EssayRacisme

Alles in mij hapert en trilt door de racismeprotesten. Waarom raakt het me zo?

Ianthe Sahadat met haar ouders. ‘In discussies vertegenwoordigt mijn vader de stem van de mensen op straat, mijn moeder die van zo veel redelijke, goedbedoelende Nederlanders.’Beeld Rebecca Fertinel

Dat mensen wereldwijd de straat opgaan tegen racisme hakt erin bij Volkskrant-journalist Ianthe Sahadat, dochter van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. Waar komen die emoties vandaan?

Ik voelde me verlamd. Hele dagen zwierf ik door Instagram, hét medium waar de Nederlandse en internationale #BlackLivesMatter-opstand het best lijkt gedocumenteerd, en mijn hoofd. Ik keek naar beelden, hing aan lippen. Bij gebrek aan eigen woorden is het prettig schuilen in die van een ander. Ik dacht langdurig na over het plaatsen van een niksig zwart vlak. Het voelde gratuit. Ik deed het toch.

Dat in navolging van zwarte mensen in de VS landgenoten ineens massaal de straat opgingen, hakte erin. Mijn gedachten liepen in een groef: wat mag ik voelen, wat moet ik voelen, wat mag ik zeggen, moet ik zeggen, durf ik te zeggen, en tegen wie? Ben ik wel de aangewezen persoon om hier zo veel bij te voelen, met een teint die onmogelijk voor ‘zwart’ kan doorgaan?

Als klein meisje was ik fan van Gerda Havertong. Ik hield van de kleur van haar huid en de mild Surinaamse tongval (die mijn vader als énige in zijn familie ontbeerde, tot zijn tevredenheid en mijn spijt). Was ze een rolmodel, een woord dat ik pas veel later leerde kennen? Wellicht. Ze was een van de weinige bruine vrouwen op tv, en dus vond ik haar geweldig – ja, zo simpel kan het zijn, als je clubje klein is. Ik was ook fan van Noraly Beyer en Ruud Gullit.

Mijn bruine vader is geboren en getogen in Paramaribo, op z’n 14de kwam hij alleen per boot naar Nederland, waar hij jaren later mijn witte Westlandse moeder trof. Samen kregen ze mij: hun enige kind. Dat maakt mij zowel bruin als wit.

Bruin en wit

Altijd net buiten de groep, zo voelde mijn status als bruin/wit meisje. Bruin, want je huid verraadt je altijd, en wit, want het vormde mij: in mijn omgeving ontbrak het grotendeels aan kleur. We woonden in een wit buurtje, ik ging naar witte scholen, maakte witte vrienden, volgde colleges met witte medestudenten en ging werken bij een witte krant. Dat ‘wit’ moet ik misschien nuanceren. Omdat het suggereert dat er nooit een ander bruin gezicht voorbijkwam, of omdat het lijkt alsof alles in lijnen van kleur en etniciteit verdeeld wordt. Wat uiteraard niet zo is. Ik ben net als iedereen zoveel meer dan mijn kleur. Deze weken voelt mijn kleur echter (weer) aanweziger dan ooit.

Als kind luidde mijn wens te zijn als iedereen: blonde haren, blauwe ogen, dunne lippen. Al was er ook een ander sentiment, dat bijvoorbeeld opspeelde tijdens een bezoek aan een nicht die studeerde in Amsterdam. Ze woonde op kamers in de Bijlmer, in een flat. We moesten met de lift, iedereen was bruin, het rook er naar eten dat mijn oma maakte – als het aan mij lag, waren we meteen verhuisd. Hoewel ik ook dacht: zullen ze mij wel herkennen als een van hen? Ben ik wel ‘zwart’ genoeg’?

We hadden een tijdje een jongen in de klas, ik noem hem Ruben. Hij was net als ik Surinaams, dat kon je horen aan zijn ‘w’. Ik wenste vurig zijn vriendschap. Op het schoolplein zei hij iets in het Sranan tegen me. Ik verstond het niet, mijn vader wilde me de taal nooit leren, Hollandser dan de Hollanders moest ik zijn. Ruben maakte een afkeurend geluid en liep weg. Niet lang daarna moest hij van school, vanwege ‘gedragsproblemen’. Hij had gevochten. Dat hij dat deed omdat jongens hem trekkend aan zijn kroeshaar een ‘vieze negeraap’ hadden genoemd, daarover had niemand het. Ook ik niet – ik keek wel uit.

Jaren later studeerde ik koloniale geschiedenis in Leiden. Ging het over slavernij, dan ging het over economische rendementen en hoe karig die waren in ‘de West’ – die plek waar mijn halve genenpoel was gemixt. Ik wilde weten hoe een samenleving die voortkomt uit zo’n geschiedenis dat te boven moet komen, hoe ‘ja, maar dat was toen’ voortleeft in het nu. Dat vond mijn docent een activistisch vraagstuk, leuk als hobby, niks voor aan de universiteit.

Vertrouwde discussie

Dat in Nederland nu zo veel mensen de straat opgaan om te demonstreren tegen racisme, roept niet alleen bij mij emoties op. Ik zie witte mensen die ‘wit huiswerk’ maken, zich beraden op hun alledaagse vooroordelen: ‘Ja, ik denk vaak dat de vrouw met het hoofddoekje in mijn kantoorpand de schoonmaakster is.’

Ik zie influencers die zich excuseren voor de kleur van hun nagellak, bedrijven die hun verdiensten opschroeven met etalage-engagement, mensen die boeken van James Baldwin lezen, mensen die zich semantisch opwinden (‘ik vind het meer discriminatie dan racisme’), mensen die huilen, zich verbazen, ergeren (‘hallo, we zitten in een pandemie, kan dit niet een andere keer?’), en mensen die denken: nou nou, het valt toch allemaal wel mee?

De discussie voelt vertrouwd. Mijn vader maakt al zo lang ik me kan herinneren met iedereen ruzie over racisme. Mijn vader die me – grootheidswaan is hem niet vreemd – vernoemde naar de vrouw die zei: ‘In a racist society it is not enough to be non-racist, we must be anti-racist.’ Ze wordt dezer dagen veel geciteerd. Mijn derde voornaam is Angela, naar Angela Davis. Ik draag hem met trots, maar vertel het zelden. Alsof je bent vernoemd naar Messi, maar zelf niet kan voetballen.

De gemoederen liepen ook bij ons thuis hoog op. Mijn moeder ongevraagd de witte kop-van-jut. Mijn vader emotioneel, op oorlogspad, gepijnigd. Mijn moeder kalm, sussend, relativerend en vaak ook gekwetst. ‘Het valt toch wel mee, jij ziet overal racisme, hoe denk je dat het voor mij is?’ Zij maakte discriminatie altijd kleiner. Al was het maar omdat ze niet wílde dat het bestond.

Het discriminatie-curriculum van mijn vader is indrukwekkend. ‘Meisje, ik ben mijn hele leven bezig geweest vooroordelen te ontkrachten.’ Altijd weer de vraag hoe hij in Nederland was beland. Kenden die mensen hun geschiedenis niet? Mijn moeder, na bijna vijftig jaar huwelijk, in haar vaste rol: ‘Maar Rob, misschien waren ze gewoon nieuwsgierig?’

Het debat in een notendop.

Mijn vader vertegenwoordigt de stem van de mensen op straat, van frustratie over diepgeworteld maatschappelijk racisme, van onwetendheid en miskenning, van mensen wegzetten als de Ander, van ‘je hoort er niet echt bij’. Mijn moeder die van zo veel redelijke, vaak lieve en bijna altijd goedbedoelende Nederlanders die zich achter de oren krabben bij ‘al die boosheid’: zo erg is het hier toch niet? En dan is mijn moeder na een leven met mijn vader en mij (‘Uit welk land is uw dochter geadopteerd?’) niet zonder ervaring te noemen.

Nederland heette tolerant te zijn. Daar kon mijn vader flink tegen fulmineren. Als er iets een inherent scheve relatie benoemt, is het dat wel, alsof we een diersoort op bezoek zijn en niet net zo Nederlands als Klaas Dijkhoff of stroopwafels.

We zijn allemaal aanmodderende mensen die er wat van proberen te maken. En vooroordeeldenken is allesbehalve voorbehouden aan de dominante groep. Het gevaar schuilt er vooral in dat dat de groep is met de meeste invloed.

Is het dan zwart tegen wit, vragen witte mensen zich af. Ik zou bijna zeggen: het is de mensen voor wie andermans racisme vanzelfsprekend is tegenover hen die dat niet zien. Want het niet zien, dat is het echte gif.

Ongrijpbaar

Racisme is ongrijpbaar en het ervaren van racisme een kwestie van, nou ja, precies dat: ervaren. Je geslacht, geaardheid of kleur is niet zoiets als smaak of interesse. Het is geen jasje dat je naargelang je stemming draagt. Het gaat over wie je bent, over dat wat jou – samen met veel andere dingen, maar zeker ook – jou maakt. Je identiteit. Daarom is de vraag die ik zo vaak krijg, de vraag wat ik dan aan racisme heb meegemaakt, pijnlijk en bijna obsceen. Is water nat, kunnen vogels fluiten? Het zit in mij verankerd, heb je dan geen enkel idee? Waarom ligt de bewijslast bij mij?

De vraag naar ‘mijn’ racisme resulteert in een twijfelachtige vorm van faalangst. Is wat ik heb ervaren wel erg genoeg? Leedadel, noemde Ischa Meijer het tragische mechanisme van ‘opbieden’ in pijn. Ik weet mijn score nu al, bij lange na niet in de toptien.

Moet ik dan echt vertellen over de figuurlijke pot sambal (‘jij houdt vast van pittig eten’) die overal op tafel verscheen, de ‘tropische verrassing’ en rondgebilde, halfgebloede, dikbelipte, ritmische, exotische diersoort die ik vaak ben genoemd, over ‘rot op naar je eigen land’, over alle keren dat iemand zei dat ze ‘natuurlijk niet mij bedoelden’ of over de naar mijn hoofd geslingerde stinkende apen, poep-Chinezen of vieze Turken (het Delft van de jaren tachtig had een overzichtelijk repertoire).

Racisme bestaat namelijk niet louter in hoofdletters, het is niet slechts het apartheidsregime uit Zuid-Afrika of een gelynchte zwarte Amerikaan. Het presenteert zich niet altijd als een stadion vol oerwoudgeluiden, of in de vorm van een corporale knul met boreale fantasieën.

Racisme is ook: de bruine man in de knappe auto aanhouden, de belastingcontrole op basis van een achternaam, de niet gekregen stage, baan of woning, de hoogte van een straf, de weigering bij de deur, het vastgegrepen tasje, het grapje en de onnozele vraag. Het kondigt zich niet stampvoetend aan, het is geraffineerd, geniepig en ongrijpbaar.

Want misstanden manifesteren zich nu eenmaal zelden in de vorm van een knie in je nek die het leven uit je duwt. Ze zijn subtiel, zo subtiel dat je ze soms pas met terugwerkende kracht of vanwege het repeterende element ervan herkent. En vaker nog doet het je aan jezelf twijfelen: heb ik iets uitgelokt, verkeerd gedaan, hoe kan ik het voortaan voorkomen? Je maakt het kleiner, behapbaar, minder erg en minder eng. Zeker als je hoort dat wat jij voelt ‘overgevoelig’ is.

En zoals voor veel dingen geldt: het went.

Kantelpunt?

Na de demonstratie op de Dam belde ik mijn ouders. De telefoon in de Rijswijkse huiskamer ging op de speaker. Ik had mijn vader al lang niet meer zo veel woorden achter elkaar horen zetten. Ook mijn 82-jarige donkerbruine vader met zijn broze gezondheid in maanden van quarantaine had het maar ‘druk’ gevonden, daar op de Dam.

Ook had hij zijn verkromde, magere vingers ten hemel geworpen om zijn Indiase oma (een alledaags ritueel voor hem) te danken (‘Onderschat haar rol niet, meisje’, ‘Ja, pap’) voor het samenbrengen van deze jonge mensen die, bruin en wit door elkaar, zomaar stonden te geloven in de mogelijkheid van een samenleving zonder discriminatie en uitsluiting. Dat ging overigens niet lukken, stelde hij alwetend, maar dat terzijde. Het geloven an sich ontroerde hem diep.

Ik weet ook niet of ik durf te geloven dat we op een kantelpunt zitten. Met alle ‘het is hier geen Amerika’, ‘ik kan niets met het begrip institutioneel’ en ‘waarom moet het altijd zo emotioneel en agressief’. Een premier die van ‘pleur op naar Turkije’ en ‘My black friends in the Antilles like Black Pete because they don’t have to paint their faces’ gaat naar wel ‘begrijpen dat het mensen pijn kan doen’, maar Zwarte Piet absolúút niet racistisch vinden en vrezen dat ‘fatsoenlijke Nederlanders met goede bedoelingen worden weggezet als racist’, heb ik er een hard hoofd in.

C’est le ton qui fait la musique, zei strafrechtadvocaat Natacha Harlequin, die zonder haar toga op de rechtbank nogal eens voor verdachte wordt aangezien. Door de emoties horen witte mensen je verhaal niet, bedoelde ze. Maar ik betwijfel of hoffelijkheid en een feitenrelaas alleen genoeg zijn. Niet voor niets maakt de dood van George Floyd meer indruk dan het zoveelste rapport over arbeidsmarktongelijkheid.

Met alleen maar nette mensen ga je de oorlog niet winnen. Zonder de vuurmakers, de schreeuwers, de mensen die, zoals mijn vader vaak werd verweten, ‘overal racisme bij halen’, de mensen die het slijk vangen, en zonder Sylvana Simons, blijft alles bij het oude.

Ik ben een voorbeeld van iemand die zich liever niet uitspreekt. Wel over ongelijkheid van anderen, maar niet over die van mijzelf. Uit angst om als zeur te worden gezien, kleinzielig, sfeerverpestend, omdat negeren vaak zoveel minder energie kost dan de kans op een debat of ‘ja, maar’.

Met het risico een prehistorisch cliché aan te dragen: buitensluiting uit de groep staat gelijk aan sterven. Veel existentiëler wordt het niet. Daar denk ik vaak aan als andermans ‘emoties’ me frapperen.

En ineens wist ik waarom de wereldwijde demonstraties me zo raakten, waarom alles in me hapert en trilt. Het was al met al psychologisch vreselijk voorspelbaar. Geweldig dat vuur, maar wat als het weer uitdooft? Waarom zou ik wegkruipen van achter mijn veilige muurtje? Als je heel lang doet alsof iets geen probleem is, kan het rauw op je dak vallen als mensen luid verkondigen dat het wel degelijk bestaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden