Het eeuwige levenAuke de Jong

Auke de Jong (1933-2018): Veehouderszoon die het schopte tot wijsgeer

Zoals een jonge voetballer idolaat kan zijn van de tegenpolen Messi en Ronaldo, zo kon de jonge wijsgeer Auke de Jong gefascineerd zijn door de tegenpolen Martin Heidegger en Emmanuel Levinas.

Auke de Jong

De doopsgezinde predikant en emeritus hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en zedenleer zou een groot deel van zijn tijd besteden aan het bestuderen van hun werk - de Duitser die ‘het zijn’ centraal had staan en lid was van de NSDAP, en de joodse Litouwer die ‘het goede en de ethiek’ zocht en tijdens de oorlog in krijgsgevangenschap verkeerde. ‘Het was dahlia’s en rozen’, zegt publicist en predikant Alle Hoekema die De Jong van jongsaf gekend heeft.

Auke de Jong woonde de laatste jaren in Driebergen, samen met zijn echtgenote Bep Bijlsma, met wie hij twee kinderen had. Bijlsma was een dochter van Bertha Hartog, die getrouwd was met de beroemde historicus Jacques Presser, schrijver van het standaardwerk Ondergang over de Holocaust in Nederland. Auke de Jong beheerde ook de privé-erfenis van de in 1970 overleden Presser. Zelf overleed hij 11 oktober in Utrecht.

De Jong kwam niet bepaald uit een academisch milieu. Hij was de oudste van de zes kinderen van een Friese veehouder in Akkrum. Maar al jong was hij een dromer. Op de boerderij was hij een keer zo diep in gedachten verzonken dat hij de verkeerde schimmel (het paard van de buren) uit de wei haalde. Zijn vader zag al snel dat hij niet geschikt was om hem op te volgen. Een jongere broer zou uiteindelijk de boerderij overnemen.

Auke mocht studeren. Hij ging naar de hbs in Leeuwarden. ‘De gedachte was dat hij iets praktisch moest gaan doen. Arts worden of zoiets. Daar was hij slim genoeg voor’, zegt zijn zoon Fokke. Maar Auke twijfelde. Uiteindelijk koos hij voor een studie theologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1961 studeerde hij af. Vijf jaar later promoveerde hij op het proefschrift Een godsdienstwijsgerige studie over de taalbeschouwing van Martin Heidegger, waarna hij predikant werd.

Drie jaar stond hij op de kansel van de doopsgezinde gemeente in Surhuisterveen. Alle Hoekema zegt dat hij daarvoor misschien niet helemaal geschikt was. ‘Hij was te bedachtzaam en aarzelend in zijn spreken. Daarnaast waren zijn preken nogal moeilijk. Hij had het geluk dat hij het Friese dorpsleven kende en de Friese taal sprak.’ In 1969 werd hij door de hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en zedenkunde Johan Oosterbaan als medewerker naar de Universiteit van Amsterdam gehaald. Hier waren op de faculteit godgeleerdheid de hervormden, lutheranen en doopsgezinden geconcentreerd, terwijl de VU het domein was voor de gereformeerden.

De Jong, die in Bussum ging wonen, voelde zich daar goed thuis.

In 1980 werd hij hoogleraar als opvolger van Oosterbaan. Hij gaf graag les, maar publiceerde niet veel. Toen tien jaar later vanwege bezuinigingen werd besloten de faculteit op te heffen, werd dat ook als argument gebruikt om De Jong op wachtgeld te stellen.

De Algemene Doopsgezinde Sociëteit legde zich daar niet bij neer en stelde een bijzondere leerstoel godsdienstwijsbegeerte en wijsgerige ethiek aan het Doopsgezinde seminarie in. Hier kon hij tot zijn pensioen in 1999 blijven. Zijn afscheidsrede had als titel Perikelen in de ruimte tussen het goede en het zijn: over de verhouding van Levinas tot Heidegger. De titel van zijn afscheidsbundel luidde: De reikwijdte van het geduld -  Wijsgerige en theologische opstellen.

Hoekema: ‘Geduld was een kenmerk van De Jong. Hij had altijd een luisterend oor en zou nooit kwaad over iemand spreken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden