'Breng me één dag naar Irak'

Ali, een jonge Irakees, is politiek vluchteling in Nederland. Naar zijn land kan hij niet terug. Zijn broer is dood, de rest van de familie spreekt hij alleen telefonisch....

MIJN LEVEN smaakt niet goed. Als ik ver weg ben van mijn familie, ver weg van mijn land, ver weg van mijn geliefde, wat is dit dan voor leven? Alles is veranderd. Toen zij nog bij me was, dacht ik: ik heb mijn land verloren, ik heb mijn familie verloren, maar ik heb haar gewonnen, zij houdt zo veel van me. Nu heb ik het gevoel dat ik drie dingen tegelijk kwijt ben.

In sommige zaken voel ik me goed. Ik heb een land dat voor me zorgt, ik ben hier legaal, ik leer Nederlands, ik kan een toekomst opbouwen. Maar ik mis mijn familie, ik mis mijn land, ik mis haar, dus onmogelijk dat ik me gelukkig voel. Ik was gelukkig in Irak. Ik had nooit gedacht dat ik naar Nederland zou komen, ik had nooit gedacht dat ik met een vrouw uit Peru zou trouwen. Alles is honderd procent anders gelopen.

Ik moest Irak uit. Mijn broer was al dood, misschien zou ik volgen. We waren actief geweest tijdens de revolutie na de Golfoorlog. Het leger dat terugkwam uit Koeweit kwam in opstand tegen Saddam. De soldaten waren moe, de oorlog had geen enkel voordeel opgeleverd. De sji'itische moslims sloten zich bij hen aan, want Saddam had geprobeerd hen uit Irak te verjagen. Wij zaten in Kerbela, een klein stadje. Er vielen zo'n tweehonderd Scud-raketten. Mensen gingen dood op straat.

Mijn vader is arts en mijn broer en ik hielpen met medicijnen. Na een dag of tien onderdrukte Saddam de opstand. Toen alles rustig was, begon hij te zoeken naar degenen die de problemen hadden veroorzaakt. De geheime politie heeft mijn broer opgepakt en vermoord. Ik had ook geholpen, maar er was geen bewijs tegen mij, er werd alleen over mij gepraat. Ze hebben me in de gevangenis gestopt.

Mijn vader heeft iets geregeld met een bewaker, hij heeft vijftienhonderd dollar betaald. Zo werd ik na een paar maanden vrijgelaten. Ik ben naar het huis van mijn tante gegaan en daar heb ik afscheid genomen van mijn familie. Ik heb de grond gekust en gehuild. Het was de eerste keer dat ik alleen was, ik wist niet wat er zou gebeuren en wanneer ik mijn familie weer zou zien.

Ik ben een tijd gebleven in Noord-Irak, het laatste stuk voor Koerdistan, tot ik alles geregeld had. Ik kende er niemand, dus hoe kon ik door Koerdistan komen? Via via kwam ik in contact met een man die gespecialiseerd is in dit werk. Van deze mensen zijn er zoveel in Koerdistan. Ze hebben twintig, dertig jaar als handelaar gewerkt, nu handelen ze in mensen. Half Irak maakt gebruik van hen.

Mijn vader heeft me nog bezocht voor ik vertrok. Hij huilde. Hij gaf me geld. Hij zei: 'Het is belangrijk dat je het land verlaat, wat er met mij, je moeder, broers en zussen gebeurt, is geen probleem.' Ik vond het moeilijk dat hij dat zei. Ik voelde me slecht. Misschien zou hij door mij problemen krijgen. Dat is ook gebeurd. De politie is vaak bij ons thuis geweest. Mijn vader zei: 'Ik heb geen enkele verantwoordelijkheid voor hem, hij is mijn zoon niet, hij is slecht.' Hij moest dat wel zeggen.

Ik heb de mensensmokkelaar uit Koerdistan vijfduizend dollar betaald om naar Nederland te komen. Ik heb Nederland niet gekozen. De man zei tegen mij: 'Ga naar Nederland.' Ik zei: 'Oké, ik ga naar Nederland, ik wil naar elke veilige plek.' Ik kende maar drie dingen van dit land: de kaas, de potaarde - in Irak komt de aarde vaak uit Nederland - en Gullit, Rijkaard en Van Basten.

De mensensmokkelaar is bij me gebleven tot Istanbul. De tocht ging over de bergen naar Koerdistan. Lopend, 's nachts. Ik was bang. Misschien zou de geheime dienst van Saddam me zien, dan ben je dood. Onmiddellijk. Turkije heb ik bereikt via de officiële grens, de mensensmokkelaar had me een vals paspoort gegeven met een visum voor Turkije. Die papieren waren nodig, als je problemen hebt met Saddam, komt je naam in de computer zodat je Irak niet uit kunt.

Ik was bedroefd toen ik mijn familie verliet, maar ik was gelukkig toen ik Irak uit was, echt. Ik kon alle ellende achter me laten. Ik werd gewaarschuwd dat ik moest uitkijken, maar ik was niet meer bang. In de gevangenis in Irak hadden ze me geslagen, met hun vuisten, met hun voeten, met een wapen. De eerste tien dagen elke dag. Daarna kwam ik in een donkere cel terecht. Ongeveer drie dagen zonder licht. En daarna heel fel licht. Dat is erger dan geslagen worden. Dus wat kon me nog gebeuren?

In Istanbul ging ik op het vliegtuig naar Italië, voor een transit van zeven uur. In Italië is het moeilijk politiek asiel te krijgen, je kunt daar niet blijven. Ik moest door naar Peru, daar werd mijn ticket veranderd in een KLM-vlucht naar Nederland. Ik ben er een paar dagen gebleven en toen ontmoette ik Luci.

Ik stond voor een disco en zij ging tegelijk met mij naar binnen. We gingen naar een andere tent, we dansten samen, we keken naar elkaar, maar we konden niet praten. Zij sprak geen Engels. De volgende dag nodigde ze me uit. Zo begon de relatie. Toen ik een paar dagen later op Schiphol zat, dacht ik aan niks, alleen aan Luci. Ik wilde terug naar Peru.

Het eerste jaar in Nederland huilde ik elke dag. Elke dag huilen, huilen. Ik belde mijn familie in Irak, ik zei tegen mijn vader: 'Ik kom terug, wat gebeurt, moet maar gebeuren. Ik blijf hier niet.' Ik zat in een asielzoekerscentrum, ik was niet gewend met drie, vier mensen in een kamer te slapen. Ik was moe, ik miste mijn familie zo erg, ik kon niet alleen zijn. Ik moest steeds aan mijn dode broer denken, hij verscheen in mijn dromen, ik kon niet slapen.

Mijn kamer in het asielzoekerscentrum vond ik alleen leuk omdat ik er brieven schreef aan Luci. Ik schreef elke dag. De receptie vond ik alleen leuk omdat er post lag van Luci. Anderen moesten onze brieven voor ons vertalen. We belden elke week tien minuten en het enige dat we zeiden was: 'I love you forever, don't cry' en 'bambino lindo' - lindo betekent 'mooi' in het Spaans. Meer konden we niet tegen elkaar zeggen. Elke week dezelfde woorden.

Toen ik nog in het asielzoekerscentrum zat, besloot ik met haar te trouwen. Niemand geloofde me, ook mijn familie niet. Maar ik voelde dat het echte liefde was. En tot nu toe kan ik niet geloven dat ik opnieuw zo'n liefde zal beleven. Ik ben naar Peru gegaan en daar zijn we getrouwd. Ze is me gevolgd naar Nederland. Vlak daarna kreeg ik een huis.

WE NAMEN een besluit: we maken ons leven beter. We gingen schoonmaken. Ik heb nooit als schoonmaker gewerkt, zij ook nooit. Voor mijn familie was het een schande. Mijn vader zei: 'Wil je geld? Dan stuur ik je geld.' Maar ik voelde me gelukkig. Het was rotwerk, maar we deden het samen, we waren samen moe, we begonnen samen een leven. Met het geld knapten we onze flat op. Maar het is nog niet mooi genoeg. Ik wil alles weer veranderen. Ik wil de inrichting waar Luci van houdt. Luci houdt van blank hout, zo wordt het.

We zijn nu vijf maanden uit elkaar. Ik ben veranderd, maar de eerste jaren was dat moeilijk. Ik hield me vast aan mijn traditie omdat ik mijn land miste, dat was het probleem. Ik droeg het Iraakse systeem bij me, ik heb daar meer dan twintig jaar gewoond. Je vrouw doet alles voor je, ze kookt, ze maakt het huis schoon, ze luistert naar je in alles, ze kan niet weggaan zonder toestemming.

De laatste tijd van ons huwelijk hielp ik haar wel, ik begon te veranderen, maar het was te laat. Na de scheiding ben ik wakker geworden, ik weet waar ik fout was. Maar het echte probleem is niet de traditie. Ik denk dat een huwelijk tussen twee culturen moeilijk is. In alles. Ze kan naar mijn muziek luisteren, maar ze voelt mijn muziek niet, zelfs niet als ik alles uitleg. Zo is het ook als ik naar haar muziek luister.

We konden niet samen televisie kijken. Ik heb een schotel, dus verdeelden we de tijd: drie uur per dag keek zij naar Spaanse programma's, drie uur per dag keek ik naar de Arabische tv. Je bent niet constant gelukkig samen. Ik kan veranderen, maar niet zodanig dat ik iets voel bij haar muziek of dat ik hetzelfde voel bij haar vrienden als bij mijn vrienden. Dat is het probleem.

We spraken drie talen door elkaar. Er waren eens vrienden op bezoek die verbaasd waren als we met elkaar praatten. Ik zei: 'Por favor Luci, give me the btania.' Btania betekent in het Arabisch 'deken'. Drie talen! Zoveel dingen die ik tegen haar zei, begreep ze in een andere betekenis. Ik vroeg eens: 'Waar is het geld?' Zij: 'O, je denkt dat ik het geld heb gestolen?' We hadden veel ruzie. Om kleine, kleine dingen.

Maar ik hou van haar tot op de dag van vandaag. Toen ze al weg was, heb ik haar geschreven voor haar verjaardag: 'Je bent mijn eerste en mijn laatste liefde.' Als ik er nu aan denk dat ik met een andere vrouw zou gaan, ik zou het niet kunnen. Ik kan niet op dezelfde manier de liefde bedrijven, ik kan niet hetzelfde gevoel geven. In alles herinner ik me haar.

Voor haar geldt hetzelfde. Ze belde me laatst en ze zei: 'Ik wil alleen met jou spreken, ik wil naar je stem luisteren.' Zij mist haar vader, haar vader is vermoord. Zij noemde me papito, vadertje. Het was tussen ons altijd als dochter en vader. Ze sprak tegen me als een baby, met een babystem. Altijd. In huis, in bed, 's nachts. 'O, papito, hou me vast.' Dat vond ik zo leuk. Ze doet het nog steeds. 'Papito, como estas?'

Zij mist het gevoel en ik mis het gevoel. Zij mist haar land en ik mis mijn land. Ik mis mijn familie en zij heeft me een heel warm gevoel gegeven. Maar opnieuw bij elkaar komen, is nu onmogelijk. Als we dat ooit zouden besluiten, moet ik goed Spaans leren en zij goed Arabisch. We moeten alles over elkaar leren. Ach, ik weet niet wat ik wil. Als dezelfde problemen terugkomen, kan ik beter ver van haar blijven, dan hebben we de liefde nog. Als we meer problemen krijgen, vergeten we de liefde.

Ik hoop dat ik haar kan vergeten. Want nu kan ik me niet voelen zoals ik wil. Ik moet ook Irak vergeten. Ik kan niet teruggaan. Wat voor mij van wezenlijk belang is: nadat ik Irak had verlaten, was Nederland het eerste veilige land voor mij. Als je uit een Arabisch land komt, ben je doodsbenauwd voor alles wat met de politie te maken heeft. Maar toen ik asiel aanvroeg op Schiphol, zeiden ze tegen mij: 'Ga zitten, wil je koffie, lust je een broodje kaas?' Iedereen heeft me geholpen, Nederland heeft me het gevoel gegeven dat het mijn land is.

TOEN IK naar Peru ging om met Luci te trouwen, miste ik Nederland, ik zweer het. Ik zou een maand blijven, maar ik kon het niet. Ik ben eerder teruggekomen. Ik hou van dit land. Ik wil hier blijven. Ik heb de A-status. Als ik klaar ben met de Nederlandse taal wil ik een cursus doen zodat ik een baan kan vinden. Ik wil mijn eigen geld verdienen, ik wil onafhankelijk zijn, ik moet mijn leven beter maken.

Ik ben Nederlander geworden, maar niet in alles. Wat ik nog steeds gek vind, is dat mensen hun hele leven alleen wonen. Met een hond. Dat verbaast me. Dat ze zich gelukkig kunnen voelen en werken. Voor wat? De relaties zijn hier een beetje koud. Iedereen is druk met werk of studie. Ik heb eens aan een Nederlandse vriend gevraagd: 'Waarom ga je niet vaker naar je familie?' Hij zegt: 'Ik heb het druk.'

In die dingen kan ik niet Nederlands worden. Ik kan niet om tien uur slapen, de volgende dag werken, thuiskomen, eten, tv-kijken en weer slapen. Dat is voor mij onmogelijk. Ook al moet je in Irak 's ochtends op tijd beginnen, je bent eraan gewend om laat te slapen. 's Avonds ga je naar je vriend, om te voetballen, te zwemmen, te biljarten. Je vriend is belangrijker dan je werk. Hij is als een broer.

Met mijn familie heb ik een sterke band, we bellen elke dag. Ik mis hen, ik mis mijn vrienden, mijn school, ik mis alles. Het is bijna ramadan, eind december, dan is dat gevoel nog sterker. In mijn land zit je dan met zijn twintigen te eten na zonsondergang, mensen gaan 's avonds bij elkaar op bezoek, je gaat uit, de winkels zijn 's nachts open, je doet spelletjes. Aan het einde van de ramadan, met el'aid, draagt de hele familie nieuwe kleren, je wenst je ouders een gelukkig feest, je gaat op bezoek bij je grootouders. Net als bij jullie kerst.

Mijn grootste wens is teruggaan naar Irak. Niet Nederland, niet Amerika, geen enkel ander land, maar Irak. Als Saddam dood is, kan ik mijn vrienden weer zien, mijn huis, mijn alles. Ik heb daar zo lang gewoond, het is niet gemakkelijk dat te vergeten. Soms zeg ik: breng me één dag naar Irak. Dat is mijn grootste wens.'

Ter bescherming van de geïnterviewde en zijn ex-vrouw zijn hun namen in dit verhaal veranderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden