Interview Rachel Franse

De ‘borstkanker light’ die meeviel: ‘Die tumor wip ik er zo uit, zei de chirurg’

Beeld Krista van der Niet

Toen journalist Rachel Franse (48) de diagnose borstkanker kreeg, dacht ze dat haar leven voorbij was. Ze had geluk: haar vorm bleek simpel te behandelen en na 100 dagen was ze kankervrij. Ze schreef een opgewekt boek over haar ‘tijdelijk ongemak’.

Ze is in Parijs om voor de Linda vijf danseressen van de Moulin Rouge te interviewen als ze, alleen op haar hotelkamer, iets geks in haar rechterborst ontdekt, een harde en onbeweeglijke knobbel die warm aanvoelt. ‘Neuh, niks ernstigs’, zegt de huisarts, ‘lijkt mij echt een ontstekinkje’. Vier dagen later wijst de radioloog naar een donkere vlek op het mammogram: een tumor.

Wilt u dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Rachel Franse (48), freelancejournalist en televisiemaker, reageert zoals die andere 14.764 vrouwen zullen hebben gedaan toen ze vorig jaar dezelfde diagnose kregen, met vergelijkbare woorden en gedachten, met een identieke angst: tissues vol tranen, totaal in de war, je dacht dat kanker altijd anderen trof, hoe lang heb ik nog en hoe vertel ik het de kinderen? Totdat blijkt dat ze een huis-tuin-en-keuken-tumor heeft, een van de luie soort, die heel langzaam groeit. Een borstsparende operatie, een maand bestraling, geen complicaties en na precies honderd dagen staat de achtbaan weer veilig aan de grond. ‘Borstkanker light’ noemt ze het zelf in haar boek dat dinsdag verschijnt.

Niet altijd amputatie en chemokuren

Die lichte variant komt voor bij een op de vijf borstkankerpatiënten: ieder jaar krijgen bijna drieduizend vrouwen na de eerste schrik goed nieuws. Voor die groep is haar boek bedoeld, schrijft ze. Om het beeld van de ziekte wat te kantelen: borstkanker betekent niet altijd amputatie, ziekenhuisopnames en langdurige chemokuren. ‘Mag ik het tijdelijk ongemak noemen?’, vraagt ze de chirurg in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis die haar opereert. ‘Ja dat mag zeker’, zegt hij, ‘daar doe je dit soort gevallen niet mee tekort.’

Haar boek is een opgewekt verslag geworden van een kankerpatiënt die goed is weggekomen, een verhaal dat in volle vaart honderd dagen ziekte schetst. Nadat de oncoloog haar heeft uitgezwaaid en ze het einde van haar bestralingsmaand heeft gevierd met flessen roze champagne en roze koeken, dwingt ze zichzelf in de hal van het ziekenhuis om zich heen te kijken, om te voelen wat voor mazzelaar ze is.

Het is – dat klinkt wat ongemakkelijk – ook een grappig boek. Over de kilo’s roomboter die in de vorm van appelflappen en saucijzenbroodjes in het restaurant van het ziekenhuis worden weggewerkt, de in joggingpak gestoken candycrushende vrouw in de wachtkamer, de stompzinnige reacties van de buitenwereld (‘Borstkanker? O nou, wat vervelend zeg. Maar ze kunnen veel hè, tegenwoordig.’) en de beschrijving van de artsen en verpleegkundigen die ze tegenkomt: de kolossale chirurg die op een bokser lijkt, de anusarts die ook borstsparende kankeroperaties verricht, en ‘borstkankerkoning’ Emiel Rutgers uit het Antoni van Leeuwenhoek, die haar behoedt voor een nodeloze amputatie.

Na een draaidag voor een nieuwe documentaire schuift ze halverwege de middag aan in een Amsterdams café. Ze oogt fit, vertelt gretig maar bekent ook dat ze een beetje bang is voor de reacties op haar boek.

Rachel Franse Beeld Geert Snoeijer

In het voorwoord verontschuldig je jezelf. Dat vrouwen die het minder hebben getroffen je boek niet als kwetsend moeten beschouwen, dat je de ziekte niet wilt bagatelliseren. Waarom doe je dat?

‘Als ik zelf erg ziek zou zijn, dan zou ik het afschuwelijk vinden dat een andere vrouw eventjes beweert dat het allemaal wel meevalt. Ik verwacht dat veel patiënten mijn boek gaan lezen en denken: wat een nare vrouw, wat denkt ze wel niet. Ik ben uitgenodigd om binnenkort een lezing te komen geven voor borstkankerpatiënten in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis en ik weet nu al dat ik hem daar vol op mijn neus krijg. Hoe pijnlijk is het als iemand komt vertellen: nee hoor, je kan gewoon blijven werken. Maar ja, de waarheid is dat deze milde variant bestaat. En iemand moest dat een keer opschrijven.’

Jij wist niet dat borstkanker light bestond. Wat zegt dat?

‘Dat zegt alles. Ik heb voor veel vrouwenbladen gewerkt, ik heb vriendinnen in de journalistiek, ik ben goed op de hoogte en toch wist ik er niks van. Het idee is toch dat borstkanker altijd zwaar is, en dat is vaak terecht, maar er zijn ook vrouwen voor wie het schrikbeeld niet opgaat. Voor hen is er weinig informatie, ik miste dit boek. Na de diagnose heb ik in de auto als een dier zitten huilen. Ik dacht: ik heb drie kinderen, ik ben freelancer, ik ben het komende jaar zoet met ziek zijn, mijn haar gaat eraf en ik kan straks niks meer. Totdat ik hoorde dat ik prima te behandelen was. We houden het eenvoudig, zei Emiel Rutgers, de chirurg: de tumor zit daar prachtig, ik wip hem er zo uit. Ik heb het niet als kanker ervaren, zei ik hem later en ik vroeg hem of ik dat wel mocht zeggen. Ja dat mag, antwoordde hij.’

Mag je grappen maken over kanker?

‘Jazeker, maar ik deed dat alleen met mijn vriendinnen die ook kanker hebben gehad. Op mijn laatste bestralingsdag heb ik een feestje gegeven en toen heb ik gekscherend het stokje aan mijn vriendin overgedragen, die kort daarop met bestralingen zou beginnen. De kankerestafette noemden we dat. Maar buitenstaanders zitten niet op dat soort humor te wachten hoor, er zijn mensen die mij veel te hard vinden, die beweren dat de klap nog wel een keer komt. Rutgers, mijn chirurg, vertelde me dat het heel goed is om er relativerend mee om te gaan. Hij zei daar iets moois over: hoe meer je ermee gaat zitten, hoe meer je ermee zit.’

‘O jezus wat vreselijk. Jij ook al. Ik hoor het ene na het andere verhaal. Laatst ook weer, de vriendin van Annejet, ken je haar? Woont om de hoek bij Fleurie, weet je wel. Nou gruwelijk ook, is enorm ziek geworden.’

Ook al zijn ze zo goed bedoeld, woorden kunnen zo leeg zijn, schrijf je. Wat moeten buitenstaanders nou zeggen, en vooral niet zeggen tegen een kankerpatiënt?

‘Je kunt de reacties in categorieën onderbrengen. Vaak begonnen mensen tegen mij over zichzelf of over anderen. Ze wisten altijd wel iemand die nog veel ergere kanker had. Dat zeiden ze kennelijk als een vorm van troost, maar ik dacht meteen: O, vind je mij niet erg genoeg of zo? Er waren ook mensen die het niet wilden horen of die niet in staat waren te reageren. Hoe zit het met die oncologische kwestie, vroeg iemand me eens. Ik ben er heel open over, dus als iemand in de supermarkt aan me vroeg hoe het ging, dan zei ik dat ik borstkanker had. Ik hou niet van die lulpraatjes, met iedereen gaat het altijd helemaal goed, nou met niemand gaat het altijd goed. Door die openheid dwong ik alleen wel een reactie af, en dat kan vervelend zijn, besef ik nu. Het allerergste vond ik de verhalen die anderen ophingen uit onwetendheid. Er zijn mensen geweest die dachten dat ik te veel beugelbeha’s droeg en een vrouw bij de kapper meende te weten dat kanker heel vaak voorkomt bij magere vrouwen, alsof het mijn eigen schuld was. Eigenlijk is er geen zinnige reactie mogelijk. Kan ik iets voor je doen? Die vraag is denk ik het beste.’

In het plaatselijke ziekenhuis wilde de chirurg tot amputatie overgaan. Je vroeg om een second opinion en toen bleek dat je borst kon worden behouden. Waar kwam dat verschil in inzicht vandaan?

‘Dat had met de plek van de tumor te maken. Mijn borstweefsel bleek bovendien compact en gaf een wat diffuus beeld. Ze zullen hebben gedacht: laten we voor de zekerheid maar amputeren. Het was een beslissing op basis van angst en gebrek aan kennis, concludeerde de chirurg bij wie ik daarna terechtkwam. Gelukkig heb ik door mijn werk een grote mond ontwikkeld, durf ik kritisch te zijn en heb ik zo veel gelezen dat ik weet wat er mogelijk is. Maar dat geldt niet voor iedereen. Ook daarom heb ik dit boek geschreven, om duidelijk te maken dat je alert moet blijven en geen genoegen moet nemen met wat de arts beweert. De medische ontwikkelingen gaan zo snel dat het gerechtvaardigd is als je doorvraagt.’

‘Wie zit er op mijn kankergezeur te wachten. Zou je zelf ook hebben, Franse. Sinds een paar weken draait alles om jouw kanker. Dat gemekker ook steeds.’

Vanaf het moment dat je hoorde dat de kanker te behandelen was, wilde je zo snel mogelijk van het ziek-zijn af. Op de tweede dag na de operatie naar de sportschool, na een week weer aan het werk. Hoezo?

‘Als ik daarop terug kijk, was het inderdaad redelijk gestoord. Maar ik wilde zo graag weer in het bakje gezonde mensen horen. Ik wilde niet ziek zijn, ik wilde niet thuiszitten, ik wilde op mijn werk niet vervangen worden. Ik wilde meedoen, uit alle macht, omdat het leven veel te leuk is. Ik zag al die doodzieke mensen in het ziekenhuis, zo breekbaar, weggezet, ze deden niet meer mee aan de samenleving. Daar werd ik diep ongelukkig van. Ik was zo blij dat het mij beter was vergaan dat ik misschien aan mezelf wilde laten zien dat mijn lijf het nog deed.’

Je kampte met ‘tijdelijk ongemak’. Is alles nu weer zoals het was?

Ze wijst naar haar rechterborst: dáár heeft ze nog een deuk zitten, wat er is gebeurd, blijft zichtbaar. Het litteken onder haar oksel trekt nog, maar verder gaat het goed, zegt ze opgewekt. ‘Ik heb een iets grotere kans om opnieuw kanker te krijgen, maar dat houdt me niet bezig.’

Haar kankerlaarsjes houdt ze, die lelijke dingen van zwart suède met een rubberen sleehak waarin ze haar voeten, die sinds de diagnose aanvoelden als ijsklompjes, warm hield. ‘Het is de herinnering aan een mooie tijd. Ik ben even heel erg op mijn nummer gezet. En dat kan bij mij geen kwaad. Ik leefde al best leuk maar dat is er nu zeker niet minder op geworden.’

Volgende maand is het borstkankermaand, ze trekt er een gezicht bij. ‘Ik hou er niet van, er valt niks te vieren aan kanker. Dat feestvieren om geld binnen te halen, stoort me mateloos.’ Een roze lintje gaat ze niet dragen, nee. ‘Ik wil niet bij de groep horen. Ik heb gewoon pech gehad. En zo velen met mij.’

Rachel Franse: 100 dagen kanker Q; € 16,50
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.