Interview Gerard Cox

Cabaretier, acteur en liedjeszanger Gerard Cox: ‘In mijn ziel heerst een diepe rust’

‘Het is toch heerlijk dat de mensen nog aan me denken, dat ze nog weten wie ik ben?’ Beeld Malou van Breevoort

Cabaretier, acteur en liedjeszanger Gerard Cox (79) is geen boze, rechtse man met een hang naar vroeger, zeggen mensen die hem goed kennen. Hij heeft juist een brede belangstelling en leest de Volkskrant. Dus moet het hem lukken met een goed humeur dit interview door te komen, toch?

Dit had een interview moeten worden waarin Gerard Cox weinig zou mopperen. Cox is helemaal niet de verongelijkte bijna-80'er die vindt dat vroeger alles beter was, zeiden vrienden en bekenden. Zijn theaterproducent, Bastiaan Ragas: ‘Hij wordt in de boze witte mannenhoek geduwd, maar Gerard is links en leest de Volkskrant. Hij is een breed geïnteresseerde intellectueel.’

En dan was het uitgangspunt voor zijn solovoorstelling De Grote Grijze Belofte, waarmee hij vanaf deze maand in de theaters staat, ook nog een brief die Cox in 2006 van zijn goede vriend Robert Long had gekregen, een brief waaraan Cox zoveel waarde hecht dat hij hem thuis in de Hoeksche Waard ingelijst op de wc heeft gehangen. Daarin schreef Long het volgende:

‘Geertje Peertje, zo af en toe maak ik me zorgen om jou. Ik meen je te zien veranderen. Soms lijkt het alsof je bozer bent geworden. Sneller geïrriteerd en minder geïnteresseerd in zaken waar je je vroeger druk over maakte. Ik zou het werkelijk treurig vinden als mijn geestige, creatief kankerende en veelwetende vriend zou veranderen in een ongeïnteresseerde knorrige zuipschuit.’

Cox (79): ‘Ik had weer eens tegen iemand gezegd dat ik er helemaal genoeg van had, van Toen was geluk heel gewoon, waarin ik destijds speelde. Ik had zo’n bui waarin ik dacht: ik schei ermee uit. Dat was Long ter ore gekomen. Waarom zou je stoppen, schreef hij? Is het niet zo, schreef hij, dat je het gevaar loopt dat je in plaats van om vijf uur ’s middags om tien uur ’s ochtends al een oude klare neemt? Het was schertsend, maar wel echt bezorgd. En heel erg lief.’

Hoe reageerde u op de brief?

‘Ik heb hem gebeld en gezegd: ‘Joh, niks aan de hand, ik stop helemaal niet.’ Maar ik had hem natuurlijk een mooie brief terug moeten schrijven. Twee maanden later ging Robert dood aan kanker en dacht ik: ik heb die brief toch nog wel, ik ben toch niet zo stom geweest om ’m weg te gooien? Ik herlas hem en zag hoeveel hart erin zat, hoeveel belangstelling, vriendschap, je zou bijna kunnen zeggen: liefde. Ik heb die brief op de plee gehangen om mezelf elke dag te straffen. Wat ben ik daar slordig mee omgegaan.’

Klopt het wat Long schrijft, dat u bozer bent geworden?

‘Ik ben niet zo veranderd, denk ik. In mijn ziel heerst een diepe rust. Ik ben blij met wat ik allemaal heb mogen doen. Dat ik nu weer een solo mag maken, wat een fantastisch iets is dat. Ik heb ontzettend veel geluk gehad.’

Als ik oude interviews met u lees, lees ik vooral veel gemopper en gezeur. Hoe komt dat dan?

‘Kankeren is leuk. In het theater al helemaal, mensen vinden het grappig. Misschien dat dat bij mij ook wel een beetje meespeelt. Misschien is het mijn toon. Misschien gebeurt het straks ook weer, als ik dit interview teruglees, dat ik denk: wat ben ik weer tekeer gegaan.’

Het interview vindt plaats na een eerste decorbespreking in een café – de voorstelling is nog niet af en het script mag dus ook niet worden ingezien, want er kan nog van alles veranderen. Maar het decor, dat wordt in ieder geval een decor waarin Cox zich niet thuisvoelt. In de maquette hangen een kartonnen stoeltje en tafeltje aan elastiekjes naar beneden. De wereld om hem heen biedt geen houvast meer, is het idee. Producent Bastiaan Ragas neemt het woord. ‘Het stuk gaat er natuurlijk over dat alles verandert, en dat jij denkt: is iedereen gek geworden behalve ik? Waarom is een stoel niet gewoon een stoel?’

Cox: ‘En die witte vloer, is dat niet ook verschrikkelijk?’

Ragas: ‘Ja, vreselijk! Maar daarom. Dat is juist de bedoeling. Dat je je niet thuisvoelt.’

Cox: ‘Dat ik denk: kutdecor.’

Het was Ragas die hem zeven jaar geleden aanspoorde weer het theater in te gaan, zegt Cox. ‘Hij wilde langskomen. Ik zei: ‘Dat hoef je niet te doen, ik heb er toch geen zin meer in.’ Ik had zestien jaar lang Toen was geluk heel gewoon gemaakt op televisie, 229 afleveringen. Vanaf 1988 had ik niet meer op het toneel gestaan. Bastiaan had een idee, en dat was Alles went behalve een vent, een toneelstuk, samen met Joke Bruijs, mijn ex zoals je weet. We speelden samen in Toen was geluk, en de mensen, dat blijkt, willen ons graag samen zien. Alles went  werd een krankzinnig succes, en de opvolger, De Oasebar, was ook een gekkenhuis. En toen zei Bastiaan: ‘Jij moet nog één keer een soloshow doen.’ Ik vond dat hij gelijk had. Toen ik begon als cabaretier, in de jaren zestig, mocht je van alles niet zeggen. Dat deden wij met Lurelei (linkse cabaretgroep waar Cox deel van uitmaakte, red.) natuurlijk wel. Ik zong in 1966 een lied over Juliana, en toen werd proces verbaal opgemaakt vanwege belediging van de koningin. Nu mag je ook weer van alles niet zeggen. En ik vind het leuk om die dingen dan juist wél te zeggen. Ik wil de zaal een beetje pesten.’

Ragas zei: ‘Elke artiest is doodsbang dat het publiek hem niet meer wil.’ U ook?

‘Twijfel heb je altijd. Wim Kan zei: ‘Als je leeft voor je programma, dan heb je geen leven. Maar als je niet leeft voor je programma heb je geen programma.’ Ik ben er al twee jaar constant mee bezig. Ik word er ’s nachts wakker van. Hoort er allemaal bij.’

U had ook kunnen denken: ik ben bijna 80, ik heb helemaal geen zin om wakker te liggen van mijn programma.

‘Het is toch heerlijk dat de mensen nog aan me denken, dat ze nog weten wie ik ben? Boven een bepaalde leeftijd dan, want de jeugd kent mij niet meer.’

Zou u wel willen dat er ook jonge mensen naar uw voorstelling komen?

‘Kan me níéts schelen.’

Maar heeft u ook jonge mensen iets te vertellen, denkt u?

‘Ik weet het niet. In Toen was geluk speelde ik met acteurs die jonger waren, van zo ongeveer een generatie na mij. Mijn ervaring met jonge mensen is: ze weten niet zoveel, maar ze weten wel alles beter.’

Uw voorstelling gaat over een man die verdwaald is in deze tijd.

‘Ja, dat ben ik. Omdat ik geweigerd heb, en nog steeds weiger, om me aan het digitale proces over te geven. Ik heb gewoon gezegd: ik wil er niks mee te maken hebben. Ik heb geen gsm. Ik heb geen computer, ik heb geen linke din, niks.’

U kreeg een iPad van Ragas, maar die gebruikte u als borrelplankje, om plakjes worst op te serveren.

‘Ik heb die iPad aan m’n dochter gegeven en die was er zielsblij mee. Elke maandag ga ik lunchen met een paar oude vrienden. Als we het dan hebben voor welk team Rik van Looy fietste in de jaren vijftig, dan gaan ze van tik-tak-tor op hun schermpje en dan weten ze het! Dat is ontegenzeggelijk handig. Maar aan de andere kant: het maakt zo onrústig.’

‘Ik wil de zaal een beetje pesten.’ Beeld Malou van Breevoort

Verdwaald zijn in deze tijd, gaat dat alleen maar over technologie?

‘Daar komt het meestal op neer. Als ik de Volkskrant lees, wat ik elke dag doe, zie ik vaak woorden staan waarvan ik helemaal niet weet wat ze betekenen. Bingewatchen. Benchmark.’

En dan denkt u niet: ik ben benieuwd, ik ga dat eens opzoeken?

‘Nee. Moet ik weer naar boven lopen, de Van Dale openslaan. Een juffrouw bij de televisie zei een keer meewarig tegen mij: ‘Ik moet jou zeker gaan uitleggen wat Teletekst is’ – nee, niet Teletekst, hoe heet het ook alweer, dat alomvattende gedoe?’

Internet?

‘Dan moet ik jou zeker internet gaan uitleggen, zei die juffrouw. Is goed, zei ik, dan leg ik jou de Renaissance wel uit. Het staat natuurlijk allemaal op internet, ook de Renaissance, maar dáár gebruiken ze hun telefoontje niet voor. Ik heb die iPad van Bastiaan twee weken in huis gehad. Een aantal middagen heb ik alleen maar zitten kijken naar Doris Day en Frank Sinatra. Dat wil ik dus niet, want ik moet al zoveel lezen, met de Volkskrant ben ik elke dag al een paar uur bezig.’

Zelf schreef u deze zomer een column in De Telegraaf. Blijkbaar vinden ze u bij De Telegraaf een echte Telegraaf-man.

‘Ze vinden dat ik leuk kan schrijven. En dat is ook gebleken, want ze hebben me weer gevraagd voor het Kerstnummer van hun weekendmagazine.’

Maar De Telegraaf is geen krant die u zelf graag leest?

‘Nee. Ik lees hem twee keer in de week in de sportschool, je bent er in vijf minuten doorheen.’

Ragas vertrekt uit het café, dat zich overigens in Amsterdam bevindt. Een waarschuwing, terwijl hij de deur uit loopt: ‘Niet te boos hè Gerard, niet te boos!’

In een interview in 2018 zei u: ‘Ik heb geen zin meer om een nieuw cabaretprogramma te maken. Anders zou ik wel iets willen doen dat keihard rechts en politiek incorrect is.’

‘Links en rechts is niet meer hanteerbaar. Zelfs de VVD is nu kritisch op auto’s! Maar politiek incorrect, dat vind ik wel erg leuk. Vorige week hoorde ik iemand tegen een ander zeggen: ‘Goh, wat zie je er leuk uit, maar dat mag ik zeker niet meer zeggen.’ Het wordt steeds gekker, joh.’

Niemand vindt toch dat je niet meer mag zeggen dat een ander er leuk uitziet?

‘Je moet ze de kost geven!’

Ik denk niet dat dat zo is. Ik merk daar nooit iets van.

‘Léúke wijven merken daar inderdaad niets van. Joke zei ook: ‘Mij is nooit iets overkomen, van dat #MeToo. Als ik niet wou dat ze aan me zaten, bleven ze wel van me af.’ Natuurlijk is er wel degelijk iets aan de hand met die Harvey Weinstein, maar we zijn doorgeslagen.’

Beweert u nu: leuke wijven, daar blijven ze wel van af?

‘Nou nee, alleen: ík heb nooit leuke wijven meegemaakt die over zulke dingen klagen. Ook niet over het glazen plafond. Ik heb vrouwen als regisseur gehad, cameravrouwen, noem het maar op, allemaal leuke wijven die niet klaagden over het glazen plafond. Ik ben een ouderwetse man, maar de deur openhouden bevindt zich op gevaarlijk terrein tegenwoordig. Al dat soort dingen staat tegenwoordig in een kwaad daglicht, en dat moeten we ons niet laten gebeuren. Ik vind het gevaarlijk.’

Over dingen die nu niet meer kunnen gesproken: u speelde de hoofdrol in Het Debuut, een succesvolle film uit 1977 waarin een 14-jarig meisje het aanlegt met een 40-jarige man. Zou u de mannelijke hoofdrol nu nog spelen, stel dat u nu 40 was geweest?

‘Nu zou die film allerlei uitleg behoeven. Het ging over een oudere man die valt op een kind, van 14 dan weliswaar, maar toch, een kind. Had nu niet meer gekund, nee, vast niet.’

Beeld Malou van Breevoort
Beeld Malou van Breevoort
Beeld Malou van Breevoort

Maar ís het niet ook nogal dubieus, een meisje van 14 met een man van 40? Het kan ook positief zijn dat de tijden veranderen. Er kan sprake zijn van voortschrijdend inzicht.

‘Nee, het wordt alleen maar bekrompener! Wim Kan maakte ooit een grap over inwoners van Nieuw-Guinea. De papoea’s moesten, na de onafhankelijkheid, gaan stemmen, zei Kan. ‘Maar dan moeten we ze wel eerst vangen.’ Geweldige lach. En een geweldig goeie grap. Nu zou hij gevierendeeld worden. Dat kun je niet zeggen, volgens sommige mensen. Ik vind dus dat je dat wél kunt zeggen.’

Van mij mag u die grap nog steeds maken, maar het is wel een racistische grap.

‘Nee, het is geen racistische grap. Totaal niet! Je denkt toch niet dat Wim Kan een racist was? Hij zei gewoon iets heel leuks, vind ik. Alle grappen over Belgen, over homo’s, die berusten toch allemaal op enige vorm van discriminatie? Dat is juist wat er leuk aan is. Ik vind dat je alles moet kunnen zeggen. Geweldig hoor, die voorstelling van Theo Maassen waarin hij een kruisbeeld aflikt en Jezus een hangjongere noemt, maar ik denk ook: dat zou hij toch ook eens met Mohammed moeten durven. Alleen dan word je gelijk achternagezeten.’

Gaat u zelf grappen over Mohammed maken?

‘Nee, omdat die godsdienstoorlog me niets interesseert. Er werd een tijdje geleden een Uber-taxi voor me geregeld, van Den Haag terug naar de Hoeksche Waard. Nou, die taxi kwam, wij rijden, en er zat een man met zó’n zwarte baard, dus ik denk: we gaan eens gezellig in gesprek. Over de islam, en wat dat teweeg heeft gebracht, de extremen, enzo. Een aardige man, maar ik kwam er niet doorheen. Hij ging mij uit zitten leggen dat het allemaal heel goed was, die godsdienst. ‘Ja maar jullie vliegen toch met vliegtuigen door gebouwen heen, dat zijn toch islam-mensen, dat is toch niet normaal?’ Hij bleef maar zeggen: ‘Islam is goed. Dat zijn geen echte moslims.’ Wat ik ook noemde, IS, mensen die de keel wordt afgesneden op filmpjes, weet ik veel. Ik kwam er niet doorheen.’

Wat hij had hij daar dan op moeten zeggen, volgens u?

‘Ik geloof niet eens dat hij het erg vond! Hij bleef maar zeggen: ‘Dat zijn geen moslims.’ En zo hoefde hij er niks van te vinden. Het klópt ook niet, want je kunt er lang of kort over lullen, maar het zijn wél moslims. Er was niet doorheen te komen. En dan zegt Jesse Klaver dat we met ze in gesprek moeten. Nou, ik heb het geprobeerd, maar er is met die mensen geen gesprek mogelijk.’

Maar als je in gesprek wil met een katholieke taxichauffeur over het geloof begin je toch ook niet meteen over kindermisbruik door priesters?

‘Ik vind dat iets heel anders. Die terroristen roepen toch Allah aan? Ik had nog bijna gezegd dat de profeet, waar hij zo vol van was, met een heel jong meisje was getrouwd – over Het Debuut gesproken – maar ik hield me in, omdat ik dacht: dat doet hem pijn. Nu zijn er ook weer Nederlandse halve intellectuelen die vinden dat de boerka onder de vrije meningsuiting valt. Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Maar ik moet er misschien maar over ophouden, want anders weet ik wel weer welke kant het allemaal op gaat.’

Begrijpt u dat u de laatste jaren af en toe in de PVV-hoek bent geplaatst, door uw opmerkingen en grapjes over allochtonen?

‘Dat vind ik het ergste, dat de PVV de enige partij is die de onvrede over bepaalde zaken durft te verwoorden. De problemen worden wel benoemd, maar altijd alleen maar door mensen die toch al in het verdomhoekje zitten. Er is onvrede over mensen die hier de laatste veertig jaar zijn komen wonen, met andere kleding, gewoonten en gebruiken. Bepaalde mensen maken zich daar druk over, en de enige die er iets over zegt, is die lul van een Wilders. Waarom houdt verder iedereen zijn mond? Dat begrijp ik niet. Natúúrlijk is er onvrede over die allochtonen. Die zijn indertijd in de arbeiderswijken komen wonen, en de arbeiders mochten vervolgens de multiculturele samenleving uit gaan vinden. Toen Pim Fortuyn opkwam, realiseerde ik me ineens: ik ben eigenlijk helemaal niet zo tegen die man als ik, als linkse intellectueel, zou moeten zijn – hij heeft gewoon gelijk. En het is toch ook gewoon zo dat we zitten met een enorme mocrocriminaliteit? Een afgehakt hoofd voor een lunchroom, dat is iets wat vroeger echt niet voorkwam. Niet om dat nou in de schoenen van alle Marokkanen te schuiven, en ja, je hebt ook hele leuke Marokkanen, cabaretiers, en schrijvers. Ook Turken. Maar ja! Daarnáást...’

Tegelijkertijd vindt u Wilders verschrikkelijk.

‘Omdat die man zo dóm is. Hij kaart de problemen op zo’n domme, ongenuanceerde manier aan, met zijn partij die geen partij is. Wilders is gelukkig alweer over de datum. Nu hebben we Bidet, zoals ik hem noem. Een jongen die ik alleen maar hoor raaskallen.’

‘Ik had een hit, dus ik was een zakkenvuller. Nu zou ik er driewerf schijt aan hebben, maar toen kon ik dat niet.’ Beeld Malou van Breevoort

Waar stemt u dan op?

‘In 1945 was ik 5 jaar, maar ik kan me de opluchting na de Bevrijding nog herinneren. Daardoor weet ik wat vrijheid is en daardoor is stemmen voor mij een plicht. Ik heb wel eens op Jan Marijnissen gestemd – geweldige, eerlijke man. Die zag ik bij Zomergasten, en ik kon me vinden in zijn verhaal. We moeten toe naar een maatschappij waarin niet alles om de poen gaat, enzovoorts. Dus toen heb ik SP gestemd.’

U stemt altijd links?

‘Ja, natuurlijk. Je kunt geen VVD stemmen. Dat kun je toch niet doen? Of CDA? Dat kan gewoon niet. Goed dat ze er zijn, maar daar hoor ik niet bij. Ik heb wel vaak D66 gestemd, als ik het echt niet wist.’

Ik denk dat veel lezers best verbaasd zullen zijn, dat u links stemt.

‘Kun je nagaan. Links vindt mij te rechts, en rechts vindt mij te links. Op zich is dat ook wel leuk. Ik ben ooit, een jaar of dertig geleden, gevraagd voor een televisiespot van ZwitserLeven. Dat was een dikke klus, zoals je begrijpt. Iedereen enthousiast, maar op een gegeven moment hoorde ik niks meer. Tot ik begreep dat de hoogste chef daar had gezegd: ‘Cox wil ik niet, die is te links.’ Dat heeft me dus een paar ton gekost.’

U maakt zich druk over de islam en over criminaliteit onder Nederlandse Marokkanen. Wat merkt u daarvan in uw dagelijks leven?

‘Helemaal niets. Ik woon in de Hoeksche Waard, als je bij mij een kanon afschiet raak je binnen vijf kilometer geen allochtoon.’

Waar baseert u uw opvatting dan op dat er met moslims geen gesprek mogelijk is? Op één gesprekje met een Uber-chauffeur?

‘Al die mensen die zo’n genuanceerd oordeel over dit onderwerp hebben, wonen zelf niet in die arbeiderswijken, hoor. De mensen daar zijn aan hun lot overgelaten, ook, nee júíst door de Partij van de Arbeid. Ik heb nergens moeite mee, behalve als er bepaalde grapjes niet meer gemaakt mogen worden. Laat de boel toch een beetje ademen!’

Zegt u zelf vaak tegen een vrouw: ‘Wat zie je er leuk uit’?

‘Ja, natuurlijk! Een normale vrouw vindt dat leuk. Als ze tegen mij zeggen dat ik er leuk uitzie, denk ik ook: nou. Daar kan ik weer even verder mee.’

Heeft u nu een vriendin?

‘Nee. Ja. Nee. Zo’n beetje. Dat is een beetje los-vast, allemaal. Kijk, ik heb ze nooit meer in huis willen hebben, hè. Dat klinkt niet erg aardig, maar ik zou nooit meer samen willen wonen, daar ben ik veel te eenzaterig voor. Als je zo’n vrouw in huis neemt, gaat ze de prullenmand verplaatsen, en foto’s neerzetten. Dat moet ik allemaal niet. Dat valt onder míj. Ik had er een en daarvan dacht ik: hier word ik oud mee. Het bleek niet zo te zijn. Een teleurstelling. Ik vind het leuker om te zitten praten dan in m’n eentje de krant te lezen. En toch woon ik al zoveel jaren alleen, met een hond dan weliswaar, en een paar kippen. De laatste keer dat ik samenwoonde, was met Joke. En dat ging over in 1987.’

Was zij uw grote liefde?

‘Ik denk het wel. Zij zegt altijd: ‘Jij hebt mijn mooiste tijd gehad.’ Toen wij een relatie kregen, was zij 21 en ik 33. Ik had net een knoepert van een hit gescoord met ’t Is weer voorbij die mooie zomer, ik was op het toppunt van mijn roem. Het heeft veertien jaar geduurd. Zij was toen 35 en wilde iets anders. En daar had ik, gek genoeg, begrip voor. Maar het was een heel mooie tijd. Dat wel.’

Is verliefd worden anders als je oud bent?

‘Het heeft niet meer zoveel betekenis, hè? Vroeger moest ik een vrouw koste wat kost veroveren, en dat heb ik niet meer. Ik denk nu: we zullen wel zien. Een leuke vrouw is het leukste wat er is hoor, en ik heb wat dat betreft geluk gehad in mijn leven, want ik heb leuke vrouwen gehad. Ik ben best gelukkig, maar als je verliefd bent, dan ben je pas écht gelukkig. Alleen: je krijgt er later altijd straf voor.’

Ja?

‘Ja, want op een gegeven moment is het over en dan zit je met de gebakken peren.’

Door uw hit werd u rijk, maar u werd ook verstoten uit het links-progressieve milieu waar u tot dan toe deel van uitmaakte. Mensen die u kennen, zeggen dat het heel pijnlijk voor u was.

‘Ik hoorde niet meer bij de linkse kerk. De jaren zeventig waren dat, je kan het je niet meer voorstellen. Als je wat anders gaat doen dan ze gewend zijn, dan worden je fans boos, en veranderen ze in je meest rigide tegenstanders. Ik had een hit, dus ik was een zakkenvuller. Natuurlijk was het pijnlijk. Nu zou ik er driewerf schijt aan hebben, maar toen kon ik dat niet. Dat is ook je ijdelheid, en de onterechtheid ervan. Het deed zeer, en, heel dom, ik ging me ook verdedigen. Dan ging ik zeggen dat het een toevalstreffer was, dat het me allemaal ook maar was overkomen.’

En nu zou u zeggen?

Maakt een lange neus. ‘Dát zou ik zeggen.’

Daarna is het nooit meer echt goedgekomen tussen u en de linkse kerk, toch?

‘Op den duur kon het me niks meer schelen, ik dacht: ze lullen maar. Wat kon mij het schelen dat de grachtengordel Toen was geluk heel gewoon niet waardeerde? Er keken een miljoen mensen!’

Het kon u wel schelen, want toen Bert van der Veer een boek schreef over zestig jaar Nederlandse televisie waar Toen was geluk heel gewoon niet in stond, was u heel boos.

‘Omdat het niet eerlijk is. Het kan toch niet zo zijn dat je een boek schrijft over zestig jaar televisie zonder ook maar één fotootje van dat programma erin? We worden alleen even genoemd in het lijstje met Televizierring-winnaars. Het is niet toevallig, die man heeft op een of andere manier de schurft aan mij. Die hele lul kan me trouwens niks schelen. Maar dit had ik dus nooit moeten zeggen, dat we alle prijzen hebben gewonnen en dat er zoveel mensen keken, en dat het dus oneerlijk is dat we dan in zo’n boek worden overgeslagen.’

Omdat het verongelijkt overkomt, bedoelt u?

‘Ja, dat is eigenlijk jammer. Het steekt me, maar tegelijkertijd vind ik dat te veel eer voor diegene over wie we het hebben.’

Er zijn meer voorbeelden. Nadat Cornald Maas zich ooit eens kritisch had uitgelaten over Toen was geluk heel gewoon wilde u nooit meer met hem praten. U vergeet en vergeeft niet.

‘Maas is een man die een paar jaar in de Volkskrant heeft mogen schrijven dat de televisie niks voorstelde (Maas was tv-recensent, red.), en nou is hij er zelf op, want daar gaat het allemaal om, en nu is hij niet meer zo kritisch, over dat vreselijke Eurovisie Songfestival. Een cavalcade van gestoorden is het, op een enkele uitzondering na.’

Wat vond u van het winnende liedje van Duncan Laurence?

Afgemeten: ‘Niks.’

Neemt een slok water. ‘Waarom zingen Nederlanders liedjes in het Engels? Dat is toch je moedertaal niet? Met zijn ‘loving you is a losing game’, wat een kutlied. Als je je nergens meer aan kunt storen, is het ook niet goed met je, hoor. Dan neem je alles voor lief. Mijn vader vond The Beatles ook niks, ik wéét het. Maar dat is toch een verschil met nu, met die zogenaamde hiphop. Ik kan het ook gewoon niet verstaan. Maan rijmt op paard, ja da-hag. Geef mij maar gewoon Sinatra met een orkest.’

U heeft twee kinderen en vijf kleindochters. Ziet u ze vaak?

‘Neuh. Neuh. Mijn kinderen wonen in Amsterdam en Voorburg. Ik zie ze weinig, alleen met de verjaardagen, dus een paar keer per jaar. Ik heb altijd gezegd: jullie weten waar ik woon, en als jullie me nodig hebben dan hoor ik het wel. Zo is het altijd gegaan.’

Is het zo gegaan sinds de scheiding van uw eerste vrouw, de moeder van uw kinderen?

‘Nee, eigenlijk niet. Toen ik daarna met Joke was, waren de kinderen dikwijls bij ons. Dat was hartstikke leuk. Maar als je alleen woont, heb je daar gewoon niet zo’n behoefte aan. Mijn dochter is doof, wat trouwens geen enkel punt is, want als je doof bent kun je alles. Ze heeft, met haar dove man, drie horende kinderen.’

Hoe kwam u erachter dat uw dochter niet kon horen?

‘Eerst dachten we aan autisme. Het kind maakte geen contact. Maar met een maand of acht kwamen we erachter: ze hoorde niks.’

Heeft u toen gebarentaal geleerd?

‘Niet heel goed, want na de scheiding woonden de kinderen bij hun moeder. Als ze bij mij was, kwamen we er altijd wel uit. Ik ben gek op mijn kinderen, hoor, ook al zie ik ze weinig. Mijn dochter schreef mij laatst een briefkaart, ik geloof dat ik jarig was. Er stond: ‘Ik kan je niet bereiken.’ Ik denk: je kan me toch een briefje sturen? Bellen kan zij natuurlijk niet. En vroeger had je een doventelefoon, maar dat is afgeschaft, omdat nu iedereen internet heeft.’

Behalve u.

‘Precies.’

Denkt u niet: laat ik toch ook maar eens op internet gaan, zodat ik met mijn dochter kan communiceren?

‘Nee, dan zou ik dat alleen om die reden doen.’

Lijkt mij een goede reden.

‘Ja, misschien zou dat een goede reden zijn.’

Cox roept de ober en bestelt een tosti kaas. ‘Die voorstelling, dat gaan we heel leuk doen. Ik ga een paar mooie liedjes zingen, want dat kan ik goed. Ik hoop dat de mensen lekker gaan lachen, want er is al zoveel ellende op de wereld. Dat hoop ik van harte. En dat gaat ook gebeuren. Ik hoop dat ik niet al te negatief overkom. Ik ben absoluut niet negatief, namelijk. Er is een verschil tussen hoe ik het zeg en hoe het straks dan zwart op wit staat. Ik zou dat zo langzamerhand moeten weten, maar ik kan me niet inhouden.’

Komt een meisje met een gescheurde spijkerbroek het café binnen.

Cox: ‘Zo’n meid, dat is toch niet te geloven. Dat je graag een broek draagt waar gaten in zitten. Ik had vroeger in zo’n broek de straat niet op gedurfd. Wat is de gedachte erachter? Je loopt in een kapotte broek! Ik zou me doodschamen.’

Nu klinkt u echt als…

‘Opoe Herfst. Ja ja. Kan me niks schelen.’

Maar u denkt: in wat voor wereld ben ik terechtgekomen?

‘Ik constateer iets, en ik ben blij dat het mijn eigen broek niet is.’

CV Gerard Cox

1962  Eerste toneelrol in Blijde verwachting van het gezelschap Lily Bouwmeester
1963  Cabaretvoorstelling Van de prins geen kwaad
1966  Cox sluit zich aan bij cabaretgroep Lurelei, waar hij speelt met Eric Herfst, Jasperina de Jong, Rogier van Otterloo en Marjan Berk
1967  Eerste rol op televisie in televisiefilm Luister naar dit leven
1968  Begin van samenwerking met Frans Halsema
1973  Wat je zegt dat ben je zelf, met Halsema
1973  Scoort hit met ‘t Is weer voorbij die mooie zomer
1977  Hoofdrol in Het debuut van Nouchka van Brakel 
1988  Comedyserie Drie recht, een averecht
1989-1992  Vreemde praktijken
1994-2009  Toen was geluk heel gewoon, de serie wint in 1999 de Gouden Televizierring
2015  Radio 5 Nostalgia Oeuvreprijs.
2019  De Grote Grijze Belofte

‘Ik zou nooit meer willen samenwonen, daar ben ik veel te eenzaterig voor.’ Beeld Malou van Breevoort

Is heel die zomer al weer lang voorbij

Wat een van de grootste Nederlandstalige hits te maken heeft met treinen, leukemie en Hillary Clinton. John Schoorl schreef eerder dit jaar over Cox’ oude hit ‘t Is weer voorbij die mooie zomer. Wie bedacht die geniale 39 na, na, na, na’s?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden