriek. Veel werk is er in Mónosbél niet, behalve misschien in het weeshuis naast de dorpsschool of als klusjesman. De fabriek, ooit een socialistisch model, wordt sinds enkele jaren geleid door een Duits-Italiaans consortium. Vroeger werkten er meer dan duizend arbeiders, nu hooguit vierhonderd. Veel dorpelingen hebben sindsdien geen werk meer. Ze zitten de hele dag doelloos voor zich uit te staren in het enige café van Mónosbél, bij halve liters wijn of bier met schnaps, en kijken televisie.

De Hongaarse radio speelde vroeger arbeidersliederen, op de cadans van moderne tango of rumba, over het morgenrood en 'het gelukkige leven' dat iedereen dankzij het socialisme te wachten stond. 'O mijn jongen van de ijzergieterij, de oven gloeit, jouw bruid wil ik zijn. . .'

Dat hoor je niet meer. Mónosbél, dat is nu Coca Cola; Eger McDonald's, de ING Bank en de ABN Amro. Het is profi en discount, Oostenrijkse boter en Duitse biefstuk.

Maar de familie Degryse-Pallaghy heeft andere kopzorgen. Ze willen hun boerenhuisje verbouwen, er komt een bakoven in de tuin, de bouwvallige houten stallingen moeten dringend worden hersteld, het gras in de tuin en in de boomgaard staat te hoog, ze willen een hogere heg 'want de buurvrouw koekeloert', zigeuners hebben hun tuin geplunderd, de telefoon doet het niet, Tobi - hun labrador - is onrustig en krols, hun dochter Lilla wil niet eten ('bah, alweer goulash') en uiteindelijk blijkt de gezonde arbeiderspot uit de gaarkeuken van de cementfabriek 'niet te vreten', zodat - zij het na veel overleg in onbegrijpelijk Hongaars - besloten wordt 'misschien toch maar in het Parkhotel te eten', mèt zigeunermuzak.

De volgende dag, klokke twaalf, rijdt Luc weer naar de cementfabriek, met op de achterbank drie gelijke kommen waarin vervolgens 'iets onduidelijks' gekieperd wordt. En opnieuw weerklinkt en schalt in de auto zijn geliefkoosde zigeunerlied: Van egy pipám, egy kalapom. 'Ik heb een pijp en een hoed.' Enzovoort, enzovoort. Weer klaagt de dochter, want 'het eten is koud'. En 'de telefoon doet het niet'.

Paul Depondt

Dinsdag in deel 4: De Hongaarse telefonie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.