Buraku's zijn nog altijd te min

De wonderlijkste vorm van discriminatie is die van de burakumin: 100 procent Japans, maar uit de ‘verkeerde buurt’...

Osaka ‘Mijn broer zou gaan trouwen, de ceremonie was al gepland en de feestzaal geboekt. Toen hij zijn vriendin vertelde dat hij uit een buraku-familie kwam, keerden haar ouders zich meteen tegen het huwelijk en werd de verloving verbroken. Een paar jaar later kreeg mijn zus een vaste aanstelling aangeboden bij JTB, een van de grootste reisbureaus van Japan. Een week voordat ze zou beginnen was het aanbod opeens van tafel. Het bedrijf had haar afkomst laten natrekken.’

Aan het woord is Nobuhiko Kadooka (42). Hij is schrijver en is een van de bekendste buraku’s. In niets valt hij de onderscheiden van andere Japanners. Hij heeft geen andere huidskleur, behoort niet tot een etnische minderheid en belijdt geen uitheems geloof. Maar zijn familie behoorde wel tot de voormalige onderkaste van Japan, die in de 16de eeuw werd gecreëerd door het Togukawa Shogunaat.

Na de samoerai, de ambachtsmannen, de boeren en handelaren kwamen de burakumin, die ook wel eta (vuil) of hinin (onmenselijk) werden genoemd. Ze mochten alleen onrein werk doen dat met de dood te maken had. Zoals het slachten van dieren, het looien van leer en het executeren en begraven van ter doodveroordeelden.

Ze werden weggestopt in ver afgelegen sloppenwijken, mochten geen land kopen en niet trouwen buiten hun gemeenschap. Ze werden geweerd uit de maatschappij en werden beschouwd als paria’s, vergelijkbaar met de ‘onaanraakbaren’ uit India.

Officieel werd de discriminatie in 1871 beëindigd. Maar officieus ging ze onverminderd door. Zaken als afkomst en bloedlijn zijn van groot belang in Japan en buraku’s blijven een stigma dragen.

Velen hebben een minderwaardigheidscomplex en slagen er niet in zich te ontworstelen aan een armoedig bestaan. ‘Gemengde’ huwelijken lopen een grote kans te stranden en buraku’s met ambitie zijn geneigd hun afkomst te verdoezelen om hun huwelijkskansen en carrièremogelijkheden niet te belemmeren.

Kadooka is een uitzondering. Ook zijn familie kreeg weliswaar te maken met discriminatie. Maar hij groeide op in een gezin waarin zelfontplooiing centraal stond. Kadooka heeft gestudeerd, schrijft boeken over de burakumin en is gelukkig getrouwd met een journaliste van ‘buitenaf’. Hij geeft humorvolle lezingen en voordrachten door het hele land; ‘weg met de complexen’, luidt zijn boodschap.

De schrijver woont in een villa in een moderne buurt in Osaka. Die is maar een paar metrohaltes verwijderd van Nishinari Chiku, ooit de grootste burakumin-wijk van Japan. Daar spat de armoede nog steeds van veel huizen af en zijn sommige straten zo nauw dat er niet eens een auto doorheen kan.

‘Tot ver in de jaren zestig waren hier geen verharde wegen en was er geen riolering. Na een regenbui stond alles blank. Vijftig families deelden een waterpomp. En er werd bittere armoede geleden, ook bij mij thuis.’ Dat zegt Tamashiro Kiyonori (56), een verlegen man met een zachte stem.

Met zijn drie zussen, vijf broers en moeder, woonde hij in een van de gammele, bedompte rijtjeshuizen die nog steeds in de buurt staan. ‘We deelden een handdoek en tandenborstel. We hadden altijd honger en er waren nooit genoeg kleren. Door de slechte hygiëne leed bijna iedereen uit de buurt aan oogontsteking.’

Onder druk van de Buraku Liberation League, begon de Japanse overheid eind jaren zestig in te zien dat er hulp nodig was om het lot van de mensen te verbeteren. De Wet voor Speciale Maatregelen voor Dowa-projecten, zag het licht.

Er werden banen gecreëerd bij de overheid. Zo kon Kiyonori, die uit geldgebrek na de middelbare school meteen ging werken, aan de slag bij de gemeente Osaka. Ook werden er miljarden gepompt in betere huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs. Met resultaat: in Nishinari Chiku staat nu ook veel nieuwbouw. Pronkstukken zijn een grote, moderne school en een dito gezondheidscentrum. Ook worden de armoedigste flats gesloopt.

‘Dankzij de Dowa-projecten zijn buraku’s veel meer geïntegreerd in de maatschappij, zijn gewone banen nu ook binnen bereik en gaat 30 procent van de kinderen naar de universiteit’, zegt Toshiaki Suriki (43), de voorzitter van de belangenorganisatie Buraku Kaiho Domei.

‘Maar de problemen zijn zeker niet opgelost. Ook in deze buurt is de achterstand nog steeds groot. Zeker 80 procent van de kinderen op de buurtschool leven van een uitkering. Het werkloosheidscijfer ligt rond de 23 procent en drankmisbruik en gokverslaving komen veelvuldig voor.’

Hij herinnert zich goed hoe hij zelf op school werd behandeld, door klasgenoten die wisten dat hij een buraku was. ‘Die haalden hun neus voor ons op en maakten het doobutsu-teken.’ Suriki steekt zijn wijsvinger en pink omhoog: het symbool voor beest. ‘Ze vroegen of ik nog steeds met mijn handen at.’

Ook wijst hij op het bestaan van de gevreesde lijsten. In de jaren zeventig legden detective bureaus archieven aan van buraku-families en buurten, zodat ‘gewone’ Japanners zich konden wapenen tegen eventuele ‘besmetting’.

‘De lijsten zijn officieel verboden, maar duiken nog steeds op’, legt Suriki uit. ‘Ze zijn zelfs verkrijgbaar op cd-rom.’ Ze rouleren vooral onder projectontwikkelaars en bedrijven die hun personeel willen screenen. Maar ze hebben ook de belangstelling van de nakodo (huwelijksbemiddelaars). Veel huwelijken worden nog gearrangeerd in Japan. Het is niet ongebruikelijk dat een nakodo van de kandidaten een familiehistorie wil hebben, waaruit blijkt dat ze geen buraku-wortels hebben.

Ook is er het Japanse familieregister. Daarin is van iedere Japanner informatie te vinden die generaties terug gaat. Suriki: ‘De afkomst van mensen die steeds naar andere buurten zijn verhuisd om van het buraku-stigma af te komen, kan via de registers alsnog worden achterhaald.’

Wat verder opvalt in de buurt, is de grote hoeveelheid bedrijfjes in de recyclebusiness en de leerverwerkende industrie. Een van de grootste is Shan Shoes, in 1968 opgericht door Soshun Mizuyama (68). Zijn bedrijf heeft vijftig werknemers.

In het sobere atelier, waar je struikelt over torens van schoendozen en lappen gekleurd leer en waar een aangename lijmgeur hangt, gaat alles nog met de hand. Met een hamer en stempel van ijzer, slaat iemand zelfs prints in het leer. De belangrijkste afzetmarkt is Japan.

‘Ik kwam hier eind jaren vijftig. Toen waren er wel 250 schoenmakers. Op deze industrie werd enorm neergekeken door Japanners’, memoreert Mizuyama. ‘Veel mensen vluchtten de buurt uit omdat ze zo werden gestigmatiseerd. Ik heb me nooit iets aangetrokken van de discriminatie. Want er was veel werk en ik verdiende goed.’

Een slachtoffer heeft Mizuyama zich dan ook nooit gevoeld. ‘Ik vind dat de overheid inmiddels genoeg heeft gedaan. De positieve discriminatie veroorzaakte veel jaloezie bij andere minderheden en heeft er ook toe geleid dat veel buraku’s te afhankelijk zijn geworden van de overheid voor werk en inkomen.’

Mizuyama’s grootste zorg is om de moordende concurrentie uit China het hoofd te bieden en werkgelegenheid te behouden voor zijn mensen, die niet zomaar elders aan de slag kunnen.

‘Ik leg de bal nu bij de buraku’s’, zegt ook de schrijver Kadooka. ‘Ze schikken zich wel eens te makkelijk in hun ‘lot’. Ze moeten zelfbewuster worden en hun kansen grijpen. Die boodschap wil ik overbrengen. Tegelijkertijd probeer ik de Japanner meer te doordringen van de domheid en desastreuze gevolgen van discriminatie. Want die zijn helaas ook nog dagelijks tastbaar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden