Essay

Bij elke geelgors denk ik aan Dolores; zo werkt het blijkbaar bij rouwverwerking

Voor natuurschrijver Caspar Janssen is de geelgors geen gewoon, tamelijk zeldzaam, vogeltje. De zangvogel staat voor hem voor een nieuw begin na een erg verdrietige periode in zijn leven.

Caspar Janssen
null Beeld Mariola López Mariño
Beeld Mariola López Mariño

We liepen over een zandpad in Midden-Limburg, schuin van het bos weg, langs akkertjes die waren omgeven met heggen. Het was begin april 2008, een sprankelende voorjaarsdag, de sleedoorns kleurden de bosranden nog zilverwit, terwijl de eerste meidoorns al in bloei stonden. Samen met een vriend liep ik zeven etappes van het Pieterpad, in zeven dagen, tot aan het eindpunt, de Sint Pietersberg.

Op een driesprong van zandpaden, in een boompje, zagen we een vogel die we niet kenden. Een overwegend geel vogeltje. We keken nog eens goed, ik met mijn Hema-kijkertje. Dat hielp niet veel, maar we zagen wel de opvallende, oranje vlek op de rug van de vogel. Ik pakte mijn minivogelgids van Elsevier erbij. Bladeren en bladeren. Tot nu toe hadden we, als beginnende vogelaars, vooral ingespannen staan turen naar wat steeds weer vinken of mezen bleken te zijn. Maar dit, dit was een geelgors toch, volgens de foto in het boekje? Overleggen. Ja, zou het? Dat is best bijzonder toch? Ja, dat lijkt wel heel bijzonder, als het inderdaad de geelgors is. Nog eens kijken naar de beschrijving, en de verspreiding. Ja, de geelgors komt hier voor, kijk maar, hier, Limburg, een provincie met geelgorzen. En het landschap, dat klopt ook: bosranden, kleinschalig boerenland, hagen, struweel. En kijk, die oranjeroze stuit, geen enkele andere vogel heeft zo’n vlek. Zo drong het langzaam door: voor het eerst had ik min of meer zelfstandig een vogel gedetermineerd die enigszins bijzonder was. Een vogel die ik voorheen niet kende.

Wandeltocht

Het moment staat nog altijd op mijn netvlies, en dat lijkt misschien vreemd voor een weliswaar leuke, maar ook weer niet wereldschokkende gebeurtenis van veertien jaar geleden. Pas later begreep ik waarom ik zo vaak moest terugdenken aan het moment. Het was het eerste sprankje vreugde, of vervoering, na een jaar van wanhoop en verdriet. Onze wandeltocht had een trieste aanleiding: de recente dood van mijn 3-jarige dochter Dolores. Om niet thuis tegen de muren te lopen had ik voorgesteld die week op pad te gaan. Bewegen, overzicht, ruimte, buitenlucht, grond onder de voeten, de ene voet voor de andere zetten, opnieuw leren lopen. Zoiets. Mijn vriendin Mariola, moeder van Dolores, bleef liever alleen thuis. Mijn vriend offerde zich op, en samen bedachten we dat we voor de afleiding onderweg onze vogelkennis zouden opkrikken. En dit was het eerste moment dat er weer vooruitgang was, een nieuw teken van leven, kleur, in de vorm van een geelgors in een boompje.

In de jaren na onze wandelweek ging ik in de krant over natuur schrijven. Dat was al een ontluikende interesse, maar ik stortte me er nu volledig op. Bewust, om niet met menselijk leed geconfronteerd te worden, wat me al te zeer aangreep, en om me anderzijds niet te hoeven ergeren aan vermeend menselijk leed. Vreemd genoeg had ik bedacht dat natuur een onzijdig onderwerp was, waarmee ik thema’s als leven en dood zou kunnen vermijden. Het ging in ieder geval niet over leven en dood bij mensen, althans niet direct, niet op korte termijn. Schrijven over natuur was voor mij: schrijven in de luwte.

Het onderwerp waar mijn hoofd en hart vol van was meed ik. Het was te erg en te persoonlijk, vond ik. Maar soms kon ik er niet helemaal omheen. Als Dolores echt in mijn gedachten was, formuleerde ik zo dat alleen ingewijden het merkten. Zo schreef ik in een column, alweer jaren geleden, over mijn droefheid bij de aanblik van een korenveld dat ik bij verrassing aantrof midden in een natuurgebied in Overijssel. Het was een warme, zonnige namiddag, en over het veldje hing een blauwe gloed van korenbloemen, met af en toe een rood element in de vorm van een klaproos. Een plaatje, kortom, om verrukt van te worden, want dit soort korenveldjes bestaan nauwelijks nog.

Vanger in het koren

Maar ik werd er dus verdrietig van. Niet weemoedig, dat had ook gekund, maar verdrietig. In het stukje kwam ik op omslachtige wijze, via The Catcher in the Rye en Van Goghs korenvelden met onweerslucht en kraaien, tot een cryptische afsluiting:

Wel begreep ik opeens, daar aan de rand van het korenveld, dat ik zelf was gegrepen door het ondraaglijke besef van de kwetsbaarheid en de broosheid van het allerdierbaarste, dat ik treurde over een schitterende, in de knop gebroken bloem. En dat ik vurig verlangde dat er echt zoiets had bestaan als een vanger in het koren, het liefst in de persoon van mezelf, die deze schone onschuld van het ravijn had kunnen redden.

Raar eigenlijk, dat dit in de krant stond zonder de context, zonder de aanleiding te noemen. Toen een aantal van mijn natuurverhalen gebundeld werd in een ogenschijnlijk vrolijk en luchtig boek – titel: Ontpopt – vond ik dat ik de cryptische passages in sommige teksten moest verklaren. In een kort nawoord schreef ik over de dood van Dolores. Dat ze overleed aan een hersentumor, dat ze ziek werd op haar 2de en stierf toen ze net 3 was. En vooral dat ze in al mijn verhalen op de een of andere manier aanwezig was.

Ik merkte al snel dat het nawoord van twee pagina’s de rest van het boek overschaduwde, of overvleugelde. Ook mensen, zelfs natuurliefhebbers, kunnen zich vooral inleven in de eigen soortgroep, en daarna pas in andere diersoorten. Zelf zit ik niet anders in elkaar.

Permanente ruis

Het verdriet bleef, maar werd in de loop der jaren minder virulent. Een permanente ruis op de achtergrond, die steeds minder vaak aanzwol tot oorverdovend lawaai. Ik bleef over natuur schrijven, ik kon me er soms zelfs over opwinden, ik leerde over de samenhang der dingen, ik leerde meer over vogels en andere dieren, en over planten. Ik bleek het jagen op soorten niet zo interessant te vinden, maar het verband tussen landschap en vogels wel. Ergens lopen en vermoeden dat het typisch een gebiedje was voor de blauwborst, de waterral of het paapje, en dat er dan, verdomd, een blauwborst, een waterral of een paapje tevoorschijn kwam.

Een lievelingsvogel aanwijzen kan ik nog altijd niet, maar ik geloof nu wel dat een vogelsoort een speciale betekenis kan krijgen. Altijd als ik een geelgors zie of hoor denk ik aan Dolores, dat gaat vanzelf, ik kan er niet omheen. Ik zou de symboliek flink kunnen oprekken door Beethovens vijfde symfonie erbij te betrekken, de Noodlotsymfonie. De zang van de geelgors lijkt wel wat op de eerste tonen van die symfonie: ‘ta-ta-ta-daaa.’ Dat de componist de geelgors in zijn hoofd had bij het schrijven van die eerst vier noten is vermoedelijk een fabel, een vaak herhaalde, aantrekkelijke fabel. Wel is het zeker dat Beethoven de geelgors op zijn wandelingen op het platteland veelvuldig heeft gehoord. Zijn vriend en biograaf Anton Schindler zei over die eerste vier noten: ‘Zo klopt het noodlot aan de deur.’ Zo zou ik die zang van de geelgors kunnen interpreteren, als aankondiging van het noodlot. Maar dat deed ik niet, misschien omdat het noodlot al had toegeslagen voordat ik de geelgors leerde kennen. De geelgors stond voor mij symbool voor het begin van de verzoening met het noodlot.

Ik moest in dit verband denken aan het boek Troostvogels van natuurbeschermer Maria Quist, dat ze schreef na het verlies van haar zoon. Het wonderschone Verdriet is het ding met veren, van Max Porter, las ik natuurlijk ook. Daarin speelt een kraai een rol in de rouwverwerking. Bij mij verschoof de symboliek van de geelgors in de loop der jaren richting hoop, vooruitgang, perspectief, heling.

null Beeld Mariola López Mariño
Beeld Mariola López Mariño

Houtwallen

Ik ontdekte dat ik hou van het landschap waarin de geelgors gedijt. In de afgelopen jaren liep ik veel door Nederland en merkte ik dat ik me vooral thuis voelde in dat zeldzaam geworden kleinschalige boerenland, een intiem landschap met houtwallen, bloemrijke graslanden, met heggen, hagen, zandpaden, akkertjes, geriefbosjes. Romantisch, zullen mensen zeggen, onrealistisch, maar ik zie het als noodzakelijk, een landschap waarin zowel ruimte is voor mensen als voor planten en dieren. Zo begon ik in de geelgors een geestverwant te zien, de vogel had dezelfde smaak als ik. Waar de geelgors voorkwam, was het zoals het zou moeten zijn: af, compleet, heel.

En altijd dook Dolores op als ik de geelgors zag of hoorde. Bij Noorbeek, rond het Noordal, in het uiterste puntje van Limburg, een van de mooiste plekjes van Nederland, zong de geelgors op een paaltje, een mannetje, in vol ornaat, het gele kopje fier omhoog. Op een landgoed in de Achterhoek, waar zowat alles in het teken stond van vogels, daar was hij weer. Mijn momenten om stil te staan bij Dolores. De bijna geruststellende wetenschap dat ik haar niet was vergeten, dat ze er nog was, in mijn gedachten.

Biedt natuur troost? Een voor de hand liggend toevluchtsoord is ‘de natuur’ zeker. In de zin van: de luwte opzoeken, zoals gewonde dieren dat doen. Maar misverstanden liggen op de loer. De aanname, bijvoorbeeld, dat de natuur harmonieus is, mooi en vriendelijk, en daarom helend kan werken. In werkelijkheid is de natuur meedogenloos. Veilig voor mensen misschien, in Nederland, maar voor dieren ligt dat anders. De dood is er een bijna achteloos onderdeel van. Mogelijk biedt juist het massale sterven van kroost, de wrede werkelijkheid die mensen zijn ontgroeid en ontwend, enige troost. Zeker omdat de meeste diersoorten nauwelijks of in ieder geval niet lang lijken stil te staan bij het sterven, en na ieder verlies van een broedsel of een nest weer gewoon opnieuw beginnen. Maar het is wel troost, of relativering, op metaniveau. Dat Dolores moest sterven op haar 3de, daar kan ik toch moeilijk de gewoonheid van inzien. Laat staan dat ik er achteloos aan voorbij kan gaan.

Doodstil naaldbos

Vaak vond ik juist helemaal geen troost. Ik herinner me een wandeling op de Utrechtse Heuvelrug. We kwamen verkeerd terecht, in een donker, doodstil naaldbos. Alsof de dood je van alle kanten aanstaarde. Zelden voelde ik me zo alleen, zo verloren. Dat overkwam me vaker. Ik liep in mijn eentje in het Haaksbergerveen, op een grauwe, gure winterdag. Daar, zo aan de rand van het land, in dat toen stille, kleurloze en op het oog doelloze landschap, kwamen de vragen wel heel nadrukkelijk naar boven. Waarom liep ik hier in mijn eentje? Waarom stond ik niet aan een of ander front midden in het leven? Waarom stond ik niet feestelijk in de kroeg, lallend tussen de dansende dienbladen, waarom kon ik niet meer grappig of onbezonnen zijn zonder me schuldig te voelen? Waarom was ik zo bang geworden?

Misschien was die luwte, die afzondering nodig om tot dit soort vragen te komen, om weer evenwichtig genoeg te worden om door te gaan. In Argentinië stonden we, in het eerste jaar na de dood van Dolores, in het leegste landschap dat we konden bedenken, in het rode vulkaanlandschap, in de hitte, in de stilte, alleen maar vlakte en dan de bergtoppen in de verte. Leegte, ruimte, overzicht. Wij, ouders zonder kind, alleen met ons verdriet. Het voelde als de diepste bodem, maar ook als een beginpunt, vanaf hier zouden we toch weer verder moeten. Zo gebeurde. Cleo kwam erbij, 11 is ze nu, tot haar 8ste durfde ik bijna niet over haar te schrijven. Zij mist Dolores soms ook, haar oudere zus die ze nooit heeft gekend. En ze maakt nu, geheel volgens het cliché, ons leven weer de moeite waard.

Biedt de natuur troost? Wie lang in de natuur rondloopt ziet overwegend verlies, maar soms is er een glimp van hoe het zou kunnen zijn. Als ik door zo’n landschap loop waar ik geelgorzen vermoed, en waar ze dan, verdomd, opeens van zich laten horen, dan geloof ik soms dat alles nog goed kan komen. Bij het dorp waar ik opgroeide, Bemmel, liep ik op de Natuurakkers van Doornik, waar geprobeerd wordt om de soorten van het boerenland terug te krijgen. En dan vooral en met name de geelgors. Het is irrationeel, maar ik leef dan mee, ik hoop dan dat ik ga meemaken dat het lukt, dat alles weer wordt zoals het hoort te zijn.

Zo werkt het blijkbaar bij rouwverwerking: er komt projectie, symboliek en escapisme aan te pas. Mijn vriendin Mariola, de moeder van Dolores, heeft een klein tuintje, waar in de winter altijd een roodborstje rondscharrelt. ‘Dat is Dolores’, zei ze laatst, stellig. En ik probeerde me te herinneren hoe wij in de laatste gesprekjes met Dolores de hemel of het hiernamaals hadden ingekleed, hoe we het onvermijdelijke onderwerp probeerden te vermijden, hoe we over engeltjes spraken, en over vogeltjes, en over hoe dat alles eigenlijk gewoon in elkaar overvloeide. Hoe we eigenlijk die hele dood wegmasseerden.

null Beeld Mariola López Mariño
Beeld Mariola López Mariño

En daarna, na het overlijden van Dolores, masseerden we ons verdriet weg, met alle mogelijke middelen. In de luwte, en in mijn geval vaak buiten. Met de geelgors als min of meer toevallig aangewaaide vogel die mocht helpen om de wonden te helen, de vogel die ik uitkoos als symbool van herstel en vooruitgang, als mijn eigen doelsoort. Het maakt het verlies niet ongedaan, maar het hielp, denk ik, om het leven weer enigszins stabiel en weerbaar tegemoet te treden.

Dit verhaal is een bewerking van een verhaal in het voorjaarsnummer van De Scharrelaar – vogeltijdschrift voor lezers, dat onlangs verscheen. De illustraties zijn gemaakt door illustrator Mariola López Mariño, moeder van Dolores en vriendin van Caspar Janssen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden