interview

‘Als ik eerlijk ben, ben ik wel vol van mezelf’

Gijs Groenteman: ‘Mensen zien mij als een soort lieve teddybeer, maar dat ben ik niet.’ Beeld Jouk Oosterhof
Gijs Groenteman: ‘Mensen zien mij als een soort lieve teddybeer, maar dat ben ik niet.’Beeld Jouk Oosterhof

Na lang ploeteren in de journalistiek heeft Gijs Groenteman (47) zijn carrière eindelijk op de rails: hij is een van ’s lands bekendste podcastmakers. Het succes had ook positieve gevolgen voor de soms ingewikkelde relatie met zijn moeder. ‘Het was ook te hecht, voor een klein kind.’

‘Het ergst vind ik het als ik een podcast terugluister en mezelf dan zo slijmerig hoor lachen. Of als ik, om de boel op gang te helpen, zélf een leuk verhaal ga vertellen. Dat ik ga zeggen wat ik zelf van iets vind. Ugh, walgelijk. Wálgelijk. Dat is natuurlijk de valkuil, dat je denkt dat een interview een uitwisseling van gedachten is, dat het leuk of gezellig moet zijn. Terwijl: je bent als interviewer gewoon een bloedzuiger. Je bent alleen maar aan het hálen. En dat is er precies zo heerlijk aan. Het is toch heerlijk Sara, vind jij niet? Het is toch súperleuk om te doen?’

Gijs Groenteman (47) zit achter een ginger ale met munt op het terras van het Amsterdamse Lloyd Hotel. Bij hem thuis afspreken kon niet, want daar zijn echtgenote Aaf Brandt Corstius, columnist, en hun twee kinderen Benjamin (11) en Rifka (10). Qua sfeertekening hoeft dat geen probleem te zijn, appt hij van tevoren, ‘ik vertel je op het terras wel hoe ik koffie voor je had gezet en welke koekjes ik erbij had geserveerd.’

Zo namelijk: ‘Ik had koffie gezet in een percolator, in onze gezellige, beetje rommelige Piet Zwart-keuken. Ideaal gesproken was ik voor de koekjes naar Holtkamp geweest, maar waarschijnlijk had ik daar niet de tijd of de aandacht voor gehad – enige achteloosheid is me niet vreemd – dus zou ik ze bij de bakker om de hoek hebben gehaald. Ik was waarschijnlijk niet tot het gaatje gegaan, qua koekjes, maar ik wil wel een aardige gastheer zijn. En als je koffie verkeerd had gewild, dan had ik met plezier en liefde melk voor je warm gemaakt.’

De podcast is zijn ‘redding’ geweest, zegt Groenteman. Na ‘jarenlang ploeteren’ in de radio-, televisie- en geschreven journalistiek begon hij in 2016 met De Grote Harry Bannink Podcast, waarin hij in 44 afleveringen, soms wel anderhalf of twee uur, met iemand spreekt die nauw met de componist (Ja zuster, nee zuster, Stratemakeropzeeshow, Klokhuis) heeft samengewerkt. ‘Een krankzinnig project, ontstaan vanuit mijn eigen mateloze fascinatie. Ik wist: dit zou nooit door een omroep worden gemaakt, en dat is precies waarom het zo goed voelde. Lekker anderhalf uur met Hans Dorrestijn praten, naar die liedjes luisteren, dat Dorrestijn in huilen uitbarst en dat ik dan zeg: ‘Jezus Hans, het is toch wat.’ De essentie van podcasten is dat je met nul middelen – een recorder van 80 euro en een laptop – iets de wereld in kan sturen. Ik zei altijd: ik maak dit voor twee homoseksuele theaterwetenschappers en mijn moeder. Ik had nooit verwacht dat het aanhang zou vinden, maar dat gebeurde wel. Het was voor het eerst dat ik ergens succes mee had. Ik kreeg honderden mailtjes. Mensen waren dankbaar. Ik deed het ook gratis, natuurlijk. Ik deed het écht totally om niet.’

Groenteman maakt nu drie podcasts per week, die allemaal in de top van de ranglijstjes staan: voor de Volkskrant maakt hij sinds 2017 een wekelijkse interviewpodcast en presenteert hij een podcast over politiek, met schoolvriend Teun van de Keuken maakt hij sinds eind 2020 de ‘babbelpodcast’ Teun en Gijs vertellen alles, waarin zijn moeder Hanneke Groenteman zich wekelijks telefonisch meldt voor een praatje. Ook is hij een van de presentatoren van radioprogramma Kunststof, maakt hij deel uit van de redactie van NTR-culthit Promenade en presenteert hij samen met zijn goede vriend Marcel van Roosmalen de mediatalkshow Media Inside.

Als interviewer omschrijf je jezelf als ‘deurmat’. Je gaat voor iemand liggen en zegt: loop maar over me heen.

‘Daarmee zeg ik dat ik niet van confronterende interviews hou. Ik wil samen, al pratend, ergens komen. Als interviewer beweeg ik mee met mijn gast. Waarmee ik niet wil beweren dat ik totaal niet kwaadaardig ben. Ik ben me goed bewust van het feit dat een interview entertainment moet zijn.’

En daar heb je soms een beetje kwaadaardigheid voor nodig?

‘Uit reacties op mijn interviews blijkt dat mensen mij zien als een soort lieve teddybeer, maar dat ben ik niet, dat zullen mijn vrienden je vast ook hebben verteld. Mijn interviews voelen voor de geïnterviewden vaak als een warm bad. Maar het ís geen warm bad, het líjkt een warm bad. Je kunt moeilijke vragen ook op een niet-confronterende manier stellen. Dat werkt beter, want mensen vinden het prettig om gehoord en begrepen te worden. Ook buiten mijn werk zit ik trouwens vaak al snel op een wezenlijk niveau met iemand te praten. Dat vragen stellen heeft iets dwangmatigs.’

Waarom vind je het zo prettig om vragen te stellen?

‘Dat is een goede vraag, ik wéét het niet. Ik denk dat het een verdedigingsmechanisme is. Het is een manier om dingen van jezelf weg te houden. Maar ik ben ook oprecht nieuwsgierig. Die hele Sywert-affaire bijvoorbeeld, even los van of het een schande is, ik ben dan gewoon zó mateloos nieuwsgierig naar die jongen. Hoe hij in elkaar zit, wat hem ertoe heeft gebracht, hoe dat in zijn hoofd heeft gefunctioneerd.’

Je vriend Marcel van Roosmalen zegt dat je enorm geniet van Sywert-gate. Je vindt het heerlijk.

‘Als je interviewt, moet je van een goed verhaal houden. Dat weet jij ook. Hoe mensen zichzelf in de nesten werken is interessant, daar draait de hele literatuur om. Je kunt je wel heilig voordoen en zeggen dat je het nieuws over Sywert alleen maar volgt omdat het je zo aangrijpt dat er belastinggeld over de balk is gesmeten, maar het is het menselijke geploeter wat zo’n verhaal heerlijk maakt. Hij heeft de val voor zichzelf opengezet, die moest een keer dichtklappen.’

In je interview met kunstenaar en activist Quinsy Gario zocht hij de confrontatie met jou. Hij verweet je dat je geen inclusieve podcast maakt en gaf je een stuk zeep om je mond mee te spoelen, omdat je in een eerdere aflevering het n-woord had gebruikt. Werkte jouw meebewegende aanpak bij hem?

‘Ik vond dat ik toen erg tekortschoot. Mijn plan was: wat er ook gebeurt, ik ga géén confrontatie aan. Quinsy Gario ís confronterend, en dat is precies de reden dat hij zo belangrijk is geweest in het aanzwengelen van de zwartepietdiscussie, waarin ik overigens geheel aan zijn kant sta. Ik wilde van hem weten wie hij is, hoe dat komt en wie zijn ouders zijn. Een discussie leek me saai. Maar dat was misschien niet goed, om me dat zo vast voor te nemen. Want aan het eind moest ik vaststellen dat hij me de hele tijd de les had zitten lezen en ik niks had teruggezegd.’

Gijs Groenteman Beeld Jouk Oosterhof
Gijs GroentemanBeeld Jouk Oosterhof

Het lastige was dat hij met een beschuldiging kwam – jij zou het n-woord hebben gebruikt – waarvan jij je niet kon herinneren of dat zo was.

‘Daar was ik natuurlijk helemaal door van slag. Want ik wist het niet meer. Ik bleek het inderdaad gezegd te hebben, in citerende zin: ik had aan een gast gevraagd of hij vond dat je dat woord nog mag zeggen. Maar volgens de regels van Quinsy en een heleboel anderen mag ik het n-woord in geen enkele context uitspreken. Dat gaat ver, vind ik. Het voelde alsof ik door een spiegelpaleis liep, ik verdwaalde in wat mag en niet mag, sloeg een hoek om en liep weer tegen een nieuwe muur op. Ik was gewend in een keurig links hoekje te zitten, en opeens vond iemand me fout.’

De podcast die je met Teun maakt is er ‘om lekker links lekker rijk in je witte wijk van te genieten’ en heeft als motto ‘de elite slaat terug’. Waarom vonden jullie het tijd voor een tegengeluid?

‘Teun en ik zijn ons natuurlijk volledig bewust van onze achtergrond, we zijn opgegroeid in de linkse culturele elite en kennen elkaar van het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. We zijn twee bijna 50-jarige linkse, bekakte witte grachtengordelmannen. Dat is zo, dus dan is het leuk om daar juist pal voor te gaan staan.’

Daarmee impliceer je dat het eigenlijk iets is waar je je een beetje voor schaamt.

‘Nee hoor, maar het zou wel een beter verhaal zijn als ik uit een armlastig milieu in Emmen was gekomen. Dat is het piepkleine onrecht wat Teun en mij is aangedaan: het heet een bevoorrechte positie te zijn, die van ons, en dat is het natuurlijk ook, maar als je functioneert in de wereld van de media en carrière wil maken bij de NPO, dan is het, momenteel, niet de meest gunstige achtergrond die je kunt hebben. Een heleboel vinkjes heb je niet.’

Was het lastig om als interviewer de zoon van VPRO-coryfee Hanneke Groenteman te zijn?

‘Ja, ik heb wel eens gedacht: wat ben ik eigenlijk een debiel dat ik me in deze wereld ga begeven. Een wereld die ik zó op mijn duimpje ken en waarin iedereen mijn moeder kent. Je interviewt wel eens mensen die tegen de klippen op kunstenaar zijn geworden, zonder dat daar in de omgeving van hun jeugd enige bedding voor was. Dan heb je echt een weg afgelegd. Voor mij was het geen revolutionaire keuze.’

Maar waar zit dan het nadeel, van die achtergrond?

‘Als omroepbazen mij zien, denken ze: dat is die gekke jongen met die kritische ogen en die rare stem, en hij is ook nog het zoontje van Hanneke Groenteman. Dit vul ik in, maar helemaal bezijden de waarheid zal het niet zijn, want het is niet zo dat ik ooit een serieuze aanbieding kreeg. Mijn carrière begon voorspoedig: ik had als twintiger een radioprogramma met Teun, werkte bij Paul de Leeuw op de redactie, was eindredacteur bij Martin Šimek, had een slechtbeluisterd programma op Radio 6. Ik deed van alles, maar op een zeker moment stagneerde het, ineens vielen binnen een paar maanden al mijn klussen weg en er kwam niets voor in de plaats. Ik was midden 30, gescheiden, had een tweeling, Aaf was zwanger dus de derde kwam eraan en iedereen om me heen maakte carrière. Het voelde alsof ik in m’n eentje op het perron was achtergebleven terwijl de rest doordenderde.’

Was je jaloers op het succes van Aaf en Teun?

‘Op Teun zeker. Niet dat ik hem wat dan ook misgunde, maar dat was af en toe lastig. Op Aaf niet, omdat ik nooit columnist heb willen zijn. In bed lag ik te somberen: kom ik hier ooit uit, of moet ik tot mijn pensioen Lieke van Lexmond interviewen voor de Veronica Gids? Als ik naar Kunststof of Nooit meer slapen luisterde, of naar de opvolgers van Martin Šimek op zaterdag – Filemon Wesselink, Patrick Lodiers, Eus – dacht ik: dit kan ik net zo goed of beter. Daar werd ik krankzinnig van, maar ik kon mezelf gewoon niet verkopen. Ik denk in problemen, niet in mogelijkheden of kansen. Ik ben niet depressief van aard, ik zou mezelf eerder mismoedig noemen, maar qua zelfbeeld was het geen zonnige tijd.’

En toen begon je met Marcel van Roosmalen een pannenkoekencaravan. Was dat serieus?

‘Ja, die pannenkoekencaravan kwam voort uit precies dit gevoel, waar Marcel toen ook last van had. Laten we in godsnaam iets anders gaan doen, zeiden we tegen elkaar, laten we ladingen pannenkoeken gaan verkopen en bakken met zwart geld gaan verdienen. Nou, dat bleek nog veel lastiger dan naam maken in de journalistiek. Streetfood is een keiharde business. Na de braderie in Harderwijk en de Velper Donderdagen, waar we letterlijk niks verdienden, wisten we: in de provincie verkoop je geen pannenkoek. Daarna kregen we nog een keer knallende ruzie omdat ik directief tegen Marcel had gesproken en hij daar totaal niet tegen kan. Het avontuur heeft een jaar geduurd.’

Marcel zei: het is erg vervelend om ruzie met Gijs te hebben. Hij noemt je ‘absoluut geen deurmat’.

‘Ik bén ook helemaal geen deurmat. Ik ben misschien wat minder aan het woord dan veel van mijn vrienden, maar je merkt aan mij wel duidelijk wat ik ergens van vind. Gek toch, hoe dat werkt? Mijn moeder heeft dat ook, aan haar merk je ook meteen hoe ze zich voelt, de kamer neemt als het ware de kleur van haar stemming aan.’

Zij zegt dan weer dat dat vooral jouw gevoeligheid is ten aanzien van haar.

‘Nee, zij wéét het gewoon niet van zichzelf. Mijn moeder is eigenlijk een hele grote hond die denkt dat ze een heel klein hondje is. Ze wil lekker tegen je op springen en op schoot, en heeft niet door hoe overrompelend dat is. Dit zei ik laatst tegen Aaf, en Aaf zei: ‘Maar zo ben jij eigenlijk ook.’’

Je zei eerder dat dat dwangmatige vragenstellen een verdedigingsmechanisme is. Waarom wil je de aandacht bij jezelf weghouden?

‘A, ik vind vragenstellen gewoon leuk. Ik vermaak me ermee.’

null Beeld Jouk Oosterhof
Beeld Jouk Oosterhof

Dat maakt het nog geen verdedigingsmechanisme.

‘Ik ben ook pas bij A. Want B, het is natuurlijk ook gewoon een manier om mijn verlegenheid weg te bluffen. Als ik zelf aan een verhaal begin denk ik al snel: dit is oninteressant, ze zitten er niet op te wachten. Zo draai ik mezelf vast in mijn eigen gedachten. Vragen stellen is makkelijker. Ik had laatst met Teun een fotoshoot, voor de Vogue Living. Teun is dan de hele tijd een show aan het opvoeren, grapjes aan het maken. En ik zit aan de grimeuse te vragen hoe lang ze dat werk al doet. Na afloop vroeg Teun vol ongeloof: ‘Interesseert jou dat nou echt?’ Ja, zei ik, ik vind dat leuk om van die mensen te weten. Maar alles wat anders is dan één-op-één vind ik ongemakkelijk, dan betrek ik mijn stellingen.’

Is die verlegenheid een handicap?

‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een zoon van 20 die helemaal niet verlegen is, die is zo ongeveer de minst verlegen persoon die ik ken. Ik kijk naar hem als naar een soort wereldwonder. Hij is ook nog eens lang en gespierd. Hoe kan het dat hij de wereld zo open tegemoet treedt, met iedereen praatjes maakt, daar zo totaal ontspannen in lijkt te zijn, en tegelijkertijd mijn zoon is? Daar ben ik wel eens jaloers op. Nee, ik vind het niet bepaald een feest om verlegen te zijn. Ik ben ook nog eens geen drinker, ik heb nooit geleerd om flink alcohol tot me te nemen zodat mijn remmingen wegvallen. Dat heeft me in sociaal opzicht wel beperkt. En ook maatschappelijk. Omdat ik op borrels totaal niet functioneer. De kerstborrel van een uitgeverij, van de Volkskrant of de Vara Gids, voor mij zijn dat horrorbijeenkomsten, bedreigende situaties. Dan zeg ik dat ik niet kan. Want zonder drank kom je gewoon niet door die barrière heen.’

Drink je helemaal niet?

‘Inmiddels heb ik de gin-tonic ontdekt en gaat het iets beter. Ik doe mijn best om een beetje te drinken. Maar ik ben er niet mee opgevoed, mijn moeder drinkt niet, en het is ook later nooit echt iets geworden tussen mij en de alcohol.’

Terwijl jouw vader…

‘Een totale alcoholist was. Die dronk aan een stuk door, maar hem leerde ik pas kennen toen ik 23 was. Naast zijn bed stond ook een glas rode wijn, met een rietje erin. Voor als hij ’s nachts wakker werd. Het was echt een soort infuus waaraan hij lag. Ondanks al dat drinken heb ik overigens nooit een spoortje dronkenschap bij hem gezien.’

Was drinken voor hem een manier om zijn verlegenheid te overwinnen, denk je?

‘Dat zou kunnen. Die verlegenheid heb ik in ieder geval niet van mijn moeder. Mijn vader had een horeca-imperiumpje in Amsterdam, De Prins, De Pels, en nog een paar cafés. Hij begaf zich dus constant in sociale situaties, maar altijd in de rol van café-eigenaar. Eigenlijk denk ik dat ik erg op hem lijk, in de manier waarop ik me verhoud tot de rest van de wereld. Veel meer op hem dan op mijn moeder.’

Waarom leerde je hem pas kennen op je 23ste?

‘Het was zijn keuze om niet als vader in mijn leven te zijn . Mijn ouders hadden nooit een relatie, maar mijn moeder wilde een kind en werd zwanger van hem. Eerst van een meisje dat vlak na de geboorte overleed, Gijsje. En toen dus nog een keer. Hij wilde een abortus, maar mijn moeder zei tegen hem: ik voed het kind op en zal je verder niets vragen. Zo is het gegaan, en ze heeft nooit een kwaad woord over hem gezegd. Nooit: ‘Die lul wil jou niet zien.’ Hij was gewoon niet in voor het vaderschap, althans: van mij. Want hij had nog een oudere zoon van wie hij wel gewoon de vader was.’

Had je als kind ooit de neiging hem op te zoeken?

‘Ik was denk ik én nieuwsgierig en ten diepste heel bang voor de afwijzing. Ik ging mezelf niet opdringen, want hij zat niet op mij te wachten. Zoals ik nog steeds denk dat mensen niet op mij zitten te wachten. Toen ik een jaar of 7 was, heeft mijn moeder een poging gedaan om ons elkaar voor te stellen, ik ben toen een dagje met hem op pad geweest. Maar hij noch ik had toen de sociale souplesse om dat makkelijk te laten verlopen.’

null Beeld Jouk Oosterhof
Beeld Jouk Oosterhof

Wat kun je je van die dag herinneren?

‘Flarden: de auto die hij had, dat ik chocoladesigaretten van hem kreeg. Het ongemak, wat je tegenwoordig ‘cringe’ zou noemen. Het was geen dag waarvan je denkt: hier kunnen we lekker op voortbouwen. Zijn café-imperium was na een periode van groot succes toen al failliet. Alle cafés waren verkocht, hij voelde zich een has been in Amsterdam, de zwaarte van die mislukking drukte op hem. Veel later, toen ik begin 20 was, hebben we afgesproken in De Pool, een van zijn oude cafés, en toen heb ik hem daar onder een spervuur aan vragen bedolven. Daarna kregen we een leuk contact. Ik ben zo blij dat ik het wéét, wie hij was, hoe hij eruitzag, hoe hij door het leven ging. Later zei hij: ik vind het stom van mezelf dat ik je niet gewoon altijd heb willen zien. Hij heeft zijn spijt betuigd over zijn eigen terughoudendheid, dat vond ik lief.’

Heb je het hem ooit kwalijk genomen?

‘Nooit, nooit, nooit. De laatste jaren was zijn gezondheid slecht, hij kwam zijn huis nauwelijks meer uit. Dan kon hij soms bokkig worden als ik de telefoon niet opnam. Nou, dat verdroeg ik totáál niet. Toen hij een klein claimpje op mij ging leggen, voelde ik duidelijk: nee, ik ga niet op afroep beschikbaar zijn. Dat was bijna een fysieke reactie. Zo diep zat het dus wel.’

In 2005 schreef Groenteman een biografie van Ischa Meijer, samengesteld uit dertig interviews met vrienden, familie en ex-vriendinnen. In het voorwoord haalt hij het interview aan dat Meijer in 1984 voor Vrij Nederland maakte met zijn moeder, waarin zij vertelt over de symbiotische relatie met de dan 10-jarige Gijs (‘Hij is mijn gedroomde vriend. Jammer dat hij in zo’n klein lijfje steekt’). Groenteman: ‘Ik vind het nog steeds gênant om terug te lezen. Ik héb het ook nauwelijks teruggelezen. Ik denk maar één of twee keer.’

Wat vind je er zo vreselijk aan?

‘Het is te pijnlijk, te intiem. Mijn moeder zegt overigens dat Ischa de helft heeft verzonnen, dat het is aangedikt.’

Geloof jij dat?

‘Ischa had er een handje van om dingen in te kleuren, maar ik denk dat hij hier de essentie te pakken had van hoe wij waren. Precies dat is wat het zo ongemakkelijk maakt. Omdat het over mij gaat, maar ik zelf niet graag mijn ziel en zaligheid op tafel gooi. Mijn moeder en ik hadden een fantastische relatie. Het was intiem, we konden het enorm met elkaar vinden, qua humor en denken vulden we elkaar aan en daagden we elkaar uit. Maar het was ook te hecht, voor een klein kind. Mijn moeder is een grote persoonlijkheid met een wispelturig humeur. Ik denk dat ik dat als kind te ongefilterd tot me heb gekregen. We hadden explosieve en hevige ruzies. Het is goed dat ik karakterologisch meer op mijn vader lijk, als ik op haar had geleken dan was op dat verdiepinkje in de Van Eeghenstraat de Derde Wereldoorlog uitgebroken. Het zat niet in mijn karakter om te zeggen: zoek het uit, ik ga met mijn lego spelen. Ik wilde het altijd goedmaken, ik wilde helpen.’

Hij frunnikt aan zijn oor. ‘Als ik er nu over nadenk, lijkt het verloop van onze carrières best op elkaar. Zij heeft lang geworsteld, bij de Vara. Ze was alleenstaande moeder, voelde zich altijd te dik, het ging altijd over Astrid Joosten en Karin Bloemen terwijl zij moest vechten voor haar plekje bij de radio. En ze had natuurlijk nooit een partner met wie ze het allemaal kon bespreken. Voor mij als 8-jarige voelde de kwestie ‘of zij met hoofdstuk 10 zou gaan’, wat een soort afvloeiingsregeling bij de Vara was, als een prominent probleem. Het is geen trauma, maar ik denk dat ik veel heb moeten absorberen. Ik was toegewijd aan haar. Ik wilde dat het goed met haar ging en vond dat ik daar een rol in moest spelen. In plaats van wat de meeste kinderen denken: dat is de grotemensenwereld en ik heb daar niks mee te maken. Ik wás het voor haar, en zij was het voor mij.’

Wanneer stopte die toewijding aan je moeder?

‘Toen ik diep in mijn twintiger jaren in de puberteit raakte, rond de geboorte van mijn tweeling. Ik kreeg jong kinderen, ik was 26 omdat Willemijn tien jaar ouder was. Mijn moeder en ik maakten altijd al ruzie, maar vanaf toen werden het losmaakruzies. Mijn toenmalige vrouw is iemand die goed haar eigen terrein afbakent. Ik denk dat zij in het klaren van dit klusje belangrijk is geweest. Zij vond: we hebben nu twee baby’s, we gaan niet ook nog de hele tijd een schoonmoeder in het huishouden binnenlaten. Mijn moeder had, al zal ze zich dat zelf misschien niet zo herinneren, tot dat moment het gevoel dat ze over mij kon beschikken. En ik liet over me beschikken. Ook nadat ik uit huis ging, belden we elke avond rond zeven uur. Het moest afstandelijker. De piketpaaltjes moesten anders geslagen worden, anders was ik voor eeuwig een achter z’n moeder aan lopend weekdier gebleven. Toen ik aan dat gevoel eenmaal toegaf, kwam er een diepe kracht los.’

Hoe lang heeft het losmaakproces geduurd?

‘O, jaren. Dat ging schoksgewijs. We zijn gelukkig nooit echt gebrouilleerd geraakt, en dat is maar goed ook, want dan was de wederzijdse obsessie alleen maar gegroeid. Ik heb wel eens geroepen dat ik haar nooit meer wilde zien, en dat heb ik ook wel eens een paar weken volgehouden, maar dan begon het toch te knagen, vooral vanwege de kinderen. Zij houdt net zoveel van mijn kinderen als ik, dus ik voelde een gigantisch schuldgevoel bij elke dag dat ik haar die kinderen onthield.’

Laconiek: ‘Ach ja, het zijn van die dingen waar je doorheen moet in het leven. Teun en ik bellen haar nu wekelijks in onze podcast. Mijn moeder is dan altijd volstrekt eerlijk, direct en ongegeneerd. En ze spaart zichzelf niet, sterker nog: ze legt er eer in om zichzelf helemaal naar beneden te halen.’

Teun en jij doen dat ook, maar bij jullie ligt er een dikke laag ironie overheen.

‘Vind je dat mannelijk koket?’

Wel een beetje. De lijn tussen zelfrelativering en zelffelicitatie is dun.

‘Toen we net begonnen, kreeg Teun een totale obsessie voor de podcast-ranglijstjes en de luistercijfers. Dat ergerde me, en die irritatie bespraken we in de podcast. Teun ging dan echt zitten inhakken op zijn eigen competitiedrang. Dat vindt hij écht onaangenaam aan zichzelf. Dat is geen koketterie, hij was kapot na afloop. Dat ging diep.’

Maar de veronderstelling die er onder ligt is wel dat het voor anderen interessant en grappig is om naar die minutenlange zelfanalyse te luisteren. Is dat dan niet een beetje koket?

‘Ja, nou ja, het is een babbelpodcast, en daar ligt aan ten grondslag dat je gaat zitten en er maar vanuit gaat dat je eigen geklets leuk is om naar te luisteren. Dat vind ik er ook heus moeilijk aan.’

Doe jij ook aan keiharde zelfanalyse?

‘Ik ben zelf, in tegenstelling tot Teun, heel on-neurotisch. Ik wil aan zelfreflectie doen, maar wat zijn mijn slechte kanten? Ik ben lui, kan chagrijnig zijn, en als ik zeg dat ik de tegelboer ga bellen dan doe ik dat vaak niet. Kortom: oninteressant. En, nou ja, ik heb over veel mensen mijn oordeel klaar. Die kan er niks van, dat is een non-valeur. Misschien heb ik wel iets arrogants, in die zin. Onzeker en arrogant gaan natuurlijk hand in hand. De kritische manier waarop je jezelf bekijkt, zo kijk je ook naar de rest. Ik heb altijd geweten dat ik ten diepste een interviewer ben en beschouwde redactiewerk als minder, vond het zelfs vervelend. Omdat ik dacht: dat kan ik beter. Behalve bij Martin Šimek. Dus ja, als ik eerlijk ben, ben ik wel vol van mezelf.’

Geldt dat ook voor het presenteren van een talkshow op televisie?

‘Jezus Christus, wat zou ik graag een écht leuke talkshow willen maken. Ik heb met Marcel van Roosmalen nu vijf afleveringen van Media Inside gemaakt, en ik denk dat als je ons vijf dagen per week een programma zou geven, waarin ik kan interviewen en hij kan verstoren, dat dat fantastisch zou kunnen worden. Ik denk dat ik spannender kan interviewen dan Renze Klamer, Margriet van der Linden en dat hele stel kleuterleiders van Op1, en dat Marcel zo’n programma spectaculair zou kunnen maken. Denk je dat het onzin is? Vroeger dacht je toch nog wel eens: wie zou er vanavond bij Barend & Van Dorp zitten? Of bij DWDD? Je was benieuwd. Nou, those days are over.’

Wat vond je van je eigen optreden als presentator van Media Inside?

‘Eh, lerend. Dat gestaar van mij in die autocue zag er ongemakkelijk en amateuristisch uit. Mijn moeder heeft me nog autocue-les gegeven, kun je nagaan.’

Voor haar was het een kantelpunt in jullie relatie, zei ze. Dat je haar dat vroeg.

‘Omdat ik verder nooit wat van haar aanneem, vindt zij. En dat klopt ook wel. Maar hiervan dacht ik: jij bent hier beter in dan ik, dus waarom niet. Ze zei dat ik meer met mijn hoofd moest bewegen. En dat je je op televisie altijd een beetje moet aanstellen.’

Ze zei: ‘Onze verhouding is door zijn huidige succes gezuiverd.’

‘Interessante theorie. Of misschien is onze verhouding verbeterd doordat we allebei ouder zijn, doordat uit haar ook een soort ongenoegen over het leven is weggevloeid, haar dringende ambitie en geldingsdrang zijn geluwd. Wat klopt, is dat ik me niet meer door de buitenwereld tekortgedaan voel. Dat ik niet meer het gevoel heb dat haar succes, of haar status, mijn succes in de weg staat.’

Korte stilte. ‘Het is wat hè, Sara.’

Zeg dat wel.

‘Hè hè. Kan je hier wat mee, vragen mensen dan, na een interview. Kan je hier wat mee? Ik zeg dan altijd: nee, ik denk dat ik hier niks mee kan, volgens mij is het mislukt. Ik haat het eigenlijk als een geïnterviewde zelf het interview gaat afronden. Word ik heel opstandig van.’

Podcast

Luister naar Gijs Groenteman (en columnist Sheila Sitalsing, hoofdredacteur Pieter Klok, chef politiek Raoul du Pré en politiek verslaggever Natalie Righton) in de politieke podcast De kamer van Klok. Op vrijdag nemen zij het politieke nieuws door. Deze week: Sigrid Kaag legt de lat hoog, maar komt er zelf ook niet altijd overheen. Hoe terecht is de felle kritiek op de leider van D66?


CV Gijs Groenteman

1974 Geboren op 29 januari.

1997 Redactie Laat de Leeuw (Vara).

1997 Teun Vuur Gijs (VPRO Radio).

2003 De Willem Ruis Show (biografie).

2005 Ischa, verhalen van vrienden, familie en vrouwen (biografie).

2007 Het Gesprek.

2007 Eindredacteur Simek ’s Nachts.

2009 Interviews in Het Parool.

2015 Column in Het Parool.

2017 De Grote Harry Bannink Podcast.

2017 Podcasts voor de Volkskrant.

2019 Presentatie Kunststof (NTR).

2019 Redactie Promenade (NTR).

2021 Presentatie Media Inside, tweede seizoen start 13 augustus (BNNVara).

Credits bij deze productie:

Fotografie: Jouk Oosterhof, styling: Analik Brouwer, haar & make-up: Patricia van Heumen, assistent: Bryndis Ragna Brynjolfsdottir. Met dank aan de familie Kracht voor de locatie.

Camel corduroy pak : van Groenteman. Bruin corduroy overhemd : Zipper.

Donkerbruin corduroy overhemd : Zipper, donkerbruin colbert : Strellson

Grijs double breasted colbert : Strellson, licht-grijs corduroy overhemd : Zipper, beige linnen overhemd: Strellson

Aubergine paars trainingsjack : Zipper, overhemd: Strellson, camel corduroy pantalon : van Groenteman.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden