Conservatief en revolutionair KARDINAAL ALFRINK WAS BRUGGENBOUWER TUSSEN TRADITIE EN VERNIEUWING

OM TE BEGRIJPEN welke revolutionaire veranderingen zich in de jaren zestig in de katholieke wereld voltrokken, hoefde je geen krant te kunnen lezen....

Zelfs als kind ondervond je de gevolgen van de ingrijpende veranderingen. De rozenkrans, die je iedere avond in de Mariamaand mei, biddend naast je stoel, door je vingers had laten glijden, kwam terecht in de speelgoedkist, evenals het vastentrommeltje waarin bijna zes weken lang, van Aswoensdag tot Pasen, het verboden snoepgoed wed verzameld. Op school verdween de pater, evenals de catechismus waarmee de geloofsleer er generatie op generatie puntsgewijs was ingestampt. Thuis kwamen er ineens protestanten op bezoek - vermaledijde protestanten, met wie altijd de spot was gedreven in kinderversjes, maar die nu als medechristenen voor een oecumenische gespreksgroep werden uitgenodigd.

Achteraf gezien is duidelijk dat deze spectaculaire veranderingen de opmaat vormden tot een breuk met een eeuwenoude traditie en het begin van een vergaande ontkerkelijking. Maar dat was niet wat de enthousiaste voorstanders van deze veranderingen voor ogen stond. Zij wilden geen afbraak, maar een vernieuwing van het geloof en een aanpassing van de kerk aan de moderne tijd. De kerk moest weer een levende geloofsgemeenschap worden, waarin de mens boven het instituut werd gesteld, liefde boven regels, waarachtigheid boven autoriteit.

Zoals elke moderne massabeweging kenden ook de katholieke hervormers hun helden en iconen, te beginnen met de hoogbejaarde paus Johannes XXIII, die na zijn verrassende uitverkiezing in 1958 de vensters naar de wereld openzette en de bisschoppen naar Rome haalde om zich als Concilie te beraden over plaats en taak van de kerk. 'De kleine, ronde patriarch met zijn gemoedelijke humor en zijn afkeer voor eerbewijzen' - de typering is van de Volkskrant, toen nog katholiek in hart en nieren - werd bij zijn dood, vijf jaar later, tot ver buiten de eigen kring geëerd als een toonbeeld van heilige eenvoud en mildheid .

In Nederland kreeg de bewondering voor Johannes XXIII een pendant in de snel groeiende populariteit van monseigneur Bekkers, bisschop van Den Bosch. Herkende men in Johannes vooral de eerlijke dorpspastoor, in de jonge en joviale Bekkers zag men de boerenzoon die de taal van gewone mensen verstond. Deze reputatie dankte de bisschop in niet geringe mate aan zijn informele optreden voor de televisie, het medium dat juist in deze jaren de Nederlandse huiskamer veroverde.

Vertrouwend op zijn intuïtie en steunend op zijn jarenlange ervaring in katholieke organisaties bleek Bekkers in staat de worsteling van 'de eenvoudige gelovige' met de problemen die de moderne wereld met zich meebracht, op een aansprekende manier aan de orde te stellen. Velen beschouwden hem als de grote inspirator van de katholieke vernieuwing in Nederland, een indruk die door zijn overlijden op betrekkelijk jonge leeftijd in mei l966 - algemeen gevoeld als een nationaal verlies - nog eens leek te worden versterkt.

Terwijl het beeld van Bekkers na zijn dood bijna mythische proporties aannam, diende zich tegen het einde van de jaren zestig geleidelijk een nieuw symbool van de katholieke vernieuwing aan: kardinaal Alfrink, aartsbisschop van Utrecht. De overgang lijkt vrij natuurlijk, maar is toch minder vanzelfsprekend wanneer men zich realiseert hoe groot de verschillen waren tussen de twee bisschoppen.

Alfrink was uit totaal ander hout gesneden en miste vrijwel alle eigenschappen die zijn collega uit Den Bosch zo populair hadden gemaakt. Van nature was hij een gesloten en behoedzaam formulerend man, ongemakkelijk in de omgang, stijf in een 'eikenhouten pose'. Als professor en als bisschop trad hij dikwijls autoritair op en gold hij als uitgesproken koel en saai - al vreesden sommigen zijn scherpzinnigheid en zijn soms bijtende humor.

Toch waren de verschillen meer dan een kwestie van karakter en omgangsvormen. In tegenstelling tot de joyeuze en sociaal voelende Bekkers, aan wie de rol van hervormer als van nature toeviel, kostte het de aartsbisschop vaak moeite de consequenties van de vernieuwing werkelijk onder ogen te zien, zoals de kerkhistoricus Ton van Schaik toont in zijn boeiende studie Alfrink - Een biografie, die vorige week, precies tien jaar na de dood van de kardinaal, verscheen.

Alfrink, concludeert Van Schaik, wist van zichzelf heel goed dat hij een conservatief man was. Hij had er geen behoefte aan zich progressiever voor te doen dan hij was, en hield er niet van grenzen te verleggen, niet in zijn beleid en niet in zijn geloofsverkondiging. Persoonlijk gaf hij de voorkeur aan de traditionele Latijnse mis en tot zijn dood zou hij zich houden aan de traditionele gebeden en gebedstijden, inclusief de dagelijke rozenkrans.

Alfrink was dus in zijn hart voor het oude, maar zou uiteindelijk vooral geprezen worden als vernieuwer - en verguisd, want in de ogen van de curie, het machtige Vaticaanse bestuursapparaat, was hij in hoge mate schuldig aan de 'ontsporing' van het Nederlandse katholicisme. 'Dat mij dat allemaal moest overkomen, terwijl ik van huis uit conservatief ben', verzuchtte hij eens tegenover zijn adviseur Schillebeeckx, die zich als theoloog had ontpopt als een van de belangrijkste architecten van de vernieuwing.

De spanning tussen de figuur Alfrink als de bedachtzame bijbelgeleerde die, vijftig jaar oud, in 1951 tot ieders verbazing tot hulpbisschop in Utrecht werd benoemd, en Alfrink die zich opwierp als de onbetwiste leider van het episcopaat en als een bruggenbouwer in een verscheurde kerkprovincie, verschaft Van Schaiks biografie niet alleen structuur, maar ook diepgang en vaart.

Dat laatste was nodig, want Alfrinks levensgeschiedenis omspant een periode van 86 jaar en raakt bovendien aan een grote verscheidenheid van onderwerpen. De thema's en ontwikkelingen die aan bod komen, lopen uiteen van de priesteropleiding aan vooroorlogse seminaries en de personele wijzigingen binnen het bisschoppelijk paleis tot aan de ontwikkeling van de katholieke vredesbeweging en de totale ontwrichting van de relatie met Rome in de jaren zeventig. De keur van onderwerpen die Van Schaik aansnijdt, maakt dit boek tot een onmisbaar werk voor ieder die geïnteresseerd is in de geschiedenis van de katholieke cultuur en de kerkelijke organisatie in Nederland.

De vraag wat Alfrink heeft bewogen - of in staat heeft gesteld - om zo ver met de radicale vernieuwers mee te gaan, wordt ook door Van Schaik niet ondubbelzinnig beantwoord. Opvallend is wel dat hij een voor de hand liggende verklaring ongenoemd laat: de mogelijkheid dat Alfrink en de andere bisschoppen, zoals wel is gesuggereerd, eenvoudigweg gezwicht zijn voor de aanhoudende roep om verandering.

Hoewel Van Schaik bij zijn zoektocht naar Alfrinks drijfveren niet tot een duidelijke conclusie komt, biedt de biografie verschillende aanknopingspunten - ook in een richting die ingaat tegen de voorstelling van Alfrink als behoudend katholiek.

Zowel in zijn wetenschappelijke werk als in zijn bestuurlijk optreden gaf hij blijk van opvattingen die moeilijk als 'conservatief' kunnen worden aangemerkt. Zo verzette hij zich al vroeg tegen het opleggen van plichten en leerstellingen door de kerk op terreinen waar dat niet echt nodig was, zoals de evolutietheorie. Veel theologen dachten daar in de jaren dertig en veertig nog heel anders over en men zou hierin de contouren kunnen ontwaren van zijn latere pleidooi voor een pluriforme kerk.

Ronduit revolutionair waren de plannen die Alfrink inbracht bij de voorbereidingen voor het Vaticaans Concilie. Daarin brak hij niet alleen een lans voor een grotere verscheidenheid in de wereldkerk, maar ook voor een waarlijk collegiaal bestuur van paus en bisschoppen en een inperking van de macht van het ambtelijk apparaat in Rome. Alfrink beriep zich hierbij - zoals alle revolutionairen vóór hem - op historische rechten die in de loop van de tijd onder het stof waren verdwenen.

De notie van collegiaal bestuur hield overigens ook kritiek in op de gangbare opvattingen over 'onfeilbaarheid'. Niet de persoon van de paus, maar de geloofsgemeenschap vormde de bron van onfeilbaarheid, zo betoogden Alfrink en zijn theologische adviseurs. Het waren precies deze opvattingen die de conservatieven in het Vaticaan en daarbuiten als een ernstige bedreiging ervoeren. Dat Alfrink ze onverschrokken naar voren durfde te brengen - bang was eigenlijk hij nooit - maakte hem bij voorbaat verdacht.

Alfrink mocht zichzelf dan beschouwen als een conservatief - en in zijn hang naar de traditie was hij dat ook - maar zijn ideeën over de kerk als instituut waren dat bepaald niet. En niets in deze biografie wijst erop dat hij aan de historische juistheid van zijn inzichten heeft getwijfeld.

Niettemin lijkt Van Schaik de nadruk uiteindelijk ergens anders te willen leggen. Op de laatste bladzijden van het boek wordt althans in wollige bewoordingen de loftrompet gestoken van de liefde voor de kerk als kern van Alfrinks spiritualiteit. Deze liefde, aldus Van Schaik, vormde zijn inspiratiebron en verplichtte hem als het ware door te gaan met zijn werk als bemiddelaar. Het is de vraag of deze liefde inderdaad als zijn belangrijkste drijfveer mag worden aangemerkt; vaststaat wel dat Alfrink zich door Rome miskend en onbegrepen heeft gevoeld.

Frank van Vree

Ton H.M. van Schaik: Alfrink - Een biografie.

Anthos; 574 pagina's; ¿ 69,50.

ISBN 90 414 0117 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden