Opinie

'Als kind dacht ik aan oorlog: de oorlog die ik op tv had gezien'

Je kunt de geschiedenis niet onder een stolp zetten en ervoor zorgen dat de tijd er geen vat op krijgt, vindt kunstenaar Maurits de Bruijn. 'Het lijkt me verstandiger die veranderende tijdgeest te ontrafelen en te bekijken wat er voor nodig is om alle inwoners van dit land bij de Nationale Herdenking te blijven betrekken.'

Archieffoto: Veteranen wachten op de herdenking bij het Nationaal Monument op de DamBeeld anp

Iedere Koninginnedag laait de discussie over het belang en behoud van de monarchie weer op. De discussie omtrent de Nationale Herdenking lijkt op eenzelfde lot af te stevenen. Hans Vuijsje, directeur van Stichting Joods Maatschappelijk Werk loste het startschot en schreef in de Volkskrant dat de Nationale Herdenking weer terug zou moet naar de oorsprong en haalde tegelijk de verruwing in de samenleving aan en de vermindering van de aandacht voor de Jodenvervolging tijdens de oorlog.

Ik ben een Joodse Nederlander van achtentwintig jaar. Mijn relatie tot de Tweede Wereldoorlog laat ik in dit stuk buiten beschouwing. Die zou, juist in deze discussie, niet mee moeten spelen, zoals het tijdens een herdenking niet ter zake zou moeten doen. Voor leedvergelijking zou tijdens deze bijeenkomsten geen plaats moeten zijn. In plaats daarvan zouden we op zoek moeten gaan naar wederzijdse herkenning en verbroedering.

Kind
Als jong kind stond ik met een bos rood, wit, blauwe bloemen in mijn kleine handen nerveus te wachten bij het plaatselijke monument tot ik de bos mocht leggen. Ik was bang dat iemand mij plotseling zou vragen wat doe je hier? Zelf vond ik het een nogal raar gezicht: een kleine jongen met een groot boeket, netjes aangekleed zoals jongetjes van onder de tien zich netjes aankleden, die achter een handvol witharige mannen in uniform stond te wachten op zijn beurt.

Meneer Vuijsje schrijft in zijn betoog over de oorsprong van de herdenking. Over die oorsprong, die tussen 1940 en 1945 plaatsvond, wordt gepraat op basisscholen en middelbare scholen. Over die oorsprong kan men leren in verschillende Nederlandse musea. Die oorsprong draagt elke Jood en elke niet-Jood met zich mee en is niet in gevaar. Die oorsprong valt niet in een ceremonie te vatten.

Laat de herdenking met zijn tijd meegaan. Wees je als prominent lid van de Joodse gemeenschap bewust de veranderende tijdgeest. Geschiedschrijving vervormt door de jaren heen, het verhaal dat op de scholen wordt verteld zal niet hetzelfde blijven en over vijftig jaar kijken we niet hetzelfde tegen de Tweede Wereldoorlog aan als nu. Je kunt de geschiedenis niet onder een stolp zetten en ervoor zorgen dat de tijd er geen vat op krijgt. Het lijkt me verstandiger die veranderende tijdgeest te ontrafelen en te bekijken wat er voor nodig is om alle inwoners van dit land bij de Nationale Herdenking te blijven betrekken.

Draagvlak
Terecht noemt Vuijsje in zijn betoog dat de generatie die de oorlog heeft meegemaakt langzaam verdwijnt. Te meer reden om op zoek te gaan naar manieren om de Nationale Herdenking relevant te laten blijven voor alle Nederlanders. Het draagvlak voor de herdenking moet in stand gehouden worden en niemand mag zich buitengesloten voelen van deze ceremonie.

Tijdens die kleine herdenkingen in mijn geboortedorp heeft nooit iemand mij gevraagd 'wat doe je hier?' of 'waar denk je aan?'. Mijn bos bloemen was opgemaakt uit de nationale driekleur en liet zich niet makkelijk duiden. Als kind van nog geen tien jaar oud dacht ik aan oorlog: de oorlog die ik op tv had gezien, de honger en de pijn, de wonden die ik op het journaal zag. Oorlogen overal dus. De Hutu's en de Tutsi's en Bosniërs en Serviërs. Waarschijnlijk hebben de verhalen van oorlogen ver weg ervoor gezorgd dat ik iets begreep van het leed dat ik en de witharige mannen stonden te gedenken.

Het thema dat Comité 4 en 5 mei dit jaar uitkoos is 'Vrijheid spreken we af.' Wat mij betreft staat die vrijheid voor de ruimte te herdenken wat men wil gedenken tijdens die twee minuten. Laten we niemand buitensluiten, laten we als Joden tussen andere Nederlanders blijven staan zodat we op hun begrip kunnen blijven rekenen. Laten we ervoor proberen te zorgen dat mensen zich blijven herkennen in dat wat wordt herdacht en laat er ruimte bestaan voor een meer hedendaagse invulling van de herdenking.

Het algemene karakter van de herdenking dat kwetsend zou zijn voor de Joodse Nederlanders noem ik liever het verbindende karakter en is nodig om de herdenking relevant te houden en van deze tijd te laten zijn. De waarde van de Dodenherdenking neemt niet af vanwege verbreding maar zal in Nederlanders blijven resoneren als omgekomen soldaten in Uruzgan of andere oorlogsslachtoffers herdacht mogen worden.

Zoals ik uit persoonlijke ervaring weet, verwatert leed niet maar moet je naar manieren op zoek om het te kunnen delen. Om iemand anders in de ogen te kunnen kijken en je niet langer alleen te voelen. Door niet te zeggen dit leed is alleen van mij maar dit leed lijkt op dat van jou. Alleen zo zal het leed van Nederlandse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog een verhaal blijven dat wordt verteld en op een begripvolle toehoorder kan rekenen.

Maurits de Bruijn (1984) werkt als journalist en beeldend kunstenaar en studeerde Beeld en Taal aan de Rietveld Academie. Broer is zijn debuutroman.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden