Reportage Mijn leven als dief

Bekentenissen van een winkeldief: Daan Heerma van Voss gaat nu écht stoppen met stelen

Daan Heerma van Voss. Beeld Eva Roefs

Al jaren steelt Daan Heerma van Voss uit winkels, al vindt hij dat een te banale omschrijving van zijn geliefde sport. Nu is het écht tijd om te stoppen. Of zal hij het nog één keertje doen om het af te leren?

Dit verhaal betekent het einde van mijn loopbaan. Niet zozeer het einde van mijn loopbaan als schrijver (hoop ik), maar wel het einde van mijn lange loopbaan als dief annex kleptomaan. Na vandaag zal het te riskant worden. Na ­vandaag zal ik er te oud voor zijn. Ik blijf staan voor een winkelruit, kijk naar onsteelbare jassen en makkelijk mee te grissen mutsen. Of zit er, bij wijze van afscheid, misschien nog één diefstalletje in, zoals je vaak ziet in westerns en overvalfilms, one last job?

Ik wandel door de buurt waar ik ben opgegroeid. De winkelstraat, vroeger nog een doodnormale straat-met-winkels, wordt tegenwoordig door hoopvolle winkeliers Little Paris genoemd. De jonge gezinnen hebben hun biezen gepakt, de tweedehandsauto’s zijn verjaagd, de snackbar is omgevormd tot een Frietboutique (de oude eigenaars zijn uitgekocht) en geblondeerde, oranjekleurige voetbalvrouwen shoppen zonder ooit op een prijskaartje te kijken. En op de plaats waar vroeger ‘mijn’ speelgoedwinkel zat, Het Speelgoedschuytje, zit nu een franchise van een kledingwinkel die ook vestigingen heeft in New York en Tokyo. Waar ik heen loop? Naar de enige man die me ooit heeft gepakt.

Hij was niet eenvoudig te vinden. De mensen van de ­franchise-winkel wisten niet eens dat er ooit een speelgoedwinkel had gezeten. Maar na lang speuren, na een ontmoeting met een behulpzame fietsenmaker uit de buurt die misschien wel wist hoe je de eigenaar van de speelgoedwinkel, Tom Brom, moest bereiken, na een aantal gestrande e-mailtjes en tot niets leidende telefoongesprekken met buurtbewoners, kreeg ik onlangs bericht terug. De winkel heette niet Het Speelgoedschuytje, corrigeerde Tom Brom me, maar De Speelgoed Schuyt. Ik stuurde aan op een ontmoeting, zinspeelde op een nostalgisch stuk dat ik aan het schrijven was over hoe de stad toch zo verandert, maar verzweeg mijn echte motieven. Tom Brom ging ­akkoord. Zou hij nog weten wat er is gebeurd?

Ik was een jaar of 10. In de weken voordat de fantasieën over mijn eerste job begonnen, had ik in de plaatselijke boekhandel al wat mini-dinosaurus-stickerboekjes in mijn zakken laten glijden, en ik had me erover verbaasd hoe makkelijk het was gegaan. Het was tijd voor iets groters, iets echters. Dinosaurussen waren voor kinderen. Het was tijd voor een Batman.

Batman-poppetjes, geblokte figuren uit Batman: The Animated Series, de tekenfilm waarnaar ik elk weekend keek, kostten 20 gulden. Met mijn zakgeld van fl. 1,50 per week zou het veertien weken, oftewel drieënhalve maand duren voordat ik één poppetje zou kunnen kopen, en ik wilde ze natuurlijk allemaal (het waren er zeker veertig) en wel zo snel mogelijk. Dus besloot ik om op twee paarden te wedden. Het ene paard was mijn zakgeld. Het andere paard was ikzelf.

Met mijn zakgeld zou ik een verantwoorde Batman kopen, in een normaal grijs-zwart kostuum, een Batman waar je mee thuis kon komen. Maar ik had mijn oog ook laten ­vallen op een spectaculairdere Batman, met een wit kostuum vol kleine bliksemschichten, en een plastic cape die je kon openklappen tot een paraglider, waarmee hij vanaf wolkenkrabbers naar beneden kon zweven en uit het niets kon opdoemen, een van Batman’s spaarzame hobby’s. Hoewel ik deze uitheemse Batman als aankoop te riskant vond, wilde, móést ik hem toch hebben. Dus begon ik plannetjes te smeden, en doorliep ik in gedachten alle mogelijke manieren om het poppetje mee te nemen. Het beste was, meende ik na ampel ­overleg met mezelf, om het poppetje mee te nemen naar het achternisje van de winkel, waar de speelgoedtreinen en radiografisch bestuurbare autootjes lagen, hem daar snel onder mijn lubbertrui te steken, en iets heel anders af te rekenen, iets kleins en onopvallends, een zakje knikkers. Ja, zo zou het gaan. Maar zo ging het niet.

Dure smaak en lege portemonnee

De vraag waarom ik ben gaan stelen (al houd ik niet zo van dat woord; het voelt te banaal voor wat ik doe) is het stellen waard, maar voor mij is de echte vraag: waarom ben ik er nooit mee opgehouden?

Na jaren van toevallige, onregelmatige diefstalletjes tijdens mijn tienerjaren (the occasional mueslireep) kwam ik pas echt op gang in mijn studententijd. Ik had een vriendinnetje met een erg dure smaak en een erg lege portemonnee, dat speelde mee. De enige manier voor mij, die het ook niet breed had, om haar toch een excellente biefstuk voor te schotelen, was om hem gewoon mee te nemen uit de winkel. Vaak deden we het samen, we seinden elkaar als het niet goed voelde, en verdeelden de buit zodra we thuis waren. De inhoud van mijn studentenijskast zag er nogal schizofreen uit: Euroshopper-kwark en duurzaam gevangen tonijn, pakken wijn en manchego-kazen. Alsof in dit huis een makelaar samenwoonde met een welfare queen.

Natuurlijk had ik ook niet-excellente biefstukken kunnen eten, of gewoon spaghetti-kebab, zoals mijn studiegenoten deden. Ik stal ook, of vooral, vanwege de heldere sensatie en de overzichtelijkheid van de situatie. Als je het goed deed, werd je beloond. Als je het slecht deed, kreeg je straf. Was de hele wereld maar zo simpel.

Had ik dan geen moraal? Jawel. Na de Speelgoedschuyt-­deceptie, die erop uitdraaide dat ik mijn lievelingswinkel jarenlang zou mijden, stal ik uitsluitend uit supermarkten van grote ketens, multinationals. Om een of andere reden was dat belangrijk, alsof ik mijn marginale gescharrel daarmee een vleugje moraliteit meegaf, alsof ik eigenlijk een goedaardige schelm was, een Mokumse Robin Hood. Maar geen moment hield ik me bezig met datgene wat Robin Hood tot Robin Hood maakte: dat hij zijn gestolen rijkdommen ook weer weggaf.

Beeld Eva Roefs

Was het een compulsie, voelde ik me gedwongen?

Volgens het psychiatrische standaardhandboek, de ­Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorder (DSM), zou dat zomaar kunnen. Daar staat in dat ‘kleptomanie’, oftewel de onstuitbare aandrang om iets te stelen wat je niet direct nodig hebt, een officiële stoornis is, een zogeheten impulscontrole-stoornis, net als bijvoorbeeld pyromanie. (Het Oud-Griekse woord ‘kleptein’ betekent stelen, en manía betekent manie of bezetenheid.) De stoornis ‘kleptomanie’ komt naar schatting bij zes op de duizend mensen in de gehele bevolking voor. Maar in de loop der jaren hebben veel criminologen en psychiaters de oorspronkelijke opname van kleptomanie in de DSM bekritiseerd als een vorm van klassenjustitie. Criminoloog Willem De Haan heeft (als een van de weinigen) onderzoek gedaan naar kleptomanie: ‘Het label zorgde er rond de eeuwwisseling, van de 19de naar de 20ste, voor dat mensen uit lagere klassen hard werden gestraft voor het plegen van kleine diefstallen, terwijl dames uit de bourgeoisie wegkwamen met een trendy diagnose.’

De loopbaan van mijn vriendinnetje kwam al vrij snel tot een onnatuurlijk einde. Ze werd gesnapt bij het stelen van kazen uit een supermarkt en meegenomen naar het politiebureau, waar de veters uit haar schoenen werden gehaald. Huilend kwam ze thuis, diep in de nacht. Trendy diagnoses boden geen soelaas: de episode heeft haar een strafblad opgeleverd. Het duurde niet lang voordat de relatie eindigde, maar dat is een ander verhaal.

Vreemd genoeg zag ik in haar verhaal geen waarschuwing. Ik deed het anders dan zij, zei ik tegen mezelf. Ik was een professional.

Weer gelukt

Mijn methode was simpel: kleine producten zoals mueslirepen liet ik in een mouw glijden. Grotere producten stopte ik in mijn boodschappentas, die ik daarna verfrommelde en nonchalant bij me hield. De (goedkope) boodschappen waar ik wél voor betaalde – immense voorraden instantnoodles – stopte ik met een beleefde glimlach in de deels gevulde tas. Mijn hartslag werd gejaagd, mijn mond droog, mijn bewustzijn verhoogd, iedereen hield ik in de gaten, de klanten en vooral het personeel. Dan volgde de werkelijke inspanning: de beheersing opbrengen om deze fysieke verschijnselen zich niet te laten vertalen in een angstige blik, een nerveus samentrekken van een gezichtsspiertje, een noodlottige zweetdruppel op mijn voorhoofd. Nee, kalm blijven en de persoon achter de kassa vriendelijk toeknikken, misschien een opmerking maken over Ajax, of als het niet anders kon over het weer.

De deuren zoefden open. Vrijheid. Als ik nu geen stem achter me hoorde, was het gelukt. Ik hoorde niks. Glunderend liep ik naar buiten, denkbeeldige rietstengel in mijn mondhoek. Weer gelukt.

Het lukte altijd. Ik had er talent voor. In al mijn volwassen jaren ben ik nooit gesnapt. Eén keer bijna, dat wel. Toen vroeg een bewaker, wijzend op mijn deels gevulde tas, wat ik aan het doen was. Een al te schuldbewuste reactie, redeneerde ik, zou zijn vermoedens alleen maar bevestigen. Daarom besloot ik tot de meest kansrijke en minst eerzame koers die ik kon verzinnen: ik ontstak in woede. Ik riep dat het schandelijk was dat hij insinueerde dat ik iets illegaals aan het doen was, zag hij niet in dat ik gewoon een verstrooide student was, een eerlijk man, wilde hij de manager anders even halen, ik stond erop! Schoorvoetend liet de arme vent me gaan. Vermoedelijk wist hij niet dat ik juridisch gezien, door die spullen in mijn tas te steken, al had gestolen. Vanaf dat moment had ik de spullen namelijk ‘aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken’, artikel 310 in het Wetboek van Strafrecht.

Het duurste artikel wat ik ooit heb onttrokken was een Levi’s-broek. Achteraf had ik er spijt van. Voor het eerst had ik iets van waarde gestolen, het gaf mijn daad iets grimmigs, iets serieus, iets naars. Hoe symbolischer de diefstal, hoe meer hij me beviel. Mijn magnum opus was dan ook een maaltijd die ik mijn ouders voorzette, die geheel en al bestond uit ontvreemde producten (zelfs het bestek!). Ik wachtte lang met opdienen, totdat ze hongerig waren, op de rand van chagrijnig. Vlak voordat ze hun eerste hap zouden nemen, vertelde ik waar het eten vandaan kwam, en waar de vorken, de messen, de borden. Ze hoorden me aan, schudden het hoofd, verloren het van hun honger en ­begonnen te eten. Vanaf dat moment verloren ze het morele recht om me ooit nog op mijn gesteel aan te spreken. Het was de beste maaltijd ooit.

Beeld Eva Roefs

Voor de etalage van wat ooit De Speelgoed Schuyt was, blijf ik staan. Hier, op deze stoep, werd ik gepakt. Ik herinner me zijn lage stem nog. ‘Wacht eens even jij.’

Het begon juist zo goed, ik deed precies wat ik me had voorgenomen, ik stak de verpakking, die wel iets meer kraakte dan gehoopt, onder mijn jas, kocht twee duivelrode bonken en verliet de winkel. Toen ik die eerste stap op de stoep zette, wist ik zeker dat ik ermee was weggekomen, een beginnende euforie zwol in mijn buik. En toen klonk daar de bariton van Tom Brom.

Hij beval me terug te komen. ‘Ergens’ had ik nog de hoop dat het om iets heel anders ging, dat ik mijn wisselgeld was vergeten, of een bonk was verloren.

‘Volgens mij heb je iets onder je trui’, zei de bariton.

Traag, alsof het mij ook verraste, haalde ik de verpakking tevoorschijn.

Tom Brom dirigeerde me naar een donker achterafkamertje, waar ik moest wachten, terwijl hij wat mensen belde, naar zijn zeggen de politie. Mijn hersenen maakten overuren, zoekend naar geldige smoesjes, naar acceptabele verklaringen. Zuchtend kwam Tom Brom tegenover me zitten. Het verhaal waar ik uiteindelijk mee op de proppen kwam, was dat ik te weinig geld bij me had om de Batman te kopen, en dat ik hem aan mijn moeder, die bij de slager stond, wilde laten zien, en als ik hem zou laten hangen zou hij vast in de tussentijd worden gekocht door een andere jongen, zul je altijd zien. Het was niet allemaal gelogen. Mijn moeder stond inderdaad bij de slager.

Dus wachtten Tom Brom en ik op haar. Zodra ze binnenkwam, was mijn verzet gebroken, wat speet het me! Ik begon te huilen, en beschaamd te smeken, of hij alsjeblieft de politie niet wilde bellen. Tom Brom en mijn moeder keken elkaar langdurig aan. Ik herinner me volwassen blikken, die ik destijds niet kon duiden.

Jammer genoeg weet ik niet meer wat ze tegen elkaar hebben gezegd, maar de gevolgen herinner ik me nog. Geen politie. Mijn moeder kocht het poppetje, want Tom Brom was er de koopman niet naar om 20 gulden mis te lopen, en ik zou het bedrag aan haar terugbetalen. En ik moest het aan mijn vader vertellen. Van al mijn tientallen Batmans heb ik veruit het minst gespeeld met deze.

Dief of patiënt?

Goed, een heldere waarschuwing, eind goed, al goed.

Dus niet. Ondanks de talloze waarschuwingen, van Tom Brom, mijn ouders, van vrienden en geliefden, doe ik het nog stééds. Tegenwoordig heb ik een vrij specifieke smaak: ik steel uitsluitend dure eiwitrepen. Omdat die schandalig geprijsd zijn, omdat ik wel van chocola houd maar niet van dik worden, en omdat ze makkelijk mee te nemen zijn. Dit meenemen gebeurt op dagelijkse basis, ik kan niet in een supermarkt rondlopen zónder zo’n kreng mee te nemen. Helaas zijn die repen niet echt lekker, dus stop ik ze eenmaal thuis, in een grote zak, waar nu zeker honderd repen in zitten, honderd and counting.

Ik loop verder, richting het café waar Tom Brom zit te wachten.

Verrassend genoeg komt mijn steelprofiel, om in criminologisch jargon te spreken, tamelijk goed overeen met de DSM. Enkele kenmerken van de stoornis kleptomanie ­volgens de DSM: de voorwerpen die worden gestolen zijn vaak van weinig waarde, de steler kan zich permitteren ervoor te betalen. De ontvreemding is doorgaans niet voorbereid. Hij of zij geeft de gestolen goederen vaak weg, slaat ze ergens op, en kijkt er vaak niet meer naar om.

Wat ben ik nou, een dief of een patiënt?

Psychiatrisch onderzoek toont aan dat kleptomanie relatief vaak voorkomt bij mensen die aan een andere stoornis lijden, zoals een depressie, een angststoornis, of een seksuele stoornis. Maar het vaakst komt kleptomanie voor bij ­patiënten met eetstoornissen, in het bijzonder bij mensen met boulimia en anorexia. En dat is denk ik niet voor niets. Ik heb mijn neiging tot stelen nooit gezien als het gevolg van impulsen, maar eerder het gevolg van een behoefte aan controle, eenzelfde behoefte als waaruit boulimia en anorexia vaak voortkomen. Als ik on the job was, kon ik mijn vage angsten en zorgen eventjes omsmeden in een zeer ­geconcentreerde, heldere vrees: de vrees om gesnapt te worden. Eventjes was ík de baas. En als beloning voor mijn dapperheid kreeg ik gratis producten, het leek zo logisch, een rechtvaardig systeem.

Zou ik, als ik voor de rechtbank stond, wegkomen met een kleptomanieverweer? Criminoloog De Haan: ‘Dat zal een moeilijk verhaal ­worden. Je zou het kunnen proberen, met je repen, als je volhoudt dat het verzamelobjecten zijn, zonder direct nut, omdat je zelf niet eet. Het is sowieso afwijkend gedrag, dat staat vast. Maar of een rechter in die redenering meegaat, betwijfel ik zeer.’

Gappen

Daar zit hij. Tom Brom. Ik herken hem meteen aan zijn brede kaken, en die zware, hoekige wenkbrauwen. Tom Brom (62) heeft een ouderwets Amsterdamse tongval, elke klinker klinkt als een andere, en hij zegt ‘gappen’ of ‘jatten’ in plaats van ‘stelen’. Na een keuvelgesprekje over de buurt vraag ik hem of er veel gestolen werd, in de winkel. ­‘Weleens. Wat wil je, ik heb tweeëndertig jaar in deze straat gewerkt.’ Het verkopen van speelgoed was ooit begonnen in de kelder van de huishoudartikelenwinkel aan de ­overkant, ook in het bezit van de familie Brom. Eind jaren tachtig begon Tom met zijn broer hun eigen speelwinkel, die deel was van het inkoopconcern Wigwam – ik herinner me de reclame nog: een indiaan die zijn hand naar zijn mond bracht en riep: ‘Speelgoehoehoed!’

‘Meestal zag je het aankomen’, vertelt Tom Brom, na nog een slok van zijn filterkoffie, ‘dan zag je jongens, altijd jongens, dralen en schichtig rondkijken.’ En één keertje jatte een junk met een Arafat-sjaal een driewieler, Tom Brom rende hem achterna en heeft hem een rotgooi gegeven. ‘Waarom wil je dit allemaal weten?’

‘En hadden jullie een standaardrespons, bij diefstal?’

‘Meestal biepten we naar de ijzerwarenwinkel aan de overkant, of ze iemand konden sturen, die dan de kassa kon overnemen. Verder niet. De politie belden we niet graag. Liever zochten we een oplossing met de ouders, het was echt een buurt, iedereen kende elkaar, zoiets doe je samen, toch? Het ging best wel gemoedelijk.’

Beeld Eva Roefs

Zo herinner ik het me anders niet, zeg ik.

Hij vraagt me wat ik bedoel.

Dan vertel ik hem wat ik me herinner van wat in een krimi ‘de bewuste middag’ zou worden genoemd.

‘Zo deden we het inderdaad’, zegt hij met een schalks ­plezier. ‘Dan liepen we via dat trappetje achter de kassa naar het keukentje. Daar was een uitklaptafel, waar je aan kon zitten. Meestal stelde ik een paar dreigende vragen, zoals: heb je het vaker gedaan?’

Inderdaad! Ik dacht dat hij me zag als een foute jongen, een radbraker.

‘Dat was precies de bedoeling. We wilden je aan het schrikken maken, zonder de politie te hoeven bellen. Dan breng je een kind ook op een pad waar hij helemaal niet thuishoort, heb niemand wat ’an.’

Ik ben ervan overtuigd dat dit in algemene zin inderdaad de beste manier is. Maar op mij had het een onverwacht effect: na een lange periode van paniek en schaamte wilde ik vooral bewijzen dat ik het wel degelijk kon, stelen. Hoeft hij niet te weten. Ik gunde hem zijn rol van heropvoeder van Amsterdamse schoffies.

Tom Brom neemt een laatste slok. ‘Hoe is het jou verder vergaan? Ooit nog gestolen?’

‘Nee’, zeg ik. ‘Nooit meer.’

Ik weet niet precies wat ik van de ontmoeting verwachtte. Misschien wilde ik laten zien dat het goed met me is afgelopen, dat ik niet voor galg en rad ben opgegroeid. Maar als onze ontmoeting een morele winnaar heeft opgeleverd, is hij het. Tom Brom, die zich de diefstal nog maar half herinnert, die zijn winkel heeft verkocht vlak voordat de massale neerwaartse lijn in de detailhandel zijn tol zou eisen, Tom Brom die nog altijd een pand heeft in deze veel te dure buurt. En niet ik, die twintig jaar later nog iets te bespreken heb met een voormalig speelgoedhandelaar. Het is inderdaad tijd om te stoppen. Geen laatste job, geen gouden pensioen, ik moet stoppen voordat ik een parodie word van mezelf. Het spel is uit. Tom Brom en ik, Pat Garrett en Billy the Kid, lopen naar de uitgang. Bij het verlaten van het café gris ik, zonder dat hij het ziet, nog een paar koekjes mee uit een grote weckpot, voor onderweg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden