Alle kunst is weerloos

Voor de tweede maal heeft G.J. van B. in het Amsterdamse Stedelijk Museum een schilderij van Barnett Newman aan repen gesneden....

PAUL DEPONDT

G. J. VAN B., 'liefhebber van kunst', beloofde 'dat hij het nooit meer zou doen'. Was het rood of het blauw hem toch weer te machtig geworden? Abstracte kunst, 'dat kan iedereen'. Daarom had hij op die grimmige vrijdagmiddag 21 maart 1986 het beroemde schilderij Who's afraid of red, yellow and blue III van Barnett Newman met een stanleymes aan flarden gesneden. Uit woede, én uit gramschap.

Na het lezen van een passage in een boek over de schilder Carel Willink, die zich beklaagde over de tegenwerking die hij van de abstracte avantgarde ondervond, wilde hij 'een daad stellen'. Hij begaf zich naar het museum, 'met een missie', kocht onderweg een scherp mes en vernielde het doek met vier horizontale en vier verticaal-diagonale sneden. Overal op het linnen zaten de draadjes los.

'Waar maken jullie je druk over', zuchtte G. J. van B., die er die middag in het Stedelijk Museum wezenloos bijzat.

'Hang de beschadigde Newman zo maar op', verdedigde hij zijn daad tegenover de officier van justitie mr H. Wooldrik die een gevangenisstraf van acht maanden eiste. 'Dat zou modern zijn.' Het beschadigde schilderij had in zijn ogen 'didactische waarde gekregen'. Het moest volgens hem dan ook 'in de huidige staat blijven'.

'Niet dat gepiel van vier jaar restaureren', preciseerde hij. 'Dat is zonde van het geld en de moeite. Hang het zo maar weer op.' Volgens zijn advocaat mr C. Korvinus 'moet de daad van Van B. beschouwd worden tegen de achtergronden van een verruimd kunstbegrip, waarin ieder mens een kunstenaar kan zijn en zijn sociale sculptuur kan maken'.

G.J. van B zat die middag op een bankje in het Stedelijk. Hij was kalm. Na een verhoor van een paar uur stond hij al weer buiten, 'alsof hij alleen maar een steen door een ruit had gegooid' - schreven de kranten.

'Ik blijf mijn daad verdedigen', zei G.J. van B. tegen de rechter, 'tegen de dominantie van de abstracte kunst.'

Elf jaar later snijdt de man op een vrijdagmorgen voor de tweede maal een Newman aan repen. Weer staat de museumdirecteur bij een zieltogend doek. Hoe kon het gebeuren? Opnieuw laait de discussie op over een 'museumverbod'. En Van B. deelt pamfletten uit: 'Ik, Gert, heb weer doeken stukgesneden in het Stedelijk Museum, want de kapotte doeken die ik maak, genezen de wereld.'

Waarom, vroeg Amsterdams raadslid Roel van Duijn in oktober 1991 tijdens de raadscommissie Kunst en Cultuur, 'wordt er nooit meer over de motieven van de dader gesproken'? En is het wel goed publiciteit te geven aan dit soort incidenten en moedwillige vernielingen? Het brengt zieke of gefrustreerde geesten op ideeën. De daders komen uitgebreid aan het woord; ze krijgen veel aandacht.

Alle kunst is weerloos. In 1988 schrijft een man uit Papendrecht een anonieme brief aan het parket in Dordrecht waarin hij aankondigt binnenkort een schilderij zodanig te vernielen dat 'een Rembrandt niet langer van een Picasso is te onderscheiden'. Zeven maanden later slaat hij zijn slag. Hij vernielt in het Dordrechts Museum tien zeventiende-eeuwse schilderijen, een Bol, een Cuyp, een Maes. De lappen hangen erbij.

Na zijn daad rechtvaardigt hij de vernieling in een telefonisch discussieprogramma op Radio Rijnmond. Zijn optreden is 'een racistische verzetsdaad'. Wij zijn Nederland 'aan het verkwanselen aan de buitenlanders', verklaart hij tegenover de rechter-commissaris. 'Dan hebben we oude schilderijen en het Wilhelmus ook niet meer nodig.' Hij heeft geen spijt. 'Ik heb reden om alle musea in brand te steken', zegt de man tegen De Dordtenaar. 'Al brandt heel Dordt af, dat doet me niets.'

In 1989 vraagt een 43-jarige man 'meer aandacht voor zijn problemen' en kerft in het Amsterdamse Rijksmuseum een snee van vijf centimeter in een schilderij van de zeventiende-eeuwse meester Bartholomeus van der Helst. Een gestoorde vrouw vernielt datzelfde jaar twee schilderijen in het Leids museum De Lakenhal. De daderes vindt 'dat ze te weinig aandacht krijgt'.

De lijst is lang en onthutsend. Rembrandts Nachtwacht werd in 1990 met kopersulfaat bespoten. Vorig jaar haalde een verwarde man in het Rijksmuseum een doek van Arnold Boonen van de muur en bewerkte het met zijn blote vuisten. In Gent zijn dit jaar vijf schilderijen, waaronder De Bruiloftsdans van Pieter Brueghel de Jonge, ernstig beschadigd.

Niet alle vernielingen zijn het werk van overspannen of gestoorde types. Soms zijn het 'ingrepen' van kunstenaars of zijn de vernielingen gevolg van een politieke machtswisseling. 'De geschiedenis van het iconoclasme', schrijft Dario Gamboni in The Destruction of Art (Reaktion Books, ¿ 84,25), 'volgt de geschiedenis van de kunst als een schaduw'. Zijn boek gaat over beeldenstormers en kunstvernielers sinds de Franse Revolutie. Kunstvernieling is de schaduwkant van de scheppende verbeelding. Bij revoluties worden de iconen van het oude regime vernietigd. Beelden worden gekanteld, portretten aan repen gesneden, boeken verbrand.

Vernielzucht is van alle tijden. De Franse revolutionairen haalden de beelden van hun vroegere koningen omver. Na de val van het communisme werden honderden beelden van de oude tirannen van hun voetstukken gehaald. Er bestaan tientallen prenten van beeldenstormers en kunstvandalen. The Destruction of Art is een verhelderend en geïllustreerd overzicht van het alomtegenwoordige iconoclasme. De moderne kunst, zegt Gamboni, is vaak 'vernielzuchtig'. Kunstenaars zetten de oude waarden op losse schroeven. Marcel Duchamp schilderde een snor op de Mona Lisa, weliswaar niet op het echte schilderij, en exposeerde een pissoir; de futuristen wilden de Venetiaanse kanalen dempen. De dadaïsten waren de ambassadeurs van de Grote Opstand tegen de burgerij.

Das hätte jeder Lehrling malen können, stond in de Berliner Zeitung van 22 april 1982. De toen 29-jarige Josef Nikolaus Kleer kwam, gehelmd en met een grote postzak, de Berlijnse Nationalgalerie binnen. Hij zag Who's afraid of red, yellow and blue IV van Newman. Kleer sloeg met zijn vuisten tegen het canvas en schopte met zijn voeten tegen het spieraam. Hij hing bij het vernielde doek verschillende documenten. Kleer was naar eigen zeggen action artist.

Vorig jaar bekraste een onbekende in het Stedelijk met potlood een schilderij van de Duitse kunstenaar Sigmar Polke. Op het midden van een van Polke's Farbtafeln schreef de dader in grote letters het woord crap, 'rotzooi'. Het museum heeft de vernieling stil gehouden 'om anderen niet op ideeën te brengen'. Wat G.J. van B. deed, had Kleer al een keer gedaan: een Newman vernielen 'omdat iedereen zo kan schilderen'. De discussie over wat wel of geen kunst is, wat wel of geen rotzooi is, leidt niet alleen tot gespierde taal maar is ook letterlijk iconoclastisch.

Op zaterdag 4 januari van dit jaar begeeft de Russische kunstenaar A. Brener zich naar het Stedelijk. In zaal 206 kiest hij een schilderij van Kazimir Malevitsj, een wit kruis op een grijze ondergrond, en bespuit het met groene verf. Hij zet op het schilderij een gifgroen dollarteken, 'als symbool van corruptie en macht'.

Het Parool gaat Brener in het Huis van Bewaring te Hoorn interviewen. 'Ik ben geen terrorist in de kunst', vertelt Brener vastberaden. Hij zal zich tot in lengte van dagen verzetten tegen 'het systeem'. En daar horen, vertelt hij in de krant, 'nu eenmaal ook minder prettige dingen bij'.

Vorig jaar vernielde hij in Stockholm een kunstwerk van een Chinese kunstenaar. Het was 'een daad', het was 'een gebaar'. Brener verstoorde vernissages. In het Moskouse Poesjkinmuseum poepte hij onder een schilderij van Van Gogh. De vernielingen zijn in de ogen van Brener artistieke daden. Maar de rechter vindt dat niet. Het zijn 'zinloze acties' en die moeten streng bestraft worden.

Sommigen noemen Breners 'daden' performances. Het zijn statements. Hij voegde iets toe aan Malevitsj. Wat hij erop had gespoten, was commentaar op kunst.

Er waren pro's en contra's. 'Je kunt een enorm debat aangaan over wat kunst is', zei de bekende kunstcriticus Pierre Jansen ooit, 'maar je blijft er met je poten af.' In Het Parool, de krant waarmee Brener al een gesprek had, verscheen een stuk waarin stond dat het dollarteken op het schilderij van Malevitsj vermoedelijk vaag zichtbaar zal blijven. 'Zo waart de geest van dit enfant terrible toch nog door de zalen van het museum, als een nauwelijks hoorbare melodie.'

Anderen, zoals Boris O. Dittrich, woordvoerder Justitie van de D66-fractie in de Tweede Kamer, hield een pleidooi om de strafmaat voor vernieling van openbaar kunstbezit te verhogen. Weer anderen wezen erop dat 'vormen van vernieling reeds als kunst zijn geaccepteerd'. Je kunt iemand die van kunstvernieling wordt verdacht niet in hechtenis nemen. Maar vernieling is toch diefstal? Kunst is meer dan ooit vogelvrij verklaard.

De kunstenaars Toon Verhoeff, Carel Visser en Jan Dibbets reageerden in 1986 heftig op het feit dat de politie G.J. van B. al na anderhalf uur weer op straat zette. In een kort geding eisten ze voor de Newman killer een museumverbod. Mr A.W. Kouwets, Van B.'s advocaat, verzette zich tegen zo'n verbod. Zijn cliënt had uitdrukkelijk verklaard 'dat hij het nooit meer zou doen'. Elf jaar later weten we beter. De kunstenaars hadden gelijk. 'Het eerste wat je doet als je in de gaten hebt wat je hebt gedaan', repliceerde hun advocaat mr L. Spigt, 'is te zeggen dat je het nooit meer zult doen. Maar zo kom je niet weg.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden