EssayVader

Allicht had ik twee vaders. Hermann Grünberg, geboren in Berlijn, en Piet, geboren in Zuid-Limburg

null Beeld Tzenko
Beeld Tzenko

Na een brief over zijn vader dringen zich bij Arnon Grunberg plotseling herinneringen op aan de man die altijd een beetje Piet is gebleven.

Op 19 februari ontving ik een e-mail van Martin de Wolf, die ik niet kende, maar ik krijg wel vaker e-mails van onbekenden. De e-mail was getiteld: ‘Vaders’.

De bijgevoegde brief begon zo: ‘Na jaren twijfelen of ik deze brief zou schrijven aan je, en of dit wel gepast is, doe ik dit nu toch. Namelijk, als ik langer wacht is het misschien te laat.’

Hij schreef dat mijn vader bij zijn grootouders op Churchilllaan 53 II in Amsterdam, voormalig Noorder Amstellaan, heeft ondergedoken gezeten. Ook zijn eigen vader zat daar een tijd ondergedoken.

Eigenlijk denk ik betrekkelijk weinig aan mijn vader, misschien omdat hij al zo lang dood is, vanaf 1991. Ook omdat ik weinig van hem weet. Van mijn moeder wist ik dat hij tientallen onderduikadressen had, dat hij een tijd ondergedoken had gezeten als gedeserteerde Wehrmachtsoldaat, dat hij in de oorlog Piet Zondervan heette. Ik meen een vals persoonsbewijs te hebben gezien met die naam, maar in een aantekening van mij uit de jaren negentig blijkt dat hij Piet Andersen heette. Het een sluit het ander niet uit, goed mogelijk dat hij meerdere valse namen had.

Ook over wat hij na de oorlog deed, weet ik weinig tot niets. Ja, in de jaren vijftig was hij procuratiehouder van een winkel in de Kalverstraat die leren tassen verkocht, maar dat was lang vóór mijn geboorte in 1971.

Nooit heb ik geweten welk beroep mijn vader daarna heeft uitgeoefend. Volgens kennissen zou dat te wijten zijn aan het feit dat hij 58 was toen ik geboren werd, en tegen de tijd dat ik vragen kon stellen was hij feitelijk al met pensioen. Als verklaring is dat wat mager.

Een keer zei mijn vader, ik weet helaas niet meer wanneer, maar ik moet vrij jong zijn geweest: ‘Vertel niets aan je moeder. Ze zal ons allemaal verraden.’

Als kind heb ik me nooit hogelijk over die uitspraak verbaasd, en ook nu doe ik dat eigenlijk niet. Moeders verraden zonen en zonen verraden moeders. Het ene deel van het echtpaar verraadt het andere. Het gaat om de omvang van het verraad. Liefde loopt ongemerkt over in verraad en verraad loopt ongemerkt over in liefde, een beetje zoals eb en vloed elkaar afwisselen.

Door de brief van Martin de Wolf vroeg ik me opeens af of ik me niet meer in mijn vader had moeten verdiepen, ook door de toon van de brief, die licht wanhopig was. De vader van De Wolf was als jongeman tijdens de oorlog tewerkgesteld in Berlijn en de zoon probeerde nu de sporen van zijn vader te reconstrueren, onder meer met behulp van brieven die de vader uit Berlijn aan zijn familie had gestuurd. De vader leefde nog maar had afasie, er kwam geen woord meer uit hem.

De Wolf schreef me dat hij en zijn familie leefden met de gevolgen van de bezetting en hij vroeg of ik misschien iets wist over de onderduikjaren van mijn vader, iets wat hem zou helpen zijn eigen vader te naderen.

Vermoedelijk had ik vriendelijk geantwoord dat ik helaas niets wist over de onderduikjaren van mijn vader en zeker niets over Churchilllaan 53 in Amsterdam, als er niet een zinnetje in die brief had gestaan dat een herinnering in mij losmaakte.

De Wolf schreef: ‘Mijn oom Haaije Beima heeft zijn leven lang in het teken gesteld als Psychiater voor KZ-syndroomslachtoffers, tot zijn dood heeft hij kampslachtoffers kunnen begeleiden.’

Ik herinnerde me dat mijn moeder en ik op een zonnige dag in de tuin zaten, ze was al ziek, en dat ze opeens zei: ‘Papa was heel erg bevriend met de Beima’s, je weet wel, die psychiater, maar rond jouw geboorte is hij gebrouilleerd geraakt met hen en dat heeft hem zeer geraakt.’

Ik besefte dat dat Haaije Beima moet zijn geweest. Dit vertelde ik aan Martin de Wolf en ik hield me beschikbaar voor een ontmoeting, hoewel ik aangaf hem vermoedelijk niet te kunnen helpen bij zijn zoektocht.

Toen ik had verteld dat mijn vader Haaije Beima goed had gekend en dat dat misschien een aanknopingspunt was, stelde Martin de Wolf voor zijn nicht, Tanja Beima, dochter van Haaije, erbij te betrekken en Tanja schreef dat we elkaar konden ontmoeten in haar woning in Middenbeemster.

Zo zaten we op een zondagmiddag met koekjes en koffie in Middenbeemster, Tanja, Martin en ik.

Tanja gaf me bij aankomst drie A4'tjes, op het eerste stond: ‘Wat ik al wist van vroeger.’ En daaronder: ‘Hermann Grünberg heette in de oorlog Piet. Mijn grootouders bleven hem ook na de oorlog nog jarenlang zo noemen. Hij zat ondergedoken bij mijn grootouders op de Churchilllaan (toen: Noorder Amstellaan) 53, 2e verdieping, nu 53c. Bij onraad moest hij letterlijk [sic] onderduiken, vermoedelijk in de kruipruimte onder de vloer achter de straatdeur. Een keer toen een klein (op bezoek zijnd?) jongetje, Frans Bijlsma, de deur van de kamer van Piet opendeed, stonden beiden als versteend naar elkaar te kijken, toen deed een van hen de deur weer dicht, zonder een woord te zeggen!’

Daarna gaf ze me een boek van Frans Bijlsma, die niet meer leeft, hij publiceerde in 1963 bij Meulenhoff een roman getiteld Straks niet meer.

Tanja had aan haar moeder gevraagd wat zij zich nog kon herinneren van Piet alias Hermann. Hij was, zei de moeder, ‘via de dokter’ bij hen gekomen.

Tanja had haar moeder nog gevraagd ‘welke dokter?’. Daarop kwam geen antwoord.

Piet heeft vermoedelijk een jaar op de Churchilllaan 53 ondergedoken gezeten, in februari 1944 kwam Bram, de vader van Martin de Wolf, terug van de Arbeitsinsatz in Berlijn. De grootouders De Wolf vonden het toen te riskant worden.

Op de vraag waar Piet toen naartoe ging, heeft de moeder van Tanja geantwoord: ‘Ik geloof dat de vader van Jo de Wolf hem naar Rotterdam bracht.’

Jo de Wolf was de neef van de moeder van Tanja.

Van mijn vader weet ik dat hij inderdaad in Rotterdam ondergedoken heeft gezeten bij een politieagent en dat hij ook nog na de oorlog contact had met de dochter van die politieagent. Wij hebben haar een paar keer opgezocht. Volgens mij is hij ook nog naar haar begrafenis geweest.

Terwijl ik naar Tanja luisterde, kwamen ‘vergeten’ herinneringen bij mij boven. Mijn vader heeft me verteld dat hij tijdens de oorlog een man uit Zuid-Limburg is geweest, ik geloof uit Kerkrade maar het zou ook Heerlen geweest kunnen zijn.

Mijn vader vertelde me dat ze een Zuid-Limburger van hem hadden gemaakt om zijn Duitse accent te verklaren. (Ik ken behoorlijk wat Zuid-Limburgers die Nederlands zónder Duits accent praten, maar oorlog is niet logisch.)

In de brieven van Bram uit Berlijn duikt de naam Piet geregeld op. ‘Doe de groeten aan Piet, je weet wel wie.’ En ook: ‘Bedank Piet voor de koekjes.’

Ik vroeg: ‘Hoe komt een onderduiker aan koekjes?’

Martin de Wolf zei: ‘O, die heeft hij natuurlijk gebakken, je verveelt je als onderduiker te pletter.’

En nog een andere herinnering drong zich op. Omdat ik een hekel had aan de kleuterschool, ik was bang voor school, bracht mijn vader mij lopend van de Dintelstraat naar het Albrecht Dürerplantsoen, waar de AMS-kleuterschool was, en om me te kalmeren vertelde hij altijd verhalen over dokter Piet en dokter Hermann.

Wie was de dokter die mijn vader naar de Churchilllaan 53 had geleid?

Het trof me dat de grootouders van Tanja, meneer en mevrouw De Wolf, mijn vader na de oorlog Piet zijn blijven noemen. Ik kon me voorstellen dat mijn vader na de oorlog weer Hermann Grünberg is geworden, maar parttime Piet Zondervan (of Piet Anders) uit Kerkrade (of Heerlen) is gebleven.

Een man die om wat voor reden dan ook geen afscheid meer kon nemen van de Piet die hij een tijd noodgedwongen was geweest. Allicht had ik twee vaders. Hermann Grünberg, geboren in Berlijn, en Piet, geboren in Zuid-Limburg.

Tanja vertelde nog dat toen haar grootouders rond 1967 de Churchilllaan 53 II verlieten, het gezin van J. Bernlef, de schrijver, daar toen kwam wonen.

Bij het weggaan zei Tanja: ‘Mischien is je vader boos geworden op mijn vader, omdat mijn vader iets gezegd heeft over het huwelijk van je ouders.’

Ik herinnerde me dat ik op mijn 3de vanwege slaapproblemen naar een kinderpsychiater werd gestuurd. Die psychiater zei: ‘Met het kind is niets aan de hand. Laat de ouders komen.’ (Een anekdote die mijn moeder graag vertelde.)

Zo heb ik vijftig jaar geleefd, zo wil ik blíjven leven: met het kind is niets aan de hand.

Maar misschien werd het tijd eens te onderzoeken wat er aan de hand was met Piet, onze man uit Zuid-Limburg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden