Interview Carolien Spaans

Carolien Spaans verloor haar man bij een ski-ongeluk. ‘Als ik er echt bij stil ga staan, ga ik helemaal kapot’

Carolien Spaans en haar zoontje Lucas (2). Beeld Robin De Puy

Haar zoontje was nog maar een baby toen haar man in een gletsjerspleet verdween. En dat – schier onmogelijk – het leven voor Carolien Spaans toch door is gegaan. 

‘Ik ben niet zielig’, zegt Carolien Spaans (40). ‘Ik heb Lukie, ik heb een fijn huis, het gaat goed met mijn werk en ik ben er best trots op hoe ik het red in mijn eentje. Daarom heb ik interviews met de meeste vrouwenbladen afgehouden; dan wordt het zo’n kommer- en kwelverhaal en dat wil ik niet.’

De ingrediënten voor een kommer- en kwelverhaal zijn er. Een jonge vrouw, zes jaar samen met haar grote liefde − een knappe, sportieve man  een zoontje van zeven maanden. De man gaat een weekend skiën met twee kantoorgenoten. De vrouw is met zoontje Lucas bij haar ouders als daar de telefoon gaat.

‘Ik neem ’m wel’, zeg ik en loop naar binnen. Het is mijn schoonzus. ‘Hé’, zeg ik verbaasd. Ze belt nooit naar dit nummer. ‘Hoi.’ Haar stem klinkt raar en ze zegt niks meer. Dan weet ik het al. Uiteindelijk zegt ze het toch nog: ‘Lieverd, Jean heeft een ongeluk gehad. Hij is in een gletsjer gevallen. En het spijt me zo, maar hij heeft het niet overleefd.’

Nu, iets meer dan twee jaar later, is er het boek Doet sneeuw pijn  bovenstaand fragment staat op pagina 90. Een boek over de dood van Jean, ze heeft getwijfeld of ze het wel moest doen, zegt Spaans, die freelancejournalist is, een column heeft in Jan en interviews maakt voor de Varagids. Voor dit magazine verzorgt ze samen met Eva Hoeke de rubriek Eindelijk weekend. ‘Ik vond het nooit zo smaakvol, ik wil niet de verdenking op me laden dat ik Jean in de uitverkoop doe. Maar schrijven is wat ik doe, ik kon niet anders. En het was heerlijk, ik heb het er in vier maanden uit geknald. Toen Jean nog leefde heb ik een keer een paar maanden vrij genomen om die grote roman te schrijven. Je weet wel, net als 1 miljoen andere Nederlanders. Die ligt boven in mijn schaamla  o, sorry, dat klinkt heel goor. Dat is echt een draak geworden. Het lukte niet, omdat ik alles moest verzinnen. Dit boek schreef zichzelf.’

Hoegaathethoegaathethoegaathet. Ik snap de vraag, zou hem zelf ook stellen, maar laat me met rust. Kut mensen. Het gaat kut. (Uit: Doet sneeuw pijn, pag. 106).

Carolien Spaans: ‘Je hele meesterplan mietert in elkaar, Jeans dood was op alle fronten adembenemend. De eerste maanden heb ik met open mond rondgelopen, me afvragend: is dit echt gebeurd? En tussendoor keihard huilen, altijd ’s avonds als Lukie sliep. Als je partner overlijdt na een ziekte is dat niet minder erg, maar je kunt je er misschien een béétje mentaal op voorbereiden. Dit was een beuk in mijn gezicht, ik was kapot van binnen. Maar ik had niet veel ruimte om daarbij stil te staan, want ik had een baby en die moest eten en slapen en spelen. Dus ik heb vrij snel de boel weer opgepakt. Ook mijn werk, want dan was ik het huis uit, waar Jean zo vreselijk níet was. Daardoor kon ik na een paar maanden zeggen dat het wel weer goed met me ging. Dat was ook waar, op praktisch gebied: financieel lukt het om in ons huis te blijven wonen, ik heb veel werk, het lukt me om in mijn eentje een kind op te voeden, het gaat supergoed met Lukie. Het loopt allemaal, en als je steeds een heel drukke dag hebt, met drie miljoen dingen te regelen, van een verstopte dakgoot tot de kwartaaladministratie, heb je niet zoveel tijd om ergens bij stil te staan. En zo is het nog steeds, eigenlijk. Want als ik er echt bij stil ga staan, ga ik helemaal kapot.’

Ze slikt tranen weg. ‘Gisteren keek ik voetbal bij een vriendin met haar man en twee kindjes. Ik ben nooit jaloers op andermans complete gezin, maar dan denk ik wel: fuck, zij horen bij elkaar. Ik had ook graag een tweede kind gewild, ik had ook met Jean op de bank stomme grapjes over het Kroatische elftal willen maken. Ik heb aanvaard dat hij dood is, maar ik mis hem zo, ik mis ons leven samen. Ik kan niet te veel aan hem denken, omdat het retepijn doet. De foto van Jean op de schoorsteen, daar kijk ik zo’n beetje langsheen. En filmpjes van hem bekijken, kan ik ook nog niet. Ik denk niet veel terug aan de goede dingen en ik denk niet aan zijn dood. Hoe hij zich heeft gevoeld toen hij viel, wat hij heeft gedacht op de bodem van die gletsjerspleet, daar kan ik over vijftig jaar nog steeds niet aan denken. Dat zijn de verschrikkelijkste vragen die je je kunt stellen. Het is een soort gedoseerd verdringen, ja. Het is niet zo dat ik het heel krampachtig wegstop, ik ga ’s avonds heus wel huilen als ik me slecht voel, maar ik wil niet dat het verdriet me opvreet. Dat gebeurt ook niet.’

Behalve mij redden, heeft Jord (kantoorgenoot van Jean, red.) ook nog een eigen missie. Op de uitvaart was hij een van de sprekers, niet om te vertellen hoe leuk of bijzonder zijn vriend was, maar om te zeggen, haast te roepen dat Jeans dood geen gevolg was van een domme actie. Dat Jean niet bewust het gevaar had opgezocht, met zijn leven had gespeeld. Het was niet zijn eigen schuld zoals inmiddels op allerlei internetfora te lezen is. (pag. 107)

‘Als ik moest kiezen: liever een ongeluk dan een vreselijk ziekbed van twee jaar. Ik ben blij voor Jean dat hij niet ziek was. Een paar minuten voor het ongeluk hebben ze nog een selfie gemaakt met zijn drieën. Helemaal blij, strakblauwe lucht, mooie sneeuw, Jean staat er zielsgelukkig op. Als hij een levensgevaarlijke helling was afgegaan, was ik razend geweest, maar dat heeft hij niet gedaan. Als er iemand van het leven hield, was het Jean wel, hij zou nooit bewust grote risico’s nemen. Hij is offpiste gegaan, ja, maar op een vlak stukje waar iedereen dat doet. Naar hem toe heb ik dus geen woede gevoeld. Wel naar de Zwitsers, die vinden dat met twee roestige paaltjes en een dun lintje dat stuk genoeg was afgeschermd. Een week later is op precies diezelfde plek weer een dode gevallen en twee anderen zijn zwaargewond geraakt. Dat moet toch een hint zijn om beter je best te doen zulke ongelukken te voorkomen? Nee hoor, eigen schuld, werd er glashard gezegd. Ook op internetfora. Op een avond heb ik me in zo’n discussie gemengd; iemand had het over ‘natuurlijke selectie als oplossing voor dit soort idioten’, een ander schreef dat Jean onterecht een leuke vader en goede vriend werd genoemd, omdat hij iemand was ‘die zich dom genoeg onsterfelijk achtte’. Daar heb ik op gereageerd. En niet aardig. Daarna is het topic gesloten. Ik wilde niet dat mijn zoon later allerlei dingen leest die gewoon niet waar zijn en denkt dat zijn vader een waaghals is geweest.’

Natuurlijk kan ik lachen. Mijn zoontje is opeens een voorbeeldige baby geworden die nu nog maar twee keer per nacht wakker wordt en verder alleen maar vrolijk is. ‘Dat hoor je vaker, hè, bij kinderen die iets ergs meemaken, alsof ze het voelen’, zeggen sommige mensen. Maar ik denk: niks ervan, hij lijkt op zijn vader. (pag. 109)

‘Wat echt troost biedt, is een kind hebben. Serieus, alle clichés zijn waar. Ik hou zo veel van hem, hij is echt mijn lievelingspersoon op aarde. Ik wilde nooit kinderen, ik had geen moedergevoelens en ik vond het maar vies, dat geprak met bananen in zo’n mondje. Tot een vriendin, die er ook altijd zo over dacht, vertelde dat ze met de pil was gestopt. En ik voelde een steek van jaloezie. In de auto naar huis was ik danig in de war. Een paar dagen later zetten Jean en ik ons nichtje van twee onder de douche en toen ik hem zag kijken naar dat gladde wurmpje, ging ik kapot van liefde. Ik dacht: jij wil dit gewoon. In een paar seconden hebben we die avond semi-non-verbaal besloten dat we een kind gingen krijgen. We gingen toch al trouwen, en snel daarna was het bingo. Nu wilde ik dat ik eerder had geweten hoe leuk het is, dan had ik nu een elftal gehad.

‘Ik wil gewoon zorgen dat we lol hebben samen. Natuurlijk is het zwaar als je in je eentje ’s nachts op de eerste hulp staat met een kind dat kookt van de koorts  het bleek een dubbele oorontsteking  maar over het algemeen gaat het goed. Ik ben best een leuke moeder, sprak ze voorzichtig. Wacht, hier komt het gedeelte dat ik een filmpje laat zien  vond ik vroeger verschrikkelijk als ouders dat deden. Kijk, dit is Lukie om half tien ’s avonds, zingend in bed, en zo gaat ie nog een half uur door. Dat is toch fantastisch? Naast zijn natje en zijn droogje vind ik het vooral belangrijk dat we plezier hebben in huis. Hij mag in de zomer elke dag een ijsje, want ik eet ook elke dag een ijsje. Ik hield altijd van koken, maar nu bestaat mijn dieet voor 80 procent uit suiker en af en toe een paprika. En een pakje Marlboro per dag, maar daar ga ik binnenkort mee stoppen. En voor Lukie kook ik wel gezond, hoor.

‘Hij is bijna drie. Hij weet niet beter dan dat wij met z’n tweeën zijn, maar hij begint nu langzaam te snappen dat er ook een constructie is waarbij er een papa in huis woont. Als we bij het gezin van de overbuurman zijn of bij Steef, de beste vriend van Jean, dan trekt hij heel erg naar hen toe. Als ik dat zie, breekt mijn hart. Maar ik ga ervan uit dat ik niet de rest van mijn leven alleen blijf, dus ik heb bij het universum een gescheiden vader met niet al te oude kinderen besteld.’

De grootste verandering is meteen de vreemdste. Het gaat goed met mij. Ja, ik rouw me een ongeluk, ik werk weer maar kan me slecht concentreren en mascara opdoen heeft weinig zin met al dat gejank. Maar vanbinnen gaat het goed. Geen paniek, geen angsten meer, juist nu niet. En ik ben verbijsterd. (pag. 127)

‘Ik ben niet de meest optimistische persoon op aarde, heb altijd een neiging tot somberheid gehad. Voor Jeans dood was ik bang om alleen te zijn of om te stikken, ik had paniekaanvallen en een tijdje een burn-out. Nooit meer last van gehad. Alsof ik het me niet meer kan permitteren nu ik het alleen moet doen met een kind. Maar het kunnen ook de antidepressiva zijn waarmee ik voor Jeans ongeluk al was begonnen tegen die paniekstoornis. Ik was ook al voorzichtiger gaan leven: niet drinken, weinig feestjes, op tijd naar bed. Jean is daar fantastisch mee omgegaan voor iemand die zelf de somberte nooit ook maar heeft aangeraakt. Een levensgenieter, dat vind ik een stom woord, maar hij verstond de kunst om het meeste uit elke dag te halen. Nieuwe mensen ontmoeten, tripjes maken, hij vond het allemaal even leuk. Niet dat hij oppervlakkig was, maar dat tobben van mij, en het tobben óver het tobben, wat weer een heel aparte tak van sport is, dat had hij helemaal niet. En toch accepteerde hij het van mij. Als het slecht met me ging en ik hem belde, kwam hij meteen naar huis. Dan aaide hij me over mijn hoofd en zei dat alles goed kwam. Hij moet het af en toe wel lastig met mij hebben gehad. Het was zo’n drukke fase, de jaren voor zijn dood, met veel werk en toen ook nog een baby, dan vallen de dingen waaraan je je ergert bij de ander meer op dan de redenen waarom je voor elkaar hebt gekozen, zo gaat dat nu eenmaal vaak. Als hij veel later thuis was dan we hadden afgesproken en ik hier de hele dag met de baby in de weer was geweest, kon ik helemaal uit mijn panty gaan. Na zijn dood dacht ik: jezus, wat was jij een goeie gast, je hebt er van mij veel te weinig credits voor gekregen.’ Ze staat op, pakt een doos tissues. ‘Het is wat het is. Ik ga er maar van uit dat hij het weet.

‘Maar goed, het had hier dus makkelijk de soep in kunnen draaien doordat Jean er niet meer is. Het tegenovergestelde is gebeurd. Ik heb een zekere lichtheid in mezelf teruggevonden, of onvermoede krachten in mezelf aangeboord, ik weet het niet, maar ik heb vrij snel het zelfvertrouwen gekregen dat ik het alleen kan rooien. Vrouwen mogen dat niet snel van zichzelf zeggen, maar daar ben ik trots op.’

Carolien Spaans. Beeld Robin De Puy

Daar staan ze te wachten, mijn schoonouders, kleiner dan voor het ongeluk, ze zwaaien. We zoenen, omhelzen, mijn schoonvader vertelt dat het al weken schitterend weer is, maar in zijn ogen regent het. We rijden langs de boulevard van Nice en praten over alles behalve Jean.  (pag. 136)

‘Ik vond het in het begin heel raar om met mijn schoonouders niet over Jean te praten. Hij is de schakel die ons verbindt. Nu snap ik dat het voor hen te erg is om het erover te hebben. Er zit zoveel verdriet bij hen, er valt gewoon niet over te praten als je kind is overleden. Zijn naam valt wel af en toe, maar ik weet niet echt hoe het met ze gaat. Ik vermoed dat je dit als ouder bij je draagt tot je zelf doodgaat. Een deel van jou gaat ook dood.

‘Zelf hoef ik ook niet voortdurend over Jean te praten. Ik vind het fijn als anderen het doen, als een vriend zegt: dat deed Jean ook altijd of: daar ben ik met naar Jean naartoe geweest. Het is gewoon fijn dat hij niet vergeten wordt. Maar vaak blijft het daarbij, dan houden we het kort en ga ik over tot de orde van de dag. Ik kan overdag wel eens helemaal niet aan hem denken. Alleen ’s avonds, dan denk ik altijd aan hem.’

Nu heb ik heel andere motieven om naar een medium te gaan. Ik wil, nee, móét geloven dat er meer is na de dood. Want als het ophoudt, als alles stopt te bestaan, betekent het dat Jean nergens is. Weg. En die gedachte is niet te verteren. (pag. 123)

‘Het is natuurlijk een beetje een circus, entertainment. Ik was al eens bij een medium geweest om te vragen waar de grote liefde bleef, meestal krijg je goed nieuws te horen. Na Jeans dood ben ik ook bij zo’n vrouw geweest. Het klinkt heel stom, maar ik wilde even met hem kletsen, weten hoe met hem ging, en ik had wat vragen over de voogdij. Aan dat bezoek heb ik het boek te danken, want het medium zei dat Jean graag wilde dat ik het schreef. Ze zei ook dat het goed met hem ging, hij is op een goede plek  zulke dingen zeggen ze altijd. Ik vroeg: wat is hij aan het doen? Hij vangt kindjes op die net zijn overleden, zei ze, en daar voetbalt hij mee. Ook al verzint ze het ter plekke, ik vind dat fantastisch om te horen. Ik klamp me er verder niet aan vast, maar ik knap er wel even van op. Er waren ook hele stukken die nergens op sloegen, hoor. Over de voogdij van Lukie zei ze: Jean wil dat jij doet wat goed voelt. Ja, dat kan ik zelf ook wel bedenken. Even concreet vriend, vind je het een goed idee als ik Lukie naar de overburen doe?

‘Later ben ik nog bij een therapeut geweest, die zei: misschien heb je onderbewust geweten wat er met Jean zou gebeuren, kwamen daar je paniekaanvallen vandaan. Nu zijn die niet meer nodig. Dat gaat erin als tomatensoep op een koude winterdag, dan vallen er even dingen op zijn plek. Maar niet lang, hoor. Ik ben eigenlijk helemaal niet zweverig, ik voel Jean ook niet in mijn nabijheid ofzo. Dat vind ik jammer, want ik sta er best voor open. Dan denk ik: ik ben hier in huis, kom maar langs, knipper met de lampen, verzin iets leuks. Maar niks, nooit. Hij is echt weg. Ik begin er langzaam aan te wennen.’

Ik mis het. Dat you and me against the world-gevoel. Iemand die zegt dat hij me mooi vindt, of lief, of desnoods een ‘Wil je die aangevroten Uggs álsjeblieft weggooien, er zijn grenzen aan hoe sexy ik je vind’, ook goed. Liefde. In hoofdletters. Vriendinnen vinden het een goed plan. Carolien die weer gaat daten. (pag. 171)

‘Ik ben 40 en niet van plan om de rest van mijn leven alleen te blijven, dus ik moet wel daten. Het is verschrikkelijk. Verliefd zijn vind ik het allerleukste wat er is, dat is de kers op de appelmoes tenslotte. Maar daten met Happn en Tinder en Innercircle en dat soort dingen, man, wat een gedoe. Je ziet een foto, denkt: die is leuk, en dan hoor je niks. Of je hoort wel wat en dat is stom. ‘Hoi Carolien, hoe was jouw dag?’ Dat vínd ik van een creativiteit, daar ga ik van huilen. Ze doen ook allemaal aan kitesurfen en ze gaan naar festivals en ze zijn ‘optimistisch’ en staan op enge besneeuwde bergtoppen. Alsof ik daar nog zin in heb, skiërs. Ik ben net zo erg, want ik kreeg een enorm leuk Facebookbericht van een man, maar die heeft geen bovenlip. En dan houdt het op. Terwijl: als ik hem in het café was tegengekomen, had het misschien niets uitgemaakt dat hij geen bovenlip heeft.

‘Andersom merk ik dat ik ook al in een moeilijke leeftijdscategorie val. Ik ga morgen eten met ene Gert, die is al 50. Ik heb al geappt: ‘beste Gert, jij zit toch helemaal niet te wachten op een moeder van een peuter?’ We gaan het zien, je weet het snel genoeg. Ik heb een week geappt met iemand, we waren briljant, we hebben samen de grappigste conversatie ooit geschreven. Ik was al helemaal verliefd op die man. Hij kwam het restaurant binnen, hij zag me, en zijn gezicht betrok meteen. Na drie kwartier bleek hij, al dan niet echt waar, een afspraak vergeten. Weg was hij. Goed, moedig voorwaarts, morgen eten dus met Gert.

‘Jean vindt het niet erg dat ik weer ga daten. Mijn leven staat nu meer in het teken van een nieuwe partner dan van hem, want hij is dood en hij komt nooit meer terug. Maar het boek is voor hem. Ik denk dat hij er blij mee is. Dat het recht doet aan ons, ofzo. In al onze hoogte- en dieptepunten.’

Doet sneeuw pijn is uitgegeven bij uitgeverij Lebowski.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.