Column Peter Buwalda

Daar was ik al bang voor: de eigenaar van de voet leek op Fjodor Dostojevski

‘De hel, dat zijn de anderen’, schreef Sartre in Huis clos, dat weet iedere halvegare, maar zelfs de garen hebben zelden paraat wat erop volgt, namelijk: ‘met wie je in de trein zit, wanneer je een reisje probeert te maken.’

Hoewel scheel, zag Sartre dit scherp. Dat merkte ik gisteren, toen er naast me in het afgeladen treinstel een grote, witgesokte voet opdoemde. De deuren zaten potdicht, ook erg Sartriaans, maar erger: we reden al, de hel heeft namelijk wielen, lezer, noteer dat ergens.

Gelukkig was ik niet behept met Sartres linkeroog, dat bij hem permanent in de verre kruising verdween, filosofisch geschoolde voetballers kunnen dit nog wel volgen, lijkt me want anders had ik, of ik wilde of niet, een dik uur naar die gesokte voet moeten staren.

Nu zag ik hem ook, maar inwendig, wat misschien erger is. De voet rustte op een speciaal krukje, opgericht door degene in de stoel achter me. Het leek er een beetje op, vond ik zelf, dat ik rechts een hand had, zoals de meeste mensen, maar links een gesokte voet. Iedereen in de coupé keek ernaar, kort maar intens. De vrouw tegenover me drukte een glimlachje weg, maar op de andere gezichten lag moeizaam verholen weerzin. Wel waren ze opgelucht, kreeg ik het gevoel, dat ze niet mij waren, die er zo ongeveer met zijn neus boven hing.

De sok rook rustig, tot dusver. Hooguit muf.

Toch hoorde de voet er totaal niet. Volgens de Winkler Prins ‘een extremiteit, een aan de romp hangend deel van het lichaam dat door spieren kan worden bewogen, en dat uit verscheidene geledingen bestaat’. Als je het zo bekijkt, is een voet inderdaad iets om op te bergen in een schoen, uit het zicht, en laag bij de grond.

Omdat ik het warm had gekregen, stond ik op en trok mijn jas uit. Snel even kijken, natuurlijk. En ja hoor, de eigenaar van de voet leek op Fjodor Dostojevski. Daar was ik al bang voor geweest, natuurlijk, dat het om een oude, kalende alcoholist ging met een lange baard. Ik hou best van Dostojevski, maar niet van zijn hoofd en bijbehorend winkelkarretje. De gesokte extremiteit was ziek, wist ik plotseling zeker, er zaten waarschijnlijk vochtige zweren op waarom er anders mee de lucht in?

Moest ik er iets van zeggen? Nee, vrienden. Het zou een afgang worden, zeker wanneer de man zich op een horrelziekte zou beroepen, gangreen of zo, of lepra, waardoor ik de voet, die van geen wijken zou weten, nog vele malen dieper het bewustzijn in zou drijven van de anderen, die zoals gezegd de rijdende hel zijn. Nee, ik moest de voet uitzitten.

Ik plofte weer in mijn stoel lekker lezen. Ik was bezig in Mark Twain, The Adventures of Huckleberry Finn, goed boek, maar helaas vergeven van de landlopers zonder schoenen aan hun poten. Hoewel ik hele alinea’s wegtikte, dacht ik dwangmatig aan Dostojevski’s voet, die soms een zwaaiende beweging maakte, zag ik heus wel.

Ik kneep in mijn boek. Je hebt van die dwangneuroten die zichzelf van ieder gebouw zien springen, voor elke auto die langsscheert. Een intrusie, heet dat.

Mijn eigen intrusie loog er intussen niet om, ik zag mezelf in de voet knijpen, hard, de sok eraf trekken, en bijten, in Fjodors grote, zieke teen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden