Interview Martin Broek

Als een van de laatste activisten bestrijdt Martin Broek de wapenhandel: ‘Niet alles wat legaal is, is goed’

In de jaren tachtig was in Nederland het verzet tegen kernwapens massaal. Dat was toen. Nu is Martin Broek een van de weinige overgebleven activisten tegen wapenhandel. Per tweet, want hij leeft noodgedwongen in de luwte.

Martin Broek: ‘De dreiging die uitgaat van de wapenindustrie is tegenwoordig minder zichtbaar.’ Beeld Linelle Deunk

‘Franse wapenexport naar Saoedi-Arabië stijgt met 50 procent.’ ‘Ruslands grootste wapenproducent Rostec trekt zich terug uit Venezuela vanwege late betalingen.’ ‘Israël ontkent wapenlevering aan Myanmar, maar afgevaardigden bezoeken nog steeds de wapenbeurs in Tel Aviv.’

Zo verstuurt anti-wapenhandelactivist Martin Broek (57) vrijwel elke ochtend een stuk of vijf tweets in het Engels. Het is een vast onderdeel van zijn ochtendritueel: opstaan, ontbijten, mail en kranten doorspitten en alles wat met legale wapenhandel te maken heeft samenvatten in 280 tekens en de wereld insturen via Twitter.

Hij kent de wapenlobby, de fabrikanten, de kopers. En hij kent de regels van de Nederlandse overheid rondom wapenhandel en voelt zich thuis in dikke dossiers vol overheidsjargon. Alles wat Broek opvalt, wordt een tweet. ‘Want niet alles wat legaal is, is goed’, luidt zijn twittermotto.

Martin Broek is al ruim dertig jaar actief tegen de wapenindustrie. Eerst als activist binnen de vredesbeweging, later als activistisch onderzoeker voor de stichting Stop Wapenhandel. Hij schreef twee boeken over zijn bevindingen: over de oorlog in Irak en een over de rol van de Nederlandse regering bij wapenhandel. Op de top van zijn onderzoekscarrière schoof hij geregeld aan bij praatprogramma’s en vond een luisterend oor in de Tweede Kamer.

Maar dat was toen Nieuwsuur nog Nova heette en EenVandaag nog TweeVandaag; Broek leidt nu noodgedwongen een teruggetrokken leven.

Af en toe schrijft hij nog een blog voor Stop Wapenhandel. ‘Ik twitter vooral omdat het een korte tijd- en aandachtspanne nodig heeft. Het is een nuttige bijdrage aan mijn rol in de wereld, ideaal voor halfversleten types zoals ik’, zegt Broek. Want veel tijd op een dag heeft hij niet. Hij heeft polyneuropathie, een aandoening die de zenuwen aantast. Het betekent leven met een lijf dat constant de verkeerde signalen uitzendt: jeuk, tintelingen en – zoals in Broeks geval – pijn.

Dat was ook de reden dat hij aanvankelijk het interviewverzoek van deze krant naast zich neerlegde. Een uur geconcentreerd praten betekent de rest van de dag rust houden. Maar ook: pijn. Hoe meer inspanning, hoe meer zijn zenuwen hem laten weten dat ze niet meewerken. The hard way: door pijnsignalen naar zijn brein te sturen. ‘De energie die ik heb op een dag is als een portemonnee met muntjes. Ik kan ze maar één keer uitgeven.’ Met een goede nachtrust is de portemonnee de volgende dag weer vol, maar met pech kan het dagen duren voor Broek is hersteld als hij zichzelf is voorbijgelopen.

Handvol mensen over

Broek is een van de weinige overgebleven activisten tegen wapenhandel in Nederland. Van een brede volksbeweging in de jaren zeventig en tachtig is er nog een handvol mensen over die de internationale wapenstromen en de rol van de Nederlandse staat of Nederlandse bedrijven daarin in de gaten houdt. ‘Het zijn nog een aantal professionals, semiprofessionals zoals ik en een paar vrijwilligers, maar het zijn toch vaak dezelfde namen.’ Een deel van zijn medestrijders is iets anders gaan doen of zocht ‘een degelijker baan’. ‘Bovendien was ik een van de jonkies. Een deel is overleden of al met pensioen.’

‘Eigenlijk is dat gek’, zegt Broek. ‘Sinds ik begonnen ben, is de wapenhandel in Nederland alleen maar gegroeid.’ Zo verhandelde Nederland in 2012 zijn laatste tanks – van een divisie van bijna duizend stuks (ook het op de markt brengen van tweedehandswapentuig valt onder wapenhandel). Bovendien is de Nederlandse wapenproductie ingericht op het leveren van hoogtechnologische onderdelen. Wereldwijd is de behoefte daaraan alleen maar toegenomen.

Martin Broek. Beeld Linelle Deunk

Dan is er nog Damen Shipyards. De scheepsbouwer nam in 2000 de werf De Schelde in Vlissingen over en bouwt daar niet alleen de schepen voor de Nederlandse marine, maar haalt ook succesvol orders binnen voor oorlogsschepen voor de buitenlandse markt. Broek: ‘Marineschepen zijn dure wapensystemen, dat tikt nogal aan.’

Ook wereldwijd neemt sinds 2004 de wapenhandel weer toe, nadat die na het einde van de Koude Oorlog jarenlang was gedaald: van 2014 tot 2018 werden er bijna 8 procent meer wapens verhandeld dan de vijf jaar daarvoor en 23 procent meer dan van 2004 tot 2008, blijkt uit gegevens van het Zweedse onafhankelijke onderzoeksinstituut Sipri. De stroom wapens richting het Midden-Oosten nam in die twee perioden met 87 procent toe, terwijl die in andere delen van de wereld verminderde.

Toch stroomt het Malieveld of Museumplein niet langer vol, zoals in de jaren tachtig. Geen scholier die staakt om de verkoop van een marineschip aan een land als Pakistan. Op sociale media is #wapenhandel geen levendig onderwerp van discussie, en moet Martin Broek het stellen met 630 volgers, ondanks zijn meer dan tienduizend tweets over wapenhandel.

Jongeren zijn met andere dingen bezig, denkt Broek. ‘Het klimaat is nu een duidelijkere en zichtbaardere dreiging. Dat is naast migratie het grote thema van deze tijd. De dreiging die uitgaat van de wapenindustrie is minder zichtbaar. Weinig mensen die zich druk maken over China, dat op ramkoers ligt met de VS, of over de reële dreiging van een nieuwe Koude Oorlog.’

Democratie beschermen 

Na het afronden van de koksopleiding belandde Martin Broek begin jaren tachtig als 18-jarige matroos in de kombuis van een marineschip. Ook zijn vader had gevaren, als machinist op een commercieel schip. En net als zijn vader monsterde hij aan om het avontuur maar ook uit idealisme. ‘De democratie moest beschermd worden tegen de Russen, dat was wat ik van huis uit had meegekregen. Daarom ging ik bij de marine: die kon tenminste naar de Oostzee varen om daar die Russen tegen te houden.’

Had hij aan het begin nog gedacht dat hij bij een rechtschapen organisatie was beland, eenmaal binnen bleken seksisme en racisme aan de orde van de dag. Niet altijd manifest, maar onmiskenbaar verweven met de toenmalige cultuur bij de marine. ‘‘Spoel alle Tamils door’, stond er op de deur van het toilet. Dat is er nooit afgehaald in de maanden dat ik op dat schip voer. Toen ik bij de officieren kwam te werken dacht ik dat het beter zou zijn, maar daar werd standaard laatdunkend over vrouwen gepraat. Dat er toen nog excessief gedronken kon worden aan boord en in de bar van de kazernes hielp niet. Ik vond dat niet kloppen met de waarden die horen bij de bescherming van de democratie.’

En dat liet hij merken. Hij schroomde niet zijn collega’s aan te spreken op hun gedrag, ook als ze hoger stonden in rang. Of het nu om dronkenschap ging, of racisme. Het leverde hem de bijnaam Roel van Duijn op. ‘Ik had nog geen idee wie dat was toen het voor het eerst door de kazerne werd geschreeuwd. Het bleek een progressieve linkse politicus te zijn.’ Later promoveerde Broek naar Ghandi, maar die bijnaam paste niet helemaal: Broek is geen pacifist. ‘Ik ben niet tegen geweld, maar het is een middel dat je alleen moet inzetten als het echt niet anders kan. Eerder dacht ik daar niet zo over na. Het leger ingaan was een gegeven voor mij.’

In zijn laatste jaar bij de marine voor zijn contract afliep was hij – toen nog belijdend protestant – via de kerk in contact gekomen met de bloeiende vredesbeweging. Het was de tijd dat progressief Nederland en een deel van de protestantse kerken zich massaal verzetten tegen de plaatsing van Navo-kruisraketten op Nederlandse bodem. In 1981 gingen 400 duizend betogers de straat op ‘tegen de bom’ en in 1983 wist de beweging meer dan een half miljoen mensen op de been te brengen in de grootste demonstratie ooit tegen de wapenwedloop met de Sovjet-Unie.

Broek verbaasde zich over het activisme tegen kernwapens. Hij vond het te beperkt. In zijn opleiding tot matroos was hij geconfronteerd met militaire beelden van bloedige wonden door andere wapens. ‘Noem het weekhartig, maar ik sloot mijn ogen bij zwart-witbeelden van stuiptrekkende mannen op wie zenuwgassen werden getest. Uit Vietnam kregen we beelden te zien van soldaten bij wie de darmen eruit waren geblazen door kogels of een granaat.’

De combinatie van het vredesactivisme in zijn kerk, zijn teleurstelling in de marine en de manier waarop de vredesbeweging zichzelf beperkte, maakte Broek steeds actiever tegen wapenhandel. In de nasleep van dat demonstratiesucces in 1987 en 1988 voerde hij samen met andere activisten elke eerste maandag van de maand actie bij een militair doel. ‘Dat ging doorgaans volgens een vast stramien: gingen we zitten, kwam de politie, sleepte ons weg, zette ons in een kooi en liet ons een paar uur later weer vrij.’

Bij een actie in Woensdrecht, waar de kruisraketten geplaatst zouden worden, ging het mis. Vijf minuten voor de actie afgelopen zou zijn kwam de mobiele eenheid, eerst met honden, daarna met paarden, herinnert Broek zich. Ook hij kreeg klappen. ‘Daar was zoveel geweld om niks, het maakte dat ik juist fanatieker wilde meedoen – zoals onrechtvaardigheid de trigger is geweest om de marine te verlaten, zo was onrechtvaardigheid nu de reden om juist door te gaan. Je zou kunnen zeggen dat de kerk me de vredesbeweging heeft ingepraat, en de ME me het radicale deel van de vredesbeweging heeft ingemept.’

Broek kwam terecht bij Amok, het Anti-Militaristisch Onderzoeks Kollektief, een actiegroep die zich in de jaren tachtig en negentig bezighield met informatieverzameling over wapenhandel en onderzoek deed naar de Nederlandse rol daarin. ‘Ik was de enige die bij de marine zat, dus ik kreeg alles op mijn bord wat daarmee te maken had.’

Hoe meer hij te weten kwam, hoe verder zijn verontwaardiging groeide. Hij herinnert zich nog de afschuw die hij voelde bij de oorlog tussen Irak en Iran, waar het Iraakse leger zowel de Koerdische burgerbevolking als de Iraanse soldaten bestookte met gifgas. ‘Saddam Hoessein had het in Nederland besteld en gekregen, in Nederland werd gezegd dat Melchemie het als pesticide aan Saddam had verkocht en dat ze niks wisten van de oorlogsintenties met dat spul.’ Maar waarom haalde chemieconcern KBS uit Terneuzen dan wel een grote lading terug uit Irak uit vrees voor het gebruik ervan in gifgas, vraagt Broek zich af. ‘Het moet bekend zijn geweest.’

Lees verder onder de video

Voor het verhandelen van chemicaliën die Saddam verwerkte tot zenuwgas is één Nederlander veroordeeld: de zakenman Frans van Anraat zat een straf uit van ruim tien jaar wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden. Volgens de rechter heeft hij geweten van het doel van de grote order uit Bagdad in 1987, een jaar voordat Saddam in Halabja vijfduizend Koerden doodde met een gifgasaanval.

Nu nog, in een Amsterdamse café achter een kopje espresso, kan Broek zich er kwaad over maken. ‘Dat die zooi gewoon uit Nederland kwam en naar die oorlog ging, maar ook dat die twee partijen door dezelfde wapenleveranciers werden bevoorraad. Kruit voor zowel de Irakezen als de Iraniërs kwam bijvoorbeeld uit de kruitfabriek uit Muiden.’

Aan het eind van het eerste uur, we hebben afgesproken het interview in drie stukken te doen, staat zijn gezicht strak gespannen, in zijn nek trilt een spier. ‘Als ik niet meer te volgen ben, moet je het zeggen, hè.’ Want dat is het moment dat alle concentratie gaat naar het onderdrukken van de pijn, niet meer naar het gesprek. Het moment om te stoppen.

Bij de tweede afspraak een paar dagen later, in hetzelfde café aan hetzelfde tafeltje, is Broek weer opgeladen. Hij heeft zich voorgenomen ’s middags te gaan fietsen: heen en weer naar Utrecht misschien. Ver en lang in ieder geval. ‘Ik ben de hele dag bezig mezelf af te leiden van de pijn. Fietsen is heel effectief door de dopaminen en endorfinen die ik aanmaak. Na een uur trappen is het leven weer leuk.’

Voor hem ligt een geel opschrijfboekje met dingen die hij heeft opgezocht, anekdotes die hij wil vertellen. Hij maakt, ongebruikelijk voor de meeste geïnterviewden, zelf ook aantekeningen tijdens het gesprek: cijfers die hij niet precies weet en die hij na moet zoeken. Anders dan in de jaren tachtig voert hij nu actie door informatie te verzamelen en te delen met journalisten, andere activisten of politici, legt hij uit.

‘Als je het persoonlijk wilt maken; dat verzamelen zat er al heel jong in. Ik spaarde als jongetje de sigarenbandjes van Willem II, had zelfs andere mensen voor me aan het werk die bij bejaardenhuizen de sigarenbandjes voor me meenamen. Het verzamelen van data over de wapenindustrie lijkt erop, alleen dan groter. De sigarenbandjes zijn nu mijn tweets.’

16 duizend pagina’s

Broeks verzamelwoede kwam begin deze eeuw tot een hoogtepunt. Toen deed hij samen met Huub Jaspers van het onderzoeksjournalistieke radioprogramma Argos en Frank Slijper, zijn toenmalige collega bij de stichting Campagne tegen Wapenhandel, een succesvol beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het leverde uiteindelijk 16 duizend pagina’s op aan data over Nederlandse wapenleveranties die de mannen konden komen afhalen bij het ministerie van Economische Zaken.

Spittend door de data ontdekten ze het ene na het andere voorbeeld waarbij de staat zich een gewiekst koopman in wapentuig toonde. Zo bleek de Nederlandse overheid begin jaren negentig jachtvliegtuigen te hebben geleverd aan Turkije, Navo-bondgenoot, maar ook verwikkeld in een bloedige en door mensenrechtenorganisaties fel bekritiseerde strijd met de Koerdische PKK in het oosten van Turkije.

In december 1997, zo lazen de mannen, leverde Nederland tweehonderd tanks aan Chili. De opperbevelhebber van Chili destijds was Augusto Pinochet, die na zijn carrière als dictator in de jaren tachtig nog acht jaar lang (tot maart 1998) het Chileense leger leidde.

De tanks gingen voor 100 duizend gulden per stuk naar het Chileense wapenbedrijf Famae waarvan Pinochet oprichter en nog steeds adviseur was. Daarmee werd Chili in één klap de grootste tankmacht van Zuid-Amerika.

Een andere grote klant van Nederland was Indonesië, bleek uit de stukken. Voor Broek was dat geen onbekende. In de jaren negentig had hij in verschillende hoedanigheden actie gevoerd tegen de Nederlandse wapenleveringen aan Indonesië waar generaal Soeharto een repressief bewind voerde. Onder andere op Papoea-Nieuw-Guinea en in Atjeh had het leger verwoestend opgetreden tegen de lokale bevolking.

De analyse van die 16 duizend pagina’s resulteerde in meerdere radiouitzendingen van Argos. Maar bovenal bracht de WOB een verschuiving in het beeld van de Nederlandse wapenhandel: uit de data bleek dat er weinig landen met een leger van enige omvang waren die géén Nederlandse wapens of onderdelen kochten. Ook leveringen die op papier klein leken vanwege de geringe financiële waarde, konden uit honderden miljoenen onderdelen bestaan. Nederland was alomtegenwoordig in de wereldwijde wapenhandel, zo toonden de stukken, van een schakeltje in een patroonband tot complete marineschepen.

Transparantie met een keerzijde

Mede dankzij het Wob-verzoek van Broek en zijn medeonderzoekers is de overheid onder druk van de Tweede Kamer een stuk transparanter geworden.

Inmiddels publiceert het ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking iedere exportvergunningaanvraag, in een ruim 22 duizend rijen tellend Excelbestand over wat er aan welk land verkocht is. AIs het bestand niet op tijd is bijgewerkt, krijgt de verantwoordelijk ambtenaar een e-mail van Broek. Waar het blijft. ‘Voor je het weet, loopt de documentatie een jaar achter en heb je er niets meer aan.’

Die transparantie heeft ook een keerzijde, zegt Broek. Sinds de overheid publiceert wat er wordt verkocht, is de aandacht van de journalistiek voor het onderwerp opgedroogd. ‘Voorheen lag er weleens een anoniem briefje op de mat van een klokkenluider met cijfers van Nederlandse vergunningen. Die informatie konden we dan doorspelen aan journalisten.’ Zo lekte bijvoorbeeld eind jaren negentig een levering van wapens aan Algerije naar de media, waarop Kamerbreed ophef ontstond en toenmalig minister Hans van Mierlo zich in een stekelig debat moest verantwoorden. In een besloten overleg zou hij gezegd hebben dat ‘dit soort lekkages’ hem dwongen de Kamer alleen beknopt mondeling te informeren.

Het tegenovergestelde gebeurde, onder druk van de Tweede Kamer werden de vergunningen voor wapendeals openbaar na de Argos-WOB. Broek: ‘Nu haal ik de informatie uit de openbare spreadsheet. Zoals begin dit jaar: 57 miljoen kogels uit Tsjechië gingen via Rotterdam naar de Verenigde Arabische Emiraten, dat samen met Saoedi-Arabië oorlog voert tegen Jemen. Had dat op dat briefje van een klokkenluider gestaan, dan had iedere krant er aandacht aan besteed. Nu is het in de Tweede Kamer aan de orde geweest, maar geen journalist die het heeft opgepikt. Terwijl dit aantoont dat er nog genoeg dingen zijn die wel aangekaart kunnen worden vanuit die transparantie, want waar denk je dat die kogels terechtkomen? 57 miljoen kogels zijn te veel om mee te oefenen, je kan er donder op zeggen dat ze voor de oorlog in Jemen zijn.’

Beeld Linelle Deunk

Volgens onderzoeksinstituut Sipri stond Nederland van 2013 tot 2017 op de tiende plaats van grootste wapenexporteurs, vooral door de export van onderdelen. Nederland exporteert vooral onderdelen, zoals vliegtuigmotoren, radarsystemen en tweedehandswapens. Er staan in Nederland geen fabrieken meer waar pistolen en geweren worden gemaakt.

Broek pakt zijn gele boekje erbij. ‘Het gaat om 1,1 miljard euro per jaar. Voor dit gesprek heb ik even gekeken wie in de afgelopen tien jaar volgens de Nederlandse overheid de grootste afnemers zijn van Nederlandse wapens. Dat zijn de Verenigde Staten, Duitsland – die zijn allebei logisch. Dan Indonesië, Marokko, Turkije en dan Portugal en Mexico. Nog steeds Turkije en Indonesië in de top dus, en ook Marokko neemt het niet zo nauw met de mensenrechten.’

Overheid grootste klant

Overheid en wapenindustrie, ze horen bij elkaar. Ze trekken altijd samen op en zijn van elkaar afhankelijk. ‘De overheid heeft belang bij een goede wapenindustrie. In de militaire wereld versterkt het je positie als je iets kunt bieden wat anderen niet hebben. En voor de wapenindustrie is de overheid hun grootste klant: 60 procent van de wapenproductie gaat naar onze eigen krijgsmacht, de rest wordt geëxporteerd. Dus ze zijn heel nauw met elkaar verweven en dokteren samen uit wat handig is.’

Als voorbeeld noemt Broek de samenwerking met Thales, het grootste defensiebedrijf van Nederland. De staat is voor 1 procent eigenaar – ook om zeggenschap te kunnen hebben over wat er wel en niet geëxporteerd mag worden – en staat toe dat het bedrijf haar systemen test bij de krijgsmacht. ‘Thales vaart bijvoorbeeld mee met marinemissies om te kijken of hun radarsystemen ook in echte gevechtssituaties raketten oppikken. Ze kunnen dat ook doen op hun testlocatie in Hengelo, maar dit werkt natuurlijk beter voor beide partijen.’

Er is nog een reden dat staat en wapenfabrikant elkaar nodig hebben. Als de staat de hier gemaakte producten niet afneemt, doet geen enkel ander land dat, zegt Broek. ‘Een launching customer heet dat. Als de Nederlandse overheid bijvoorbeeld tegen scheepsbouwer Damen zegt: ‘we hoeven je schepen niet meer’, dan kan Damen in de rest van de wereld vergeten dat ze nog één marineschip verkopen. Als de Nederlandse overheid het niet meer vertrouwt, vertrouwt niemand het.’

Broek ziet het nog steeds als zijn taak om het aan te kaarten in zijn tweets en af en toe een blog, nu hij de concentratie en energie niet meer heeft voor lange artikelen en boeken. ‘Ik merk dat die tweets opgepikt worden, al ben ik zelf niet meer aanwezig bij bijeenkomsten, demonstraties of in de Tweede Kamer. Ik ben nu een soort mysterieus figuur geworden op de achtergrond. Om in marinetermen te blijven: je moet roeien met de riemen die je hebt.’

Cijfers

Wereldwijd werd er in 2018 1.628 miljard euro uitgegeven aan wapens. Dat bedrag is 76 procent hoger dan op het ‘dieptepunt’ in 1998.

Van 2014 tot 2018 werden er bijna 8 procent meer wapens verhandeld dan de vijf jaar daarvoor en 23 procent meer dan van 2004 tot 2008.

De totale militaire uitgaven wereldwijd stegen in 2018 tot het hoogste niveau sinds 1988, het jaar waarin voor het eerst op deze manier gemeten werd.

De stroom wapens richting het Midden-Oosten nam sinds 2004 met 87 procent toe, terwijl die in andere delen van de wereld verminderde.

De VS en Rusland zijn de grootste wapenexporteurs. Saoedi-Arabië is de grootste importeur van wapens.

Vijf landen nemen 75 procent van de wapenexport voor hun rekening: de VS, Rusland, Frankrijk, Duitsland en China.

Nederland staat wereldwijd op de tiende plaats van grootste wapenexporteurs.

57 miljoen kogels uit Tsjechië gingen via Rotterdam naar de Verenigde Arabische Emiraten, dat samen met Saoedi-Arabië oorlog voert tegen Jemen.

De belangrijkste afnemers van Nederlandse wapens zijn de Verenigde Staten en Duitsland. Ook Indonesië, Marokko, Turkije en Jordanië zijn grote klanten.

Bron: Sipri, Ministerie van Economische Zaken

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden