Dagboekverslagen uit de hel

Er zijn maar weinig dagboeken beschikbaar van Joodse Nederlanders die in de deportatiemachine terecht kwamen. Een ervan is geschreven door Klaartje de Zwarte, die vertelt over wat zich afspeelde in de Hollandse Schouwburg: ‘Oudjes zag ik huilen van angst.’..

De televisieserie De Oorlog is voor een groot deel gebaseerd op de dagboeken van duizenden Nederlanders tijdens de bezettingstijd. Veel mensen moeten zich vanaf 10 mei 1940 hebben gerealiseerd wat voor een ingrijpende periode er aanbrak. Sommigen produceerden duizenden bladzijden, anderen noteerden alleen op bijzondere dagen een paar regels.

Het is opvallend hoeveel dagboekmateriaal er is overgebleven over de Jodenvervolging. Die dagboeken geven een inzicht in de spanningen en de wanhoop die de anti-Joodse maatregelen van de bezetter teweeg brachten. Misschien wel het meest cynisch zijn de woorden van een 16-jarige Joodse jongen, Moshe Flinker. Hij gebruikte om de situatie te beschrijven een beeld dat je moeilijk meer loslaat.

‘Het is alsof je in een grote zaal bent waar een heleboel mensen vrolijk aan het dansen zijn, plezier hebben en een klein groepje stil in een hoekje zit. Van tijd tot tijd worden een paar mensen opgehaald, naar een ander vertrek gevoerd en gewurgd. Maar de vrolijk dansende mensen in de zaal raakt dat helemaal niet. Het lijkt er eerder op dat hun plezier er juist door wordt vergroot.’

Voor de Joodse bevolkingsgroep was de allesbeheersende vraag vanaf de zomer van 1942: onderduiken of niet. Voor een grote groep was die vraag niet relevant, want voor onderduiken moest je geld hebben, dat was voor arme mensen niet weggelegd.

Bovendien raadde de Joodse Raad van Amsterdam onderduiken af. Die organisatie pleitte voor het gehoorzamen aan de Duitse eisen Ook waren er nog veel mensen die onderduiken veel te veel gedoe vonden. Zoals blijkt uit het dagboek dat de toen 62-jarige Juliette Binger uit Den Haag tijdens de oorlogsjaren bijhield.

‘Onderduiken? Een vals persoonsbewijs ligt voor mij klaar: ik heb geld om er een paar jaar van te leven. Maar dan moet ik mij in een kamer opsluiten om niet gezien te worden, instrueert men mij; dan ben ik mijn vrijheid geheel kwijt! Als ik gevonden word, word ik zwaar gestraft.

‘Ik loop gevaar van het ene asiel naar het andere gejaagd te worden als een stuk wild; ik beteken ook een gevaar voor degenen die mij helpen willen! En de moed ontbreekt mij ook daarvoor.’

Voor wie wel wilde onderduiken was er in 1942 te weinig plaats. Slechts weinigen waren bereid de risico’s te nemen die aan het verbergen van Joodse medeburgers waren verbonden. De echtgenote van een dominee in Den Haag, vertrouwde haar twijfels daarover aan haar dagboek toe.

‘Wij hebben moeite gedaan in ons huis een schuilplaats te vinden, maar het is uiterst moeilijk, omdat er zo’n groot gevaar voor je zelf aan verbonden is. Want wie een Jood verbergt, is zelf strafbaar. Niemand zou het dus mogen weten.

‘Er moeten geen kinderen in huis zijn, die in hun onschuld de onderduiker kunnen verraden; geen dienstbode die kletst; bij bezoek, zelfs als er maar aan de voordeur wordt gebeld, moet de vluchteling zich opsluiten; hij mag nooit op straat komen! En hoe lang kan dit duren? Is dit niet iets, wat je zenuwen niet uithouden? Ik geloof, dat ik nooit meer in slaap zou komen, als ik zo’n vervolgde in huis had.’

Verveling
Wat onderduikers zelf meemaakten, weten we het best uit het dagboek van Anne Frank. Er is nog een ander voorbeeld, een meisje van 18 jaar dat zich in Nijmegen schuilhield en eveneens de verveling van zich afschreef in haar dagboek, Rose Jakobs. Op 20 mei 1943 noteert ze:

‘Ik denk er dikwijls aan dat wij maar een betrekkelijk geringe kans hebben levend uit deze hel van verschrikkingen te komen. Ten eerste is er voor ons steeds het gevaar dat alles wordt ontdekt. En dan de bommen. En de Moffen. Maar dan denk ik steeds weer aan die ene zin uit het nachtgebed: De Eeuwige is met mij en ik vrees niets.’

Met dat vertrouwen haalt ze oktober 1944, maar dan slaat het noodlot alsnog toe. Haar laatste aantekening is van 1 oktober, de volgende dag is er een bericht van haar zusje Esther:

‘Wij staken over naar de eerstehulppost, toen ineens een splinterbom uit een overvliegend vliegtuig op ons viel. Rose werd dodelijk getroffen, een splinter in haar hart maakte een einde aan haar veelbelovende leven. Ik was slechts lichtgewond.

‘Ik heb de hele nacht naast haar gezeten en gewaakt en aldoor maar ‘Sjema Jisrael’ gezegd, hopend en biddend dat zij misschien haar ogen zou opslaan.’

Het ontroerende dagboek van Rose Jakobs is in 1999 uitgegeven onder de titel De Roos die nooit bloeide.

Hollandse Schouwburg
Er is maar een handjevol dagboeken beschikbaar van Joodse Nederlanders die in de deportatiemachine terecht kwamen.

Over wat er zich afspeelde in de Hollandse Schouwburg, de plek in Amsterdam waar duizenden mensen werden verzameld in afwachting van hun deportatie, is het ooggetuigeverslag beschikbaar van Klaartje de Zwarte, een vrouw van 32, naaister van beroep. Ze noteerde:

‘Steeds werden er meer transporten binnengebracht en ik vroeg me af wat er toch met al die mensen zou gebeuren. Van jonge mensen kon ik verklaren dat ze konden werken, maar wat ik binnen zag komen was afschrikwekkend.

‘Oude, kreupele, lamme en blinde mensen om en nabij in de leeftijd van negentig jaar. De één nog hulpbehoevender dan de ander. Waren dit tewerkgestelden? Zo heette het toch immers? Het smerige en misdadige lag er dik bovenop en de stemming had haar laagste punt bereikt. Oudjes zag ik huilen van angst voor datgene wat hun te wachten stond. Jonge mensen waren flink en deden alsof de hele beweging hen niet raakte.’

Het verslag van mevrouw De Zwarte is treffend door haar observatievermogen. Ze let op individuele mensen die in het gedrang komen, en dat maakt haar verslag zo indringend:

‘In de gang voor de deur van het ziekenzaaltje zat een oud moedertje te huilen. Ze had geen mantel aan en was op haar huispantoffels. De helden die haar hadden gehaald, gunden haar geen tijd om wat kleren mee te nemen. Ik kon dit beeld niet langer aanzien en liep weer het ziekenzaaltje binnen, waar het net zo tragisch toeging als daarbuiten.’

Dat we van de toestand in het doorgangskamp Westerbork zo veel details weten, is te danken aan Philip Mechanicus. Hij was voor de oorlog een gerenommeerd verslaggever van het Algemeen Handelsblad. Toen hij in Westerbork belandde, besloot hij door te gaan met zijn normale werk: verslag doen. Hij beschreef de gang van zaken in het kamp, dag aan dag. Bijna al zijn notities zijn bewaard gebleven. Het boek In Depot is daarmee het aangrijpende relaas geworden van ‘een drenkeling die zijn eigen schipbreuk verslaat’. Mechanicus besteedt vooral veel aandacht aan de trein, die elke dinsdagochtend vanuit het kamp vertrekt naar het oosten.

‘De transporten blijven walging wekken. Zij geschieden in werkelijkheid in beestenwagens, die bestemd zijn voor het vervoer van paarden. De gedeporteerden liggen ook niet meer op stro, maar tussen hun eetzakken en kleine bagage in op de blote vloer, nu óók de zieken, die vorige week nog een matras meekregen.

‘De trein: een lange schurftige slang, van oude, smerige wagens, die het kamp in tweeën scheidt. De bannelingen: schunnige landverhuizers, die niet anders bezitten dan wat zij aan hebben. Mannen, stil, strakke gezichten, vrouwen, vaak snikkend. Ouden van dagen: strompelend, vooruit vallend onder de last over de slechte weg, soms door modderpoelen.’

Mechanicus had in het kamp geregeld contact met Etty Hillesum, die eveneens aantekeningen maakte. Ze was medewerkster van de Joodse Raad en kon daardoor op het perron zijn om afscheid te nemen en mensen te troosten. Ze beschreef de kampcommandant Albert Gemmeker, die zich liet kennen als een gentleman, en zelden uit zijn rol viel:

‘Een stem achter me zegt: we hadden vroeger een commandant die trapte de mensen naar Polen, deze lacht ze naar Polen.’

Hillesum is gedeporteerd en niet teruggekomen, net als Mechanicus, net als Klaartje de Zwarte, net als die meer dan honderdduizend anderen. Veel Nederlanders zagen het gebeuren, slechts een enkeling stond er bij stil, vaak in verwarring. Zoals een Amsterdamse handelsreiziger die in juni 1943 een dagje uit wilde en ’s avonds in zijn dagboek noteerde.

‘Grote God, een nieuwe razzia. Oost is afgesloten, Zuid ook. Je kunt nu de stad niet meer in. Dus hoe kun je naar Centraal of Muiderpoort! Daar gaat onze mooie dag. Kom, niet de moed opgeven. Ik zie de lange gezichten al van mijn vrouw en jongen. Laten we naar het Amstelstation gaan. Zo gezegd, zo gedaan.

‘De trein komt om 7.45 uur aan. Hij is nog vol ook, hoewel hij niet heeft gestopt bij Muiderpoort. Heerlijk, wij zijn meteen op weg naar Tiel. Velen in de trein weten niet eens wat er zich in Amsterdam afspeelt. De laatste Joden worden opgehaald. Op een hoop gedreven en weggevoerd als vee. Uit huis en hof naar den vreemde. Eerst naar Vught en daarna door op transport naar Polen.

‘Och, wat moeten die mensen allemaal meemaken. Gescheiden van vrouw en kinderen. Laat het geen aangenaam volk zijn, maar het zijn toch mensen. Hoe kan de Goede God dat gedogen?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden