PROFIEL

Anton de Kom (1898-1945) was te rood om zijn punt te kunnen maken

De Surinaamse schrijver Anton de Kom. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
De Surinaamse schrijver Anton de Kom.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Anton de Kom appelleerde aan het zelfrespect van de Surinamers en het schuldgevoel van de Nederlanders. Maar hier genoot hij vooral achting als verzetsman tegen de Duitsers.

Anton de Kom: naamsbekendheid geniet hij zeker in Nederland. Al was het maar omdat straten en pleinen naar hem zijn vernoemd. Omdat hij sinds vorig jaar is opgenomen in de Canon van de Nederlandse geschiedenis. En omdat zijn boek Wij slaven van Suriname vorig jaar, 75 jaar na de dood van de auteur, alsnog een bescheiden bestseller werd.

Een enkeling herinnert zich mogelijk nog het Anton de Kom-jaar (1988) en de Anton de Kom-maand (februari 1973). Minder bekend is wat zijn verdiensten precies zijn geweest, en waarom de Nederlandse regering nu heeft aangekondigd ‘een gebaar’ naar hem te willen maken. Anton de Kom (1898-1945) is een onontkoombare figuur in de geschiedenis van Suriname – en dus ook in die van Nederland. Maar die erkenning heeft zich hortend en stotend ontwikkeld. Evenals de bereidheid in het algemeen om kennis te nemen van het slavernijverleden.

Minderwaardigheidsgevoel

‘Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijf’, schreef hij in Wij slaven van Suriname, dat in 1934 in Nederland verscheen, en dat later in het Duits en het Russisch zou worden vertaald. ‘Daarom wil dit boek trachten het zelfrespect der Surinamers op te wekken en voorts de onjuistheid aantoonen van de vredesbedoeling der Hollanders ten tijde der slavernij.’ Het boek werd destijds vergeleken met Max Havelaar. En – minder vleiend – met De negerhut van oom Tom (bij wijze van grap verbasterd tot De negerhut van De Kom).

Recensent (en latere verzetsman) Nico Rost schreef – niet eens onwelwillend: ‘Een neger klaagt dus de blanken aan. Hij doet dit in een vorm die tevens literaire waarde bezit door zijn bloemrijke taal, welke in een merkwaardige tegenstelling staat tot de zakelijke feiten, die de auteur mededeelt.’ Expliciet was het proza van De Kom ontegenzeglijk. Bijvoorbeeld als hij het gruwelijke lot beschrijft van een weerspannige slaaf. ‘Een neger, Joosje genaamd, werd met een ijzeren haak door zijn ribben geslagen, en alzo aan de galg gehangen, zodat het hoofd en de voeten naar beneden hingen en hij onlijdelijke pijnen moest uitstaan. Hij gaf hiervan echter geen blijk. Nadat hij gestorven was, werd zijn hoofd afgehakt en op een ijzeren staaf tentoongesteld.’

Attentiewaarde genoot het boek zeker (al hadden de meeste Nederlanders in het crisisjaar 1934 andere besognes), maar de reputatie van De Kom als communist deed de ontvangst geen goed. Hij figureerde – als held of als auteur – in communistische (of met het communisme sympathiserende) periodieken als De Tribune, De Communistische Gids en Links Richten. En hij was lid van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Overheersching, die was gelieerd aan de Communistische Partij Holland (CPH). Van die partij zelf is hij, naar eigen zeggen, nooit lid geweest. Maar de communistische beweging was voor hem, als bestrijder van het kolonialisme, een natuurlijke bondgenoot.

Rubberbedrijf

De Kom groeide op in een Creoolse volkswijk in Paramaribo op met verhalen van mensen (onder wie zijn grootouders) die de slavernij nog aan den lijve hadden ondervonden. Maar zijn belangstelling voor dit thema maakte van hem nog niet meteen een activist. Hij doorliep de MULO (school voor Meer Uitgebreid Lager Onderwijs), waarmee hij zijn milieu intellectueel al ontsteeg, werkte vervolgens bij een deurwaarderskantoor, en (als administrateur) bij een rubberbedrijf.

In 1920 vertrok De Kom naar Nederland, meer uit rusteloosheid dan met een vooropgezet doel. Hij trad, als vrijwilliger, toe tot het Derde Regiment Huzaren in Den Haag, waar hij als enige zwarte een grote attentiewaarde genoot. Een collega herinnerde zich later dat hij ‘bij de vrouwen en meisjes meer gezien (was) dan wij’, dat hij in het Haagse uitgaansleven enige faam genoot als tapdanser, en dat hij ‘snel op de kast zat, vooral wanneer het ging om Suriname en zijn huidskleur’. In 1926 trouwde hij met de (witte) Nellie Borsboom, met wie hij vier kinderen (drie jongens en een meisje) kreeg.

Hij werkte enige tijd (vreugdeloos) als boekhouder, en keerde in 1932 terug naar Paramaribo, waar hij in zijn ouderlijk huis een ‘adviesbureau’ vestigde voor Surinamers die door het koloniale bewind waren benadeeld. De hoogste Nederlandse gezagdrager, gouverneur Abraham Rutgers, was niet gediend van deze ‘subversieve activiteit’ en gelastte de aanhouding van De Kom. Daarmee ontketende Rutgers een volksopstand die op 7 februari 1933 – ‘zwarte dinsdag’ in de Surinaamse annalen – met harde hand werd neergeslagen: er vielen twee doden en 22 gewonden te betreuren. De Kom werd op de boot naar IJmuiden gezet, waar hij door enkele duizenden communisten werd verwelkomd.

Na 10 mei 1940 zette hij zijn subversieve activiteiten voort – nu gericht tegen het nazibewind in Nederland. Als gevolg daarvan werd hij op 7 augustus 1944 gearresteerd. Na een verblijf in de Scheveningse strafgevangenis (het ‘Oranjehotel’), kamp Vught en kamp Sachsenhausen kwam hij uiteindelijk terecht in Sandbostel een ‘buitenkamp’ voor dwangarbeiders van Neuengamme. Hier overleed Anton de Kom kort na de bevrijding aan tuberculose. In 1960 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de erebegraafplaats in Loenen. In 1982 werd hem postuum het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

Dertig jaar geleden strandde een poging tot eerherstel voor Anton de Kom, maar nu krijgt de schrijver en activist tegen kolonialisme en racisme het alsnog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden