Column Arthur van Amerongen

Arthur van Amerongen gaat niet graag zwemmen met landgenoten

Na een schandalige periode van hoeren en snoeren was het hoog tijd dat ik weer eens ging zwemmen. Zwemmen deed ik jarenlang in het Amsterdamse Marnixbad, maar dat was nooit een pretje, omdat ik een baan met zes mensen moest delen. Filezwemmen dus. Bovendien waren er altijd moddervette viswijven uit de Jordaan die maar wat dobberden en luidkeels het wel en wee van hun soortgenoten bespraken.

De Jordaan is alleen leuk op televisie, met een script van Eli Asser, muziek van Harry Bannink en Adèle Bloemendaal, Piet Römer en Leen Jongewaard in de hoofdrollen.

In het overdekte sportfondsenbad van São Brás de Alportel komt bijna nooit iemand. De toegang is twee euro en dan mag je ook nog in de sauna en het stoombad.

Heel soms zijn er Nederlanders die om een praatje verlegen zitten, maar ik openbaar mijzelf nooit als landgenoot. Dit stel was begin 60 en gedroeg zich overdreven jeugdig. Zij bewoog zich voort als Bokito en daarmee doe ik de vriendelijke zilverruggorilla uit Diergaarde Blijdorp ernstig tekort. Bij hem was geen plekje ongebronzeerd en hij tutte onophoudelijk met flesjes, zalfjes, zwembrillen, oordopjes en neusklemmen.

Ik wist zeker dat manlief, die de homoseksualiteit had uitgevonden en verbeterd (alleen wist zijn vrouw dat niet), zijn rozet had gebleekt. In de sauna kreeg het setje ruzie omdat zij per ongeluk zijn handdoek pakte. ‘Gedverderrie kutje, dat is de mijne’, riep de geparfumeerde drol woedend en trok de lap woest uit haar handen. Tot mijn verbijstering bleken zelfs zijn handpalmen gebruind.

Ik haat mensen met smetvrees. Alleen Jack ­Nicholson als de obsessieve-compulsieve schrijver Melvin Udall in As good as it gets vond ik te pruimen.

Over smetvrees gesproken: ik kende een tandeloze zwerver in Amsterdam die iedere dag oude stokbroden haalde bij de bakker en die een nacht te weken legde in de plaskrul bij de speeltuin van het Weteringplantsoen, die door aanhangers van de Griekse beginselen liefkozend pisbak Kindervreugd werd genoemd. ’s Anderendaags sabbelde hij vol overgave op de stokbroden.

Enfin, ik kwam uit de sauna en had geen slippers aan. De vloer was spekglad door substanties waarvan ik niet wilde weten waar ze vandaan kwamen, en gleed uit. Ik slaakte een gilletje, hetgeen ik wel ­vaker doe als ik de dood in de ogen kijk.

Toen hoorde ik die vrouw zeggen: wat een enge ­pisnicht. De man antwoordde instemmend: ‘Ja, mop, dat zijn de ergsten.’

Beeld Gabriël Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.