Reportage Vermissingen

Achterblijvers van vermiste personen worstelen vaak met een rouwstoornis. ‘Ik zou zo graag willen horen: ‘Uw kind is dood’.’

Van de ene op de andere dag is je kind, je vader of zus weg. Spoorloos verdwenen. De achterblijvers hebben grote kans om een langdurige rouwstoornis te ontwikkelen. Een goede behandelmethode is er niet. 

Beeld Deborah van der Schaaf en Aad Hoogendoorn

Natasja Alderliefste (48) uit ­Krommenie weet precies hoe haar buren inparkeren. De buurman op rechts doet het snel, en in één keer. Die op links juist langzaam, in een paar steken. ­Tegenover komt altijd met een rotgang aanrijden en remt dan ineens. ‘Ik heb dat mezelf onbewust aangeleerd’, vertelt ze in haar woonkamer. ‘Voor het geval er agenten met een politieauto op de stoep zouden staan om me te vertellen wat er met mijn kind is gebeurd. Dan zou ik die auto meteen herkennen.’

Het is koud buiten, het miezert. Ze heeft een grote trui aan, haar handen zijn verstopt in de mouwen. Maar over kou klaagt ze niet. Want misschien heeft Sidney, haar zoon, het wel écht koud. Of misschien ook juist niet. Omdat-ie in een warm oord zit. Gód wat zou het fijn zijn, als dat zo was. Maar hij kan ook dood zijn. ‘Dan hoop ik dat hij rust heeft. En dat hij als een geest dicht bij mij in de buurt leeft.’

In december 2016 begon wat ­Natasja ‘de tweede helft van haar leven’ noemt. ‘De onzekere en zorgelijke helft’, ­verduidelijkt ze. Sinds die maand is Sidney, toen 19 jaar, vermist. Eind ­november kreeg Natasja nog een berichtje: ‘Mam, alles is goed’, iets in die trant. Een maand daarvoor was hij op vakantie gegaan, in z’n eentje naar een huis ergens in Nederland. ‘Hij wilde niet vertellen waarheen precies. Achteraf denk ik: waarom heb ik niets gevraagd?’, vertelt zijn moeder. Hij zat met zichzelf in de knoop. ‘Sidney had moeite met het leven hier. Werken, naar school, sociale verplichtingen; dat was niets voor hem. Sidney was een vrije geest.’

Zijn berichtje eind november was het laatste teken van leven dat ze van haar zoon zou krijgen, daarna bleven de WhatsAppberichten ongelezen. ‘Als je me dat vantevoren had verteld, dan had ik je voor gek verklaard. Mijn zoon, vermist? Nee joh. Die verhalen kende ik alleen maar van het Journaal, moeders en vaders die radeloos in de media verschijnen. Ik was niet zo’n moeder.’

Nu is ze dus zo’n moeder. Een moeder die ’s nachts wakker ligt. Een moeder die continu ‘snakt naar antwoorden’. Een moeder die elke jongen met Sidneys postuur achternaloopt om even zijn gezicht te checken. ‘Ik zoek non-stop, ik kijk altijd om me heen.’ Zelfs tijdens haar vakantie in Portugal hangt ze flyers op. Ze had ze speciaal naar het Portugees laten vertalen. ‘Je weet maar nooit. Hij kan overal zitten, dus waarom niet daar?’

Er zijn periodes dat Natasja denkt: die leeft niet meer. ‘Misschien is hij verongelukt op een verlaten plek. Als hij zichzelf van het leven zou hebben ­beroofd, dan weet ik dat hij daar goed over heeft nagedacht, dat dat een ­bewuste keuze is geweest. Maar dan moet ik wel wéten wat er met hem is gebeurd.’ Er zijn ook weken, of nee, maanden, dat ze ervan overtuigd is dat hij ‘ergens is waar hij het goed heeft’. ‘Dan doe ik mijn ogen dicht, en dan zie ik hem bij een mooi meertje in een al even mooi bos, in de bergen.’

Natasja Alderliefste is de moeder van Sidney, die verdween toen hij 19 was. Beeld Pauline Niks

Door zoekopdrachten op zijn laptop zijn er sterke vermoedens dat Sidney is doorgereisd naar de Vogezen. Ondanks dat zoekacties op de grond en vanuit de lucht niets opleverden, is Natasja daar nu al negen keer met haar kinderen, ex-man en vrienden op vakantie geweest. ‘Dan ben ik voor mijn gevoel dicht bij Sidney’, vertelt ze. En ja, dan zoekt ze ook. ‘Het klinkt heel luguber, maar ik heb op internet ­opgezocht wat er van iemand overblijft als je twee jaar dood in een bos ligt.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Alleen wat botten en kleding, spullen die hij bij zich had. Maar goed. Dan weet ik in elk geval waar ik naar moet zoeken.’

Ontkenning

Bang om iets tegen te komen, is ze ­inmiddels niet meer. ‘Ik kan nu niets, ik verwerk niet. Ik ging eens zo’n rouwcirkel bekijken, die laat zien dat mensen in de rouw verschillende fasen doormaken. Ik zit nog in de ­eerste fase, ontkenning.’ Even is ze stil. Dan: ‘Na twee jaar, hè. Twéé jaar.’

Het is iets wat Lonneke Lenferink vaker hoort. Ze is postdoctoraal ­onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Utrecht en deed, als een van de eerste wetenschappers, onderzoek naar achterblijvers na vermissingen. ‘Zeg nooit nabestaanden’, zegt Lenferink. ‘Daarmee suggereer je dat de vermiste in kwestie overleden is. Het hele probleem van deze mensen is dat ze dat juist níet weten.’

In Nederland worden gemiddeld tachtig mensen per dag als vermist opgegeven. Het grootste deel van die meldingen wordt binnen 48 uur opgelost. In ongeveer honderd gevallen per jaar is er sprake van langdurige vermissing zonder een duidelijke verklaring.

In haar onderzoek bestudeerde Lenferink 137 achterblijvers en concludeerde dat hun klachten na een vermissing ernstiger lijken dan bij ­mensen van wie een dierbare door een natuurlijke oorzaak is gestorven. De kans op een langdurige rouwstoornis bij vermissing lijkt vijf keer groter dan bij een natuurlijk overlijden. Verstoorde rouwklachten bestaan uit ­intens en langdurig verlangen naar de dierbare, intense boosheid, blijven malen, sombere gevoelens. ‘Bij ‘normale rouw’ heb je die klachten ook, maar bij verstoorde, traumatische rouw zijn ze heftiger, hardnekkiger en duren ze aanzienlijk langer.’ Dat kan gepaard gaan met slaapproblemen, burn-out, depressie en ptss.

‘Het zijn vooral de onzekerheid en de onwetendheid waardoor mensen blijven malen’, verklaart Lenferink. ‘Je hoort dat mensen die na een vermissing uiteindelijk wél een lichaam vinden toch spreken van een ‘afsluiting’. Ze weten details, al zijn ze nog zo gruwelijk, ze kunnen het een plekje geven, een afscheidsritueel uitvoeren.’ Onderzoek toont dat dat bevorderlijk is voor het verwerkingsproces.

Hoop en vrees

Hoop daarentegen kan rouw bemoeilijken. Mensen die het vermoeden hadden dat hun dierbare nog leefde, terug zou keren, waren ook de mensen die heftigere klachten ervoeren, zo bleek uit Lenferinks onderzoek. ‘Ik sprak achterblijvers die na twee jaar nog niet konden werken. Hoop kan aanleiding geven tot ‘rumineren’: het langdurig en herhalend blijven nadenken over de oorzaken en gevolgen van het verlies. Ze blijven maar denken: waar is hij nu, waarom komt hij niet terug, ligt het aan mij, wat had ik kunnen doen? Daardoor kunnen ze in een vicieuze cirkel terechtkomen.’

Natasja, moeder van Sidney die verdween in Frankrijk. Overal hangt ze flyers op, zelfs op vakantie in Portugal. Beeld Pauline Niks

Alderliefste herkent het. Ze weet nog dat iemand een foto naar haar stuurde die dacht dat ze Sidney had gezien. ‘Ik heb uren naar die foto zitten staren. Diep in mijn hart wist ik: dit is niet mijn kind. Maar tóch denk je: ik heb hem al een jaar niet gezien, de foto is onduidelijk. Wat nou als... Ik bleef maar kijken en kijken, ik maakte mezelf wijs dat hij het wel was. Dat is wat hoop met je doet. Als ik niet uitkijk, me niet concentreer op m’n anderen kinderen, dan maakt het me gek.’

Gekmakende (wan)hoop. Je hoeft Jan (68) en Anneke (61) Groenendijk, de ouders van de vermiste Rebecca, niet te vertellen wat dat is. Anneke vertelt in de woonkamer van hun woonwagen in Zwijndrecht: ‘Ik heb Jan eens midden op de Dordtse Brug laten keren. ‘Rebecca loopt daar!’, schreeuwde ik. Dus hij op de rem, achter die vrouw aan. Ja, dan zie je dat het Rebec niet is. We wilden echt door de bodem van de auto zakken, de ­teleurstelling was zó groot.’

Hun toen 31-jarige dochter heeft vijf jaar geleden haar huis verlaten in enigszins ‘verwarde toestand’ – zo schreven de kranten toen. Sindsdien ontbreekt elk spoor. Een paar weken voor haar verdwijning zei ze wel tegen haar ouders dat ze ‘iets wist wat niemand mocht weten’. Maar wat? Ze wilde het niet kwijt.

Jan en Anneke Groenendijk. Beeld Pauline Niks

Sinds Rebecca’s vermissing, slaapt Jan elke nacht op de bank. Met het licht aan. ‘Voor het geval ze thuiskomt’, zegt Jan op fluistertoon. Anneke: ‘Toen ik net voetstappen hoorde op het houten trappetje voor onze voordeur, wist ik: dat is vast die journalist van de krant. Ik wist in elk geval zeker dat het niet Rebecca was: die loopt wat boerser dan jij deed, lomper, jij loopt wat lichtvoetiger. Toch, Jan?’

Jan knikt. Jan is Rebecca’s stiefvader, al vanaf haar 12de. ‘Maar noem het woordje ‘stiefvader’ niet, want dan wordt ze laaiend’, lacht moeder ­Anneke (61). ‘Voor haar was Jan ­gewoon papa.’ Verleden tijd, tegenwoordige tijd: Anneke gebruikt ze ­allebei als het over haar dochter gaat. ‘Rebecca is een mooie meid’. ‘Rebecca had een klein hartje’. ‘Ja, ik weet niet welke tijd ik moet gebruiken, dus ik gebruik ze maar door elkaar.’ Iets wat bijna alle achterblijvers doen, weet Lenferink. ‘In ons onderzoek zaten ook schrijfopdrachten. Soms werd een brief geschreven aan de vermiste. Die kon dan in tegenwoordige tijd beginnen – ‘Ik geef je mijn nieuwe adres, zodat je me kan opzoeken’ – en eindigen met: ‘Ik denk dat je overleden bent’.’

‘Er gaat een stukje in je dood als je kind vermist is’, vervolgt Anneke. ‘En ik ben al eens een dochtertje verloren. 3 jaar was ons meisje toen ze overleed aan een hartafwijking. Dat verdriet draag je de rest van je leven mee, als een schrijnend litteken. Maar een vermissing is erger, harder, grilliger, kan ik je vertellen.’ Ze tikt op haar voorhoofd. ‘In mijn kop vlieg ik alle kanten op: ze is dood. Ze leeft. Ze is dood. Ze leeft. Dood levend dood ­levend dood levend. Ik zou zo graag willen weten of ik moet rouwen.’

Daarom blijven ze zoeken. Het stel heeft een stichting opgericht om een privédetective te bekostigen. Anneke, tegen haar man: ‘Jan, laat die poster eens zien?’ Dus Jan – trotse blik – rolt een megagrote poster uit op de grond van hun woonkamer, met het logo van de stichting en de naam van Rebecca. ‘Nu zijn de touwen kapot, maar normaal gesproken hangt deze poster voor ons huis, aan de kant van de weg.’

De privédetective gaat alle tips na – soms komt er nog eentje binnen. ­‘Iemand zei laatst dat ze als prostituee in België werkte.’ Dus Jan en Anneke belden die rechercheur, of hij naar België wilde gaan? Anneke: ‘Die hoop is op korte termijn verlichtend.’ Jan: ‘Maar op lange termijn zorgen dat soort tips altijd voor een teleurstelling.’

Anneke en Jan hebben een dochter Rebecca die vermist is. Ze wonen in een stacaravan in Zwijndrecht en hebben geld verzameld voor een prive detective die haar zoekt. Beeld Pauline Niks

Onbegrip

Rechercheur Izanne de Wit trok in de afgelopen zes jaar met haar team heel wat van dat soort tips in vermissingszaken na. Ze is specialist vermiste personen bij de eenheid Midden-Nederland. ‘Soms bellen mensen me ineens op, na een vermissing van jaren geleden. ‘Hebben jullie al in dat en dat bosje gezocht?’ Dan hebben ze weer van iemand een advies gekregen.’

Achterblijvers laten niet los, weet De Wit. ‘Het probleem is: de hele wereld is je zoekgebied. Er zijn altijd plekken waar je niet hebt gezocht. Dat zorgt voor veel onrust. Want iemand kan niet zomaar van de aardbodem verdwijnen.’ Dat triggert haar als rechercheur, maar ook als mens. ‘Wáár zíjn ze?!’ Maar vooral het contact met de achterblijvers motiveert De Wit om dit werk te doen. ‘Hoe langer iemand vermist is, hoe meer de achterblijvers zich gaan richten op het onderzoek. De eerste shock, de eerste paniek, die zijn weggeëbd. Nu willen ze vooral antwoorden, en ze hopen dat wij die kunnen brengen.’ Transparantie is belangrijk, stelt De Wit. ‘Wordt een cold case opnieuw geopend, dan mag je geen bovengemiddeld hoge verwachtingen schetsen. En je moet altijd eerlijk zijn. Vergeet niet dat deze mensen de afgelopen jaren al veel, heel veel slecht nieuws hebben moeten verwerken. Het klinkt hard, maar achterblijvers kunnen tegen een stootje. Je moet ze vooral niet sparen: ze verdienen het te weten waar ze aan toe zijn. Ook als je niets hebt gevonden, of geen nieuwe zoektocht gaat starten op basis van een vage melding.’

Bij een langdurige vermissing komt ook andersoortig verdriet kijken, weet De Wit. Nieuw verdriet. ‘Ik hoor heel vaak mensen zeggen: ‘Onze familie is in tweeën gerukt’.’ Eerst heb je alle neuzen lange tijd dezelfde kant op. Op een gegeven moment kom je op een punt dat er mensen zijn die het zoeken opgeven. Of er zijn vrienden, kennissen, buren, verre familieleden die voorzichtig zeggen: ‘Is het niet een keer genoeg geweest?’ Maar er zijn ­altijd mensen, vooral ouders, die door blijven gaan. Dat zorgt voor wrijving. Achterblijvers raken daardoor niet alleen de vermiste kwijt, maar soms ook andere familieleden en vrienden. Heel pijnlijk.’

Rebecca Groenendijk (toen 31) verdween vijf jaar geleden. Geldbusje voor de donaties om de prive detective te betalen. Beeld Pauline Niks

Vooral als de vermiste vijf jaar zoek is, wordt het een gevoelig onderwerp. Want dan kunnen achterblijvers een verklaring van vermoedelijk overlijden aanvragen. Onderzoeker Lenferink zegt daarover: ‘Dat is praktisch voor de verzekering, voor de hypotheek, voor uitkeringen, voor alles ­eigenlijk. Maar het is voor mensen zo’n grote stap. Ik heb ze horen zeggen: ‘Dan is het alsof ik diegene ­opgeef.’ Of: ‘Dan doen we net alsof hij dood is’. Eigenlijk zou zoiets makkelijker moeten worden gemaakt bij de wet. Het zou een boel extra leed ­besparen. Wat dat betreft is het een vergeten groep.’

‘Hou er nou toch eens mee op.’ Hoe vaak Maria Roelofsen (55) dat wel niet heeft gehoord. 31 jaar geleden, op 23 januari 1988, raakte haar zus Alie Spruit (toen 32) vermist. De moeder van vijf kinderen, toen tussen de 7 maanden en 7 jaar oud, zou op de fiets zijn vertrokken en is nooit meer teruggekeerd. ‘Mijn zus zou die kleintjes nóóit moedwillig in de steek laten.’ Het gekke is: ‘die kleintjes’ zijn nu ­allemaal volwassen. Ze hebben allemaal zelf kinderen. Er is zelfs al een zoon van Alie overleden. ‘Zo vreemd dat ze dit allemaal niet heeft mee­gekregen. Er is iets gebeurd en ik móét weten wat.’ Zelfs haar moeder – 90 jaar – zegt: ‘Ik zal niet rusten voor ze wordt gevonden’. Roelofsen is eigenlijk de enige die nog zo hardnekkig doorzoekt. Alies kinderen, haar man, haar andere broers en zussen: ze vinden eigenlijk, denkt Roelofsen, dat ze een beetje doordraaft. Dat doet haar misschien nog wel het meest pijn. ‘Het voelt eenzaam. Iedereen kan zeggen dat ik moet stoppen, maar ik geef mijn zus niet op. Dat ben ik aan haar verplicht. Zolang we niets doen, lijkt het net alsof ze nooit heeft geleefd.’

Maria Roelofsen. Beeld Pauline Niks

Even heeft ze gedacht dat er antwoorden zouden komen. De politie had de zaak drie jaar geleden op haar verzoek heropend na nieuwe aanwijzingen, waarna een zoekactie volgde rondom de boerderij waar Alie woonde. ‘Ik weet nog hoe ik daar voor die woning stond. Overal zwarte hekken, graafmachine, apparatuur, agenten. En een lijkwagen. Ik heb heel hard ‘o nee, o nee, o nee’ geroepen. Gek hè? Ik wilde heel graag dat ze ­gevonden werd, dat het ‘niet weten’ ­afgelopen zou zijn, maar ik was zó bang voor wat het met me zou doen. Bovendien zou er dan nog een vraag zijn: wie heeft dit gedaan?’

Maar de lijkwagen stond er ‘voor de zekerheid’, Alie is niet gevonden. Bij Roelofsen is er die dag wel een knop omgegaan. ‘De rechercheur – een goeie vent – keek me aan en zei: ‘Ga er maar vanuit dat ze niet meer leeft.’ Toen voelde ik voor het eerst een soort ­berusting – voor zover dat kan. Omdat ik hem geloofde, ofzo, ik weet het niet precies.’ Wat niet wil niet zeggen dat ze stopt met zoeken. ‘Ik heb een Alie-kistje, met alle artikelen over de zaak en de interviews die ik erover heb gegeven. Dit verhaal komt er ook in. En ik ben inmiddels drie keer ­verhuisd, en elke keer bel ik bij mijn vertrek bij de buren aan om ze mijn nieuwe adres te geven. Voor het geval Alie langskomt. Ik vind rust in het zoeken.’

Het maakt haar wel achterdochtig. ‘Dan gaan we flyers ophangen bij de bakker in het dorp, en dan zegt de bakker: ‘Nee, daar doe ik niet aan mee.’ Dan denk ik meteen: die weet wat.’ Verbittering is er ook. ‘Het lukt me soms niet te lachen als er leuke of mooie dingen gebeuren. Dan denk ik alleen maar: Alie, Alie, kom nou terug. Waarom staat er niemand op die iets weet? Ik smacht soms echt naar een sterfdag. In dat woord zit zo veel duidelijkheid: je weet én dat ­iemand dood is, én wannéér dat is ­gebeurd. Die onzekerheid gaat zo diep. Daar kan geen therapie tegenop. Als een therapeut begint over het woord ‘rouw’, dan denk ik al: rouw? Rouw? Wat weet jíj er nou van? Ik ben niet in de rouw!’

Speciale behandelmethodes gericht op de achterblijvers zijn er ook niet, stelt Lenferink. Dat is omdat er nog niet veel over deze problematiek bekend is. Er zijn vóór Lenferinks studie wereldwijd niet veel onderzoeken naar psychische klachten van achterblijvers gedaan – en de onderzoeken díe zijn gedaan, zijn vaak gericht op oorlog en gewapende conflicten (denk aan achterblijvers in Mexico, Bosnië, Pakistan). ‘Totáál anders dan een vermissing zoals in Nederland’, stelt Lenferink. Sinds 2013 is wel besloten om de rouwstoornis toe te voegen aan het DSM-classificatiesysteem dat in de psychologie wereldwijd wordt gebruikt voor diagnosen. ‘Daardoor kan een rouwbehandeling vergoed worden.’

Een goede behandeling zou volgens Lenferink gericht zijn op het leren omgaan met de onzekerheid. ‘Veel therapeuten concentreren zich bij ­verliesverwerking op het confronteren met de onomkeerbaarheid van het verlies. Dat werkt na verlies door een overlijden, maar niet voor een vermissing. Je kunt een achterblijver niet pushen om te accepteren dat de dierbare niet ­terugkomt.’ Ook rechercheur De Wit weet: noem het woordje ‘loslaten’ niet bij de achterblijvers. ‘Dat is bijna beledigend. We houden daarom ook altijd de deur op een kier, we geven de achterblijvers altijd het gevoel: het dossier ligt op een plank in de kast, maar niet in een stoffig archief. Ze moeten áltijd bij ons terug kunnen komen met vragen. Dat doen ze vaak ook. En dan geef ik ze de informatie die ze nodig hebben, ik herhaal dingen, verduidelijk wat, laat foto’s en kaarten zien van waar we gezocht hebben. Het gaat er dan gewoon om: kunnen ze de komende tijd weer even verder met wat ze nu weten?’

Roelofsens zus Alie Spruit (toen 32) is al sinds 1988 vermist. Beeld Pauline Niks

Speld in een hooiberg

Maar welke professionele hulp werkt wél? Lenferink wou dat ze die vraag makkelijk kon beantwoorden. ‘We hebben gekeken naar een behandelmethode met cognitieve gedragstherapie en elementen van mindfulness voor het terugdringen van ruminerende gedachten.’ De deelnemers gaven aan dat zij positieve effecten ­ervoeren. Het laat Lenferink en haar collega’s zien: dit is de moeite waard om verder onderzoek naar te doen.

Over hulp heeft Alderliefste nog niet nagedacht. Haar zoons – vooral de oudste – hebben gesprekken gehad met maatschappelijk werkers. ‘Ik vond het belangrijk dat ze er met iemand van buitenaf open over konden praten. Als ik er met ze over praat, ben ik soms bang dat ze zich inhouden. Zo van: mama heeft al zo veel verdriet, we houden ons sterk. Maar zíj zijn hun grote broer kwijt.’ Zelf concentreert ze zich vooral op haar gezin, haar werk, vrienden die haar zijn blijven steunen; op dat wat er nog wel is.

En op de zoektocht.

‘Uitkijken naar Sidney is onderdeel geworden van mijn leven’, vertelt ze. ‘Als ik de hond uitlaat, dan kijk ik altijd eventjes het steegje in naast ons huis. Misschien staat-ie daar wel. Maar als ik dan zonder Sidney naar binnen stap en de deur achter me dichttrek, of zonder Sidney vanuit Frankrijk naar Nederland terugkeer, kan ik nog steeds overspoeld raken door leegte en paniek. Dan besef ik: mijn zoon is een speld in de hooiberg geworden.’

Maria is haar zus Alie kwijt. Op een nacht vertrok ze na een discussie met haar man, op de fiets, haar kinderen lagen in bed. Ze keerde nooit meer terug. Beeld Pauline Niks
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.