Armoede houdt de Napolitaanse camorra in stand

Napels wordt geteisterd door elkaar bestrijdende mafiose familieclans. Zaterdag viel de 48ste dode: Vincenzo de Gennaro. Zijn 12-jarige kleinzoon raakte gewond....

Hangt er in de sloppenwijken van Napels gewoonlijk al een enigszins kruidige sfeer, sinds drie maanden is de lucht er zelfs met het vermoeden van kruit vervuld. In het Spaanse kwartier bijvoorbeeld, hartje stad, waar de smalle steegjes steil oplopen tegen de rots waarop de stad gebouwd is. Benauwde, enigszins onheilspellende gangen zijn het in feite. Vanachter de openstaande ramen van de talrijke en door en door armoedige eenkamerwoningen walmt een vette indruk van ongewenstheid naar buiten. Of in de buitenwijken, Scampia en Secondigliano, waar de vreemdeling enigszins bevangen binnen zichtafstand van de talloze politieauto's blijft.

Geen buurten om lang in te vertoeven, geen buurten ook waar het straatinterview een gerespecteerd werktuig is om te achterhalen hoe de sfeer en de toestand zijn. Het zijn de broeinesten van la faida, de eerwraak, het mechaniek dat de omgangsvormen onder Napolitanen altijd luidruchtig en soms onsmakelijk onder de aandacht van de buitenwereld brengt. Terwijl de Napolitanen er merendeels van overtuigd zijn dat die buitenwereld daar niets mee te schaften heeft.

Sinds 28 oktober verleden jaar is daar echter niets aan te verhelpen. Op die dag vielen er vlak na elkaar twee doden bij een vuurgevecht - en Napels wist waarom. De schoten die die eerste slachtoffers opeisten kunnen achteraf beschouwd worden als startschoten. Want sindsdien heeft zich een keten van geweld ontrold, waarvan geen mens weet hoe die weer gebroken kan worden. Enkele tientallen doden zijn er tot dusverre geteld: alleen al in de eerste maand waren dat er 23. Wie precies waarom wordt omgelegd is lang niet altijd duidelijk; er zijn, al dan niet per vergissing, ook enkele ogenschijnlijk onschuldige slachtoffers gevallen. Maar vaststaat dat er in Napels een strijd woedt tussen verschillende facties van de camorra, waarbij motieven van geschonden eer, gebroken zwijgplicht en onderlinge concurrentie door elkaar heen lopen.

'Het is de plicht en het belang van iedereen om te reageren', zei de Italiaanse president Carlo Azeglio Ciampi tijdens zijn bezoek aan Napels' buitenwijken, begin deze maand. Hij had oudjaar gevierd in Napels en maakte van zijn aanwezigheid gebruik om de bevolking een hart onder de riem te steken. 'We moeten de georganiseerde criminaliteit isoleren en deze kanker die ons leven aantast uitroeien.'

De president had zich onder de bevolking van de wijk Scampia begeven, een betonnen slaapstad die een kwarteeuw geleden gebouwd is en er nu bijligt alsof de derde wereld er doorheen is getrokken. Het aangrijpendst is niet eens de verwaarlozing, maar de haveloosheid van bouwwerken die, afgedekt met zeildoek, niet eens meer op woningen lijken. Napels kampt met een hoge werkloosheid en met grote armoede: ruim de helft van de jongeren beneden de vijfentwintig heeft er geen baan. Het is in die omstandigheden dat de camorra gemakkelijk personeel werft. In Scampia is het de clan van Paolo di Laura, bijgenaamd 'Ciruzzo de Miljonair', die tot voor kort volstrekt de dienst uitmaakte. Hij domineert, samen met zijn elf kinderen, de markt voor harddrugs en heet een omzet van een half miljoen euro per dag te maken. Dat werd enkele van zijn armlastige personeelsleden wat te gortig en dus begonnen zij voor zichzelf. In het milieu van de camorra is dat not done - en zo viel het eerste schot om het privilege van de Di Laura's te herstellen. Op dat eerste schot volgde een tweede en dan is er, weten de Napolitanen, geen houden meer aan.

Op de dag zelf dat de president hen een hart onder de riem kwam steken, werd in een bar in de wijk Melito, niet ver van Scampia, de veertigjarige Giovanni Urzini overhoop geschoten. In Scampia gold die dag even een staakt het vuren, vanwege de grote overmacht politie die de president vergezelde, maar een paar blokken verder regeerde de camorra: Urzini stond bekend als een handlanger van Di Laura.

Het zijn dikwijls spectaculaire moordpartijen, waar het om gaat. Op klaarlichte dag, in een drukke straat, vanaf een scooter, het is allemaal geen uitzondering. En vanzelfsprekend heeft niemand ooit wat gezien. Toen op 28 oktober de eerste doden vielen, werden de ambulances die hun lichamen naar het ziekenhuis vervoerden letterlijk in de wielen gereden door een legertje scooterrijders - die bij navraag geen kwaad in de zin hadden, maar enkel hun nieuwsgierigheid botvierden. Ondertussen bloedden de slachtoffers dood.

Op 5 december was het de restauranteigenaar Enrico Mazzarella, die het loodje legde: in zijn eigen restaurant, terwijl hij tussen de middag een pizza zat te eten samen met zijn familie. Hij belandde letterlijk met zijn hoofd in de tomatensaus; zelfgemaakt, dat wel: daar stond de pizzeria Da Enrico, op een van de fraaiere plekjes van Napels, om bekend. Een paar mannen waren die zondag tijdens de lunch de tent binnengekomen, hadden geïnformeerd naar de eigenaar - 'Wie is Enrico Mazzarella?' - en hadden hem, toen hij zich bekend maakte, de volle laag gegeven. In Italië gebruiken families op zondag bij voorkeur de lunch buitenshuis, met hun hele familie, van grootouders tot zuigelingen. Het getuigt van de professionaliteit van de camorra dat er geen onschuldige slachtoffers zijn gevallen.

Het is, zegt een woordvoerder van het Openbaar Ministerie in Napels, allemaal een kwestie van armoede. 'Er zijn sommige verbeteringen aangebracht in Napels, de afgelopen jaren. De openbare werken zijn erop vooruit gegaan, het openbaar vervoer. Maar het gevoel van onveiligheid van de bevolking is toegenomen - en daar valt bitter weinig aan te doen. Het is dat gevoel van onveiligheid dat mensen hun vertrouwen in de overheid doet verliezen.'

Daar wordt bij Binnenlandse Zaken in Rome anders over gedacht. De aanvankelijke reactie van de Italiaanse overheid was terughoudend: de camorra is een probleem van Napels, van het vermaledijde zuiden, laat Napels het ook zelf maar oplossen.

Maar toen eind november een jonge vrouw, die verloofd heette te zijn met een camorrista, overhoop werd geschoten en de Napolitanen geëmotioneerd de straat opgingen om haar te bewenen, greep de centrale overheid in. Er werden enkele cohorten agenten naar Napels gestuurd die binnen een maand meer dan zevenhonderd arrestaties verrichtten.

De frequentie van de moorden nam daarop iets af, maar voorbij waren ze beslist niet: nog verleden week werd er een handlanger van Di Laura doodgeschoten. Zelf blijft de boss natuurlijk buiten schot; al jaren staat hij op de urgentste zoeklijst van de politie, maar zonder effect. Waar dat aan ligt, kan eigenlijk niemand vertellen.

Toch lijkt er ook in Napels verandering op til. Zowel na de moord op de verloofde als begin januari gingen grote groepen Napolitanen de straat op om van hun angst en verontwaardiging te getuigen. Zij vrezen, zeggen ze, de terugkeer van de wilde taferelen van twintig jaar terug, toen de camorra zonder pardon regeerde.

Op het hoogtepunt, in 1982, werden er in het tijdsbestek van een jaar 240 moorden in de stad gepleegd. Het waren de jaren van juist na de aardbeving van 1980, toen vele miljoenen euro's de stad toevloeiden. Die moesten besteed en dus verdeeld worden - en daartoe sloegen politici en camorristen de handen ineen, met alle gevolgen vandien.

Het is vooral het bewind van burgemeester Antonio Bassolino, gedurende de jaren negentig, geweest dat de stad en het stadsbestuur hebben opgeschoond. De openbare werken werden aangepakt en, bovenal, de integriteit van het stadsbestuur werd hersteld. De camorra is, zeggen de Napolitanen, daardoor geïsoleerd geraakt: ze moet het nu uitsluitend hebben van de handel in contrabande, de bouwmarkt is min of meer gefatsoeneerd.

Het aanzicht van Napels is veranderd, de stad presenteert zichzelf tegenwoordig als een cultuurstad: op de dag van de eerste moorden ging de gote Caravaggio-tentoonstelling er open en het geweld heeft vele tienduizenden toeristen er niet van weerhouden die te bezoeken.

Blijft het onderliggende probleem van de structurele armoede. Al sinds de eenwording van Italië in de negentiende eeuw is 'het zuiden' een probleemgeval voor de natie. Het privatiseringsbeleid van de regering-Berlusconi, incluis het programmatische 'devolutie-leerstuk', waarbij regio's en steden grotere autonomie en verantwoordelijkheid krijgen, draagt vooralsnog zeker niet bij tot economisch herstel. Weer kijken de Napolitanen naar Rome voor het oplossen van een probleem waar zij eigenlijk liever niet over willen praten.

Want over alles heerst de omerta, de zwijgplicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.