Zin van het levenTrees Roose

‘De ander opmerken, en zelf opgemerkt worden: dat is wat zin geeft’

Beeld Sophia Twigt

‘Wat is de zin van ons leven?’ Met die vraag startte iedere aflevering van de interviewreeks die Volkskrant-journalist Fokke Obbema in de Volkskrant publiceerde. Lezers krijgen nu ook de kans om die vraag te beantwoorden in een interview met zichzelf. Vandaag: Trees Roose. 

Als ze vijftien is loopt ze van huis weg en huurt voor vijftig gulden per maand een bedompt kamertje van twee bij drie in Utrecht. Haar moeder laat niet naar haar zoeken. Burgerservicenummers bestaan nog niet, dus Trees Roose kan probleemloos aan de slag als schoonmaakster in een snackbar. ’s Avonds krijgt ze een ouwelijk mantelpakje aan om als ouvreuse bij bioscoop Rembrandt aan de Oudegracht mensen te placeren, en in de pauze verkoopt ze cornetto’s uit een houten bak. ‘Ik was een bleek meisje met een scheve pony en een kerkhofgebit vol gaten, nog dramatischer dan dat van Philip Corvage in Simon Vestdijks Ivoren Wachters. Ik kon niks, ik moest zelfs nog leren eten met mes en vork.’ Ze voedt zichzelf dus maar op, en het duurt niet lang of ze fietst na het werk naar een avondopleiding en haalt daarna haar diploma van de middelbare school – waar ze de enige leerling is zonder ouders om schoolavonden te bezoeken en lesboeken te betalen. ‘Allemaal weldoorvoede kinderen van professoren, dokters en zo. Deze elite was zelfverzekerd, sprak met luide stemmen. Ik had dat soort mensen nog nooit van dichtbij gezien, met hun vanzelfsprekende goede manieren.’ Ze deed de studies sociaal werk en journalistiek, had een gevarieerde loopbaan bij de reclassering, kreeg twee zoons die allebei afstudeerden. Ze schreef verhalen, artikelen en publiceerde het boek Alleen maar mijn moeder. Op dit moment geeft ze schrijftrainingen, en schrijft en spreekt ze voor uitvaarten.

Wat is de zin van het leven?

‘De mens is een dolende stumperd die daar niks van kan begrijpen. Over zoveel miljard jaar blaast de zon zichzelf op en wordt deze schitterende blauwe aardbol gedegradeerd tot dood ijsblok. We zijn nog minder dan een splinter in een oneindige zwarte leegte waar geen aardse natuurwetten gelden. God, Allah, Boeddha, hun heilige boeken zijn geschreven als bezwering van onze angst voor chaos, leegte, moordlust, onvoorspelbaarheid, dood en duisternis. Ze scheppen een beetje moreel besef voor dat stelletje wilde apen dat we zijn. Maar we zijn alleen, in een stomtoevallige wereld. Er is helaas nergens een galaxy far far away waar ze wakker liggen van ons stikstofquotum, de vezels van Rutte of de walmende kolenmijnen van Trump. De enige zekerheid is de dood, voor iedereen gaapt het graf of cirkelen de gieren.

‘Wat me kan ontroeren zijn de mensen die daar omheen staan, die de persoon hebben bemind en hem nu pijnlijk missen. Dan ben je gezien geweest. Reve schreef het al: ‘Liefde (of geen liefde), en ouder worden, en dan de Dood.’ De ander opmerken, en zelf opgemerkt worden: dat is wat zin geeft. Daarom houd ik bijvoorbeeld ook zo innig van de dichters die spreken bij eenzame uitvaarten. Niets zo deerniswekkend als een anonieme dode, door niemand beweend.’

Er is dus geen God?

‘Vroeger wel, op de rooms-katholieke lagere school Sint Rosa in Amsterdam-Noord. Daar was hij aanwezig in het weesgegroetje in de ochtend, het angelus om twaalf uur, de kerkklokken op een mistige zondagochtend, de waarschuwende plaatjes die we huiverend bekeken van roze zieltjes met zwarte vegen erop: onze zondes. Gefascineerd was ik door godvruchtige heiligen die als versterving rottend voedsel aten of zich levend lieten villen voor de goede zaak. Zo wilde ik ook wel zijn. Het gaf een richting die ik later zonder gedoe weer los kon laten. Katholieken zijn daar tamelijk makkelijk in, in tegenstelling tot de gereformeerden van Wolkers en ’t Hart. Ik ben die stadsnonnen eeuwig dankbaar voor hun strenge morele kompas. Ik was ook de absolute dicteekampioen van de school, taal werd mijn grote vriend. Bij ons thuis kwam een maal per week een mannetje met een kartonnen leesmap vol oude exemplaren van De Lach en de Panorama. Mijn kop werd nergens door gevoed. Ik overwoog korte tijd om het klooster in te gaan, zo aanbad ik die naar groene zeep geurende wezens in hun witte habijten en hun rinkelende zwarte kralenkruiskettingen, die aan het eind van de middag naar een koel klooster ruisten. Maar godzijdank heeft die ‘roeping’, zoals zuster Gratiosa dat noemde, mij nooit bereikt.’

Want nu…

‘Nu ben ik overtuigd atheïst, ondanks de onbaatzuchtige zusters Dominicanessen. Dat er exclusief voor ons, mensjes, een opperwezen met een Bedoeling en een hemel is – dat vind ik een grappige en pedante gedachte. En dat paradijs heeft nog toelatingseisen ook, want je komt er niet in zonder beproeving, ziekte en dood. Kom op. En wáár is de hemel voor onschuldige dieren? Gerard Reve geloofde weliswaar dat ‘rooms-katholieke dieren van goed gedrag, mits ze niet te groot zijn, in de hemel allemaal prachtige kleertjes krijgen die hun heel mooi passen’, maar de paus heeft dit bij mijn weten nooit bevestigd in een encycliek.

‘Maar er is desalniettemin veel schoonheid in het leven. Mijn levensmotto is geworden: ‘Nu we er toch zijn...’.

…dan maken we er maar wat moois van?

‘Ik blijf onder de indruk van mensen die de ernst en het heilige vuur bezitten om een dikke driedelige roman te schrijven, gloeiende jazz te performen, met gevaar voor eigen leven de walvisvangst te bestrijden, het Zwanenmeer te leren dansen. Dat helpt tegen het onverschillige nihilisme waar ik mee ben opgegroeid – want tja, aardappelen moeten kopen van bijeengeschraapt flessenstatiegeld maakt het leven vooral weerbarstig. Wanneer het mij lukt om twee prachtzinnen te schrijven, loop ik al de hele dag op rozen. Taal troost. En kijk toch eens naar het jagende zand bij een herfststorm op de Wadden, het uitzicht op de skyline van Manhattan als je over de Brooklyn Bridge fietst. De schilpadden die onder je zweven als je snorkelt in een azuurblauwe glasheldere oceaan, de tevreden kat die zich spinnend wast in het ochtendzonnetje. Zo veel mooiigheid als er ook is.’

Taal troost?

‘Mijn privébijbel bevat gedichten van Reve en Campert, Hanlo. Als je leest, ben je nooit alleen. Ik spreek met stervenden en vertel hun verhaal op de uitvaart. Dat zie ik als portretschilderen: uit mijn schetsen verrijst, als ik het goed doe, een compleet mens in een warmgouden lijst, net als bij Rembrandt. Ik worstel met woorden zoals een kunstenaar met olieverf of marmer. En ik schrijf net zo graag voor de alcoholische kankerpit met nare agressieve trekjes die scheldend op zijn sterfbed ligt, als voor het stugge, gierige moedertje dat haar dochter pas op de laatste dag een allereerste gortdroge zoen geeft. Juist voor hen. Elk mens moet ’t toch maar ongevraagd zien te schaften, dat kloteleven, soms eenzaam en alleen. Iedereen verdient erbarmen en mededogen.’

En jouw leven?

‘Ik hoor bij mijn kinderen: ik heb mijn eigen familie gecreëerd. Voor hen voel ik onvoorwaardelijke liefde, dat is een regelrecht levenscadeau. De meeste mensen hebben van huis uit een natuurlijke biotoop, medemensen tussen wie zij zich als vanzelfsprekend bewegen. Dat kende ik niet, ik bleef overal de waakzame toeschouwer. Ik ben wel twintig keer verkast door heel Nederland, een zwervende moeder achterna die van man naar man hopte. En toen liep ik weg. Bijna niemand die ik ken, is zijn leven net zo rotzooierig begonnen. Maar goed, Gerard Reve slaat, als altijd, de spijker op de kop: ‘Je kan je eigen ophangen. Je kan je eigen niet ophangen. En ik heb het besluit genomen om me eigen niet op te hangen. Ik moet nog wat werken. Ik moet nog wat voort naar mijn eigen idee.’ En zo is het maar net.’

Je publiceerde een boek over je moeder

‘Zij heeft een ontregelende rol in mijn leven gespeeld. Maar haar laatste jaren heb ik voor haar gezorgd en heb ik van haar leren houden. Ik heb op haar sterfbed naast haar gelegen, en voelde dat ze deel van me was. Dat vond ik belangrijk genoeg om op te schrijven. Voorin dat boek staat trouwens het prachtgedicht van, sorry, alweer Reve, die een droom had over zijn moeder: ‘(…) Boven het woud waarin zij met de Dood wandelde verhief zich een sprakeloze stilte. Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was en uitgerust. Ze had kralen om die pasten bij haar jurk.’ Zo’n beeld. Als dat niet troostend is…’

Ben je zelf bang voor het einde?

‘Minder dan vroeger. Doordat ik af en toe in de ziel mag kijken van stervende mensen heb ik veel opgestoken over berusting in eigen eindigheid. Ik zit naast hun bed, kijk ze recht in de ogen, probeer steeds weer dat allergrootste geheim te ontrafelen. Ik vraag het ze gewoon op de man af: en, was het ’t waard? En het antwoord is bijna altijd: ja, want de liefde. Dat je gezien bent. En ik stel verder vast dat veel mensen uiteindelijk de dood opgelucht begroeten. De zeis wacht geduldig op je, aan gene zijde. Ook indertijd op mijn graatmagere moedertje, dat altijd panisch was voor het einde. Maar toen ik handenwringend aan haar bed zat, was zij doodkalm. Ik hoop dat het mij ook zo vergaat. Maar nu nog even niet, want ik heb een paar weken geleden de mooiste kleindochter van het gehele westelijk halfrond gekregen. Dat kleine meisje zal ooit op mijn uitvaart staan. En dan zal ik niet onopgemerkt zijn gebleven.’

De Volkskrant riep eind vorig jaar lezers op de vraag ‘Wat is de zin van ons leven’ te beantwoorden in een zelf-interview en het antwoord te delen met andere lezers. Een jury, waarin Kees Beekmans, Marjon Bolwijn, Margreet Vermeulen en Fokke Obbema zaten, heeft de vierhonderd inzendingen beoordeeld. Hier vindt u de bijzonderste op een rij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden